Exodus 18:7-12
Let hier:
I. Op de vriendelijke begroeting tussen Mozes en zijn schoonvader, vers 7. Hoewel Mozes een profeet van de Heer was, een groot profeet en koning in Jeshurun, betoonde hij zijn schoonvader toch een zeer nederige eerbied. Hoe het God in Zijn voorzienigheid ook behaagd moge hebben ons te bevorderen en te verhogen, moeten wij toch altijd nauwgezet eer geven aan wie eer toekomt, en nooit met minachting neerzien op onze arme bloedverwanten. Zij, die hoog staan in de gunst van God, zijn hierdoor niet ontheven van de plicht, die zij tegenover de mensen hebben, noch zal dit een trotse, hooghartige houding in hen rechtvaardigen. Mozes ging Jethro tegemoet, boog zich voor hem en kuste hem. De godsdienst doet geen goede manieren teniet. Zij vroegen elkaar naar hun welstand. Zelfs van het vriendelijk: hoe gaat het u, dat tussen hen gewisseld werd, wordt nota genomen, als de uitdrukking van wederkerige liefde en vriendschap.
II. Mozes' verhaal aan zijn schoonvader van de grote dingen die God voor Israël gedaan heeft, vers 8. Dit was een zaak waarvoor Jethro gekomen was, namelijk om vollediger en meer in bijzonderheden te weten wat hij bij algemeen gerucht gehoord had. Gesprekken over de grote daden van God zijn nuttige gesprekken, zij zijn goed en "tot nuttige stichting", Psalm 105:2. Vergelijk Psalm 145:11, 12. Het vragen naar en het vertellen van hetgeen is voorgevallen, om er dan met elkaar over te spreken, is niet slechts een geoorloofde wijze van onderhoud, maar kan ook zeer nuttig en voordelig zijn, als er leidingen van de voorzienigheid van God in worden opgemerkt, en de werking en strekking er van in die verschillende voorvallen worden nagegaan.
III. De indrukken, door dit verhaal teweeggebracht op Jethro.
1. Hij wenste het Israël van God geluk, vers 9. Jethro nu verheugde zich. Hij verheugde zich niet slechts in de eer, die zijn schoonzoon was aangedaan, maar over al het goede, hetwelk de Heer Israël gedaan had, vers 9. Openbare zegeningen zijn de vreugde voor hen, aan wie het openbare welzijn ter harte gaat. Terwijl de Israëlieten zelf murmureerden in weerwil van al Gods goedertierenheid over hen was hier een Midianiet, die zich verheugde. Dit was niet de enige keer dat het geloof van de heidenen het ongeloof van de Israëlieten beschaamd maakte, zie Mattheus 8:10. Toeschouwers waren meer getroffen door de gunsten, die God aan Israël heeft bewezen, dan zij, die deze gunsten ontvangen hebben.
2. Hij verheerlijkte de God Israëls, vers 10 "Gezegend zij Jehovah" (want bij die naam is Hij nu bekend) "die u, Mozes en Aäron verlost heeft uit de hand van Farao, zodat hij wel tot uw dood besloten heeft, maar zijn besluit niet ten uitvoer heeft kunnen brengen, en door uw bediening het volk verlost heeft". Wat het ook zij, dat ons vreugde veroorzaakt, God moet er de eer voor ontvangen.
3. Hierdoor werd zijn geloof bevestigd, en hij nam deze gelegenheid waar om er plechtig belijdenis van te doen, vers 11. Nu weet ik dat de Heer groter is dan alle goden. Laat ons letten:
a. Op hetgeen hij geloofde: dat de God van Israël groter is dan alle voorgewende, alle valse goden, die zich goddelijke eer aanmatigen. Hij brengt hen tot zwijgen, onderwerpt hen, is hun te sterk, en daarom is Hij de enig levende en ware God. Hij is ook hoger dan alle vorsten en potentaten (die ook goden genoemd worden) en Hij heeft een onbetwistbaar gezag over hen en een onweerstaanbare macht om hen te besturen, over hen te heersen. Hij doet met hen wat Hem behaagt, en wordt aan hen verheerlijkt, hoe groot en machtig zij ook zijn.
b. De bevestiging en toeneming van zijn geloof. Nu weet ik, hij wist het tevoren, maar nu wist hij het beter, zijn geloof groeide op tot volle verzekerdheid, nu hij er zo'n nieuw bewijs van heeft gezien. Diegenen sluiten hun ogen voor het helderste licht, die niet weten dat de Heer groter is dan alle goden.
c. De grond, waarop hij het bouwde want in de zaak, waarin zij trots gehandeld hebben, de tovenaars en de afgoden, die de Egyptenaren aanbaden, of wel, Farao en zijn rijksgroten, (beiden hebben God tegengestaan, en zich als Zijn mededingers opgeworpen) was Hij boven hen. De tovenaars waren in het nauw gebracht, de afgoden geschud, Farao was vernederd, zijn macht verbroken, en in weerwil van al hun samenspanning is het Israël van God uit hun handen gered. Vroeg of laat zal God tonen dat Hij boven hen is, die door hun trotse handelen met Hem strijden. Die zich tegen God verhoogt, zal vernederd worden.
IV. De uitdrukkingen van hun vreugde en dankbaarheid, zij oefenden gemeenschap met elkaar in een feestmaal en in offerande, vