Exodus 4:18-23
I. Mozes krijgt verlof van zijn schoonvader, om naar Egypte terug te keren, vers 18. Zijn schoonvader was vriendelijk voor hem geweest toen hij een vreemdeling was, en daarom wil hij nu niet zo onbeleefd zijn om zijn familie, noch zo onrechtvaardig om zijn dienst, te verlaten, zonder er hem kennis van te geven. De eer van toegelaten te zijn tot gemeenschap met God en van gebruikt te worden in Zijn dienst, ontheft ons niet van onze plicht ten opzichte van onze bloedverwanten en beroepsbetrekkingen in deze wereld. Voorzoveel blijkt, heeft Mozes aan zijn schoonvader niets gezegd van Gods heerlijke openbaring aan hem, voor zulke gunstbewijzen moeten wij God dankbaar zijn, maar er ons niet op beroemen voor de mensen.
II. Hij ontvangt nog verdere bemoediging en onderricht van God voor zijn werk. Nadat God hem aan het braambos was verschenen om gemeenschap met hem te openen, schijnt Hij meermalen tot hem gesproken te hebben, naar dit nodig was, maar met minder ontzagwekkende plechtigheid, en:
1. Hij verzekert Mozes dat het gevaar voor hem geweken is. Welke nieuwe vijanden hij zich ook mocht maken door zijn onderneming zijn oude vijanden, al "want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten", vers 19. Misschien was er wel enige verborgen vrees van in hun handen te zullen vallen, in de onwil van Mozes om naar Egypte te gaan, hoewel hij dit niet graag erkende, maar zich beriep op zijn onwaardigheid, onbekwaamheid, gebrek aan welsprekendheid, enz. God kent alle verzoekingen van Zijn volk, en Hij weet hoe hen te wapenen tegen hun verborgen vrees Psalm 142:3, 4.
2. Hij beveelt hem de wonderen te doen, niet alleen voor de oudsten van Israël, maar voor Farao, vers 21. Er waren aan het hof van Farao misschien nog sommigen in leven, die zich Mozes herinnerden, toen hij de zoon van Farao's dochter was, en hem menigmaal dwaas genoemd hadden vanwege zijn opgeven van de eer van die betrekking, maar nu wordt hij teruggezonden naar het hof, bekleed met een grotere en hogere macht, dan waartoe Farao's dochter hem kon bevorderen, zodat het bleek, dat hij niets verloren had bij zijn keus, die wonderdoende staf versierde Mozes' hand meer dan de scepter van Egypte haar had kunnen versieren. Zij, die met minachting neerzien op wereldse eer, zullen beloond worden met de eer, die van God komt en die de echte eer is.
3. Opdat Farao's hardnekkigheid hem geen verwondering of ontmoediging zou baren, zegt God hem van tevoren, dat Hij "zijn hart zal verstokken". Farao had zijn hart verhard tegen het zuchten en kermen van de verdrukte Israëlieten het innerlijke van zijn barmhartigheid voor hen toegesloten, en nu wordt zijn hart in de weg van een rechtvaardig oordeel door God verhard tegen de overtuiging van de wonderen en de verschrikking van de plagen. Leraren moeten het verwachten, dat zij aan velen tevergeefs arbeiden, wij moeten het niet vreemd achten, als wij mensen ontmoeten op wie de krachtigste argumenten geen invloed of uitwerking hebben, ons oordeel is bij de HEERE.
4. Er worden hem woorden in de mond gelegd, die hij tot Farao moet spreken, vers 22, 23. God heeft hem beloofd: "Ik zal u leren wat gij spreken zult", vers 12, en hier leert Hij het hem.
a. Hij moet zijn boodschap brengen in de Naam van de grote Jehovah. "Alzo zegt de HEERE!" Dit is de eerste maal, dat die inleiding door enig mens is gebruikt, welke later zo veelvuldig gebruikt is door al de profeten. Hetzij nu Farao zal horen hetzij hij het zal laten, Mozes moet hem zeggen: "Alzo zegt de HEERE!"
b. Hij moet Farao bekendmaken met Israëls betrekking tot God en met Gods zorg over Israël. "Is Israël een knecht of is hij een ingeborene des huizes?", Jeremia 2:l4. Neen, "Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene", (Hosea 11, 1), kostelijk in Mijn ogen, verheerlijkt, en Mij dierbaar, en moet niet aldus beledigd en mishandeld worden.
c. Hij moet vrijlating voor hen eisen. "Laat Mijn zoon trekken, niet slechts Mijn knecht, die gij het recht niet hebt terug te houden, maar Mijn zoon, wiens vrijheid en eer mij zeer ter harte gaan. Het is Mijn zoon, Mijn zoon, die Mij dient, en daarom moet hij verschoond, moet voor hem gepleit worden, Maleachi 3:17.
d. Hij moet Farao dreigen met de dood van de eerstgeborenen van Egypte In geval van een weigering. "Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden." Laat de mensen verwachten zelf behandeld te worden, zoals zij Gods volk behandelen, bij de verkeerde bewijst God zich een worstelaar.
III. Mozes heeft zich, toen God hem verzekerde, vers 19, dat de mannen, die zijn ziel zochten, dood waren, bereid voor die tocht, direct volgt in vers 20, Mozes dan nam zijn vrouw en zijn zonen, en keerde weer in Egypteland. Hoewel het bederf veel tegenwerpingen maakt tegen de dienst, waartoe God ons roept, zal de genade toch de bovenhand behouden om aan het hemels gezicht gehoorzaam te wezen. 09583-980511-1152-Ex4.24 Exodus 4:24-31
Mozes is hier op weg naar Egypte, en er wordt ons gezegd, dat:
1. God hem tegenkwam in toorn, vers 24-26 Dit is een zeer moeilijke plaats in de geschiedenis, er is veel voortreffelijks over geschreven om die zaak op te helderen, en wij zullen trachten er een nuttig gebruik van te maken. Hier is:
1. De zonde van Mozes, welke bestond in het nalaten van zijn zoon te besnijden, wat mogelijk een gevolg was van zijn ongelijk huwelijk met een Midianietische, die te toegeeflijk of al te teerhartig was voor haar kind, terwijl Mozes te toegeeflijk was voor haar. Het is ons nodig om zeer zorgvuldig te waken over ons eigen hart, opdat geen liefde voor iemand van onze bloedverwanten de overhand heeft over onze liefde tot God en ons afhoud van onze plicht jegens Hem. Aan Eli wordt ten laste gelegd dat hij zijn zonen meer eerde dan God, 1 Samuël 2:29. zie ook Mattheus 10:37. Zelfs Godvruchtige mensen zijn er aan onderhevig om te verkoelen in hun ijver voor God en hun plicht, als zij lang van de omgang met gelovigen verstoken zijn geweest, eenzaamheid heeft haar nuttige zijde, die echter zelden opweegt tegen het verlies van Christelijke gemeenschapsoefening.
2. Gods misnoegen op hem. Hij kwam hem hier tegen, en zocht hem, waarschijnlijk door een zwaard in de hand van een engel, te doden. Een grote verandering voorwaar! Kort geleden had God met hem gesproken als met een vriend, en hem een grote zaak toevertrouwd, en nu gaat Hij tegen hem uit als tegen een vijand. Verzuim, of nalatigheid, is zonde, en moet in het gericht komen, speciaal de minachting, het veronachtzamen van de zegelen van het Verbond, want het is een teken, dat wij de beloften van het Verbond onderschatten, en dat de voorwaarden er van ons mishagen. Als iemand een koop gesloten heeft en die koop niet wil bezegelen en bevestigen, dan kan men met recht van hem denken, dat hij er niet mee ingenomen is, en ook geen plan heeft om er bij te blijven. God neemt kennis van, en met grote boosheid over de zonde van Zijn eigen volk. Als zij hun plicht veronachtzamen, dan kunnen zij verwachten daarvan te zullen horen door hun eigen geweten, en het misschien ook te voelen door tegenspoeden. Om die reden zijn er velen zwak en ziek, zoals naar sommigen denken, Mozes hier geweest is.
3. De snelle vervulling van de plicht, wegens het verzuim waarvan God thans een twist met hem had. Zijn zoon moet besneden worden, hijzelf is niet instaat om het te doen, daarom, in dit geval van noodzakelijkheid Zippora het doet, hetzij met hartstochtelijke woorden, waarin zij haar afkeer van deze ritus te kennen geeft, of tenminste van de toepassing ervan op zo'n jong kind, en dat wel terwijl zij op reis waren, (zoals het mij toeschijnt) of wel met gepaste woorden, waarmee zij plechtig uitspreekt het gehuwd zijn aan God van dit kind door het Verbond van de besnijdenis, zoals sommigen het opvatten, of haar dankbaarheid aan God, dat Hij haar man gespaard heeft, hem nieuw leven schenkende, en daarmee haar, als het ware, een nieuw huwelijk met hem gevende, nadat zij haar zoon besneden had, zoals weer anderen hier lezen. Ik kan hier geen bepaald oordeel over hebben, maar wij leren:
a. Dat als God ons ontdekt wat er verkeerds is in ons leven, dan moeten wij ons met alle ijver erop toeleggen om er spoedig verbetering in te brengen, en speciaal moeten wij terugkeren tot de plicht, die wij veronachtzaamd hebben.
b. Het wegdoen van onze zonden is volstrekt noodzakelijk voor het wegnemen van Gods oordelen, dit is de stem in iedere roede, zij roept ons om weer te keren tot Hem, die ons slaat.
4. Hoe Mozes hierop losgelaten werd: Hij "liet van hem af." (vers 26) De ziekte verdween, de verderfengel trok zich terug, en alles was wel. Alleen Zippora kan de angst niet vergeten, die zij had gehad, maar wil- zeer onredelijk-Mozes een bloedbruidegom noemen, omdat hij haar verplicht had het kind te besnijden, en-waarschijnlijk-heeft hij hen bij deze gelegenheid teruggezonden naar zijn schoonvader opdat zij hem niet nog verdere ellende zou veroorzaken. Als wij tot God weerkeren in de weg van de plicht, dan zal Hij tot ons weerkeren in de weg van genade en goedertierenheid, neem de oorzaak weg, en de uitwerking zal ophouden. Wij moeten ons vast voornemen om het geduldig te dragen, als onze ijver voor God en Zijn inzettingen verkeerd voorgesteld en tegengewerkt wordt door sommigen, die zichzelf en ons en hun plicht beter moesten kennen, zoals Davids ijver verkeerd uitgelegd werd door Michal maar zo dit gering of zo dit bloedig is, dan moeten het nog meer zijn. Als wij een bijzondere dienst voor God hebben te verrichten, dan moeten wij wat er ons waarschijnlijk in zou hinderen zo ver van ons wegdoen als wij kunnen. Volg Mij, laat de doden hun doden begraven.
II. Hoe Aäron hem tegenkwam in liefde, vers 27, 28.
1. God zond Aäron om hem tegemoet te gaan, en zei hem waar hij hem zou vinden, in de woestijn, die tegen Midian lag. Gods voorzienigheid moet erkend worden in de troostrijke ontmoetingen van bloedverwanten en vrienden.
2. Aäron maakte zoveel haast in gehoorzaamheid aan zijn God en in liefde voor zijn broeder, dat hij hem ontmoette "aan de berg Gods" (vers 27), de plaats waar God hem had ontmoet. (Exodus 3:1) 3. Zij hebben elkaar teder omhelsd hoe meer zij Gods onmiddellijke leiding zagen in hun ontmoeting, hoe aangenamer hun het weerzien was. Zij kusten elkaar, niet alleen ten teken van broederlijke genegenheid en in herinnering aan oude bekendheid met elkaar, maar als een onderpand van hun hartelijke samenwerking in het werk, waartoe zij beide geroepen waren.
4. Mozes deelde aan zijn broeder de opdracht mede, die hij had ontvangen, met al de instructies en de geloofsbrieven, die er aan toegevoegd waren, vers 28. Wat wij van God weten moeten wij aan anderen tot hun voordeel meedelen en zij, die mededienstknechten zijn van God in hetzelfde werk, moeten vrij met elkaar omgaan, en trachten elkaar goed en ten volle te begrijpen.
III. Hoe de oudsten van Israël hem tegenkwamen in geloof en gehoorzaamheid. Toen Mozes en Aäron in het eerst hun opdracht in Egypte bekendmaakten, zeiden wat hun geboden was te zeggen en, ter bevestiging hiervan, deden wat hun geboden was te doen, viel hun een betere ontvangst te beurt, dan zij zich hadden voorgesteld, vers 29 31.
1. De Israëlieten schonken hun geloof, het volk geloofde, zoals God voorzegd had, Hoofdstuk 2:18, wetende dat niemand de werken kon doen, die zij deden, tenzij God met hem is. Zij gaven God de eer, zij bogen hun hoofden en aanbaden, waarin zij niet alleen hun eerbiedige dank uitdrukten aan God, die hun een verlosser verwekt en gezonden had, maar ook hun blijmoedige bereidvaardigheid om de orders op te volgen en zich naar de methode van hun bevrijding te schikken.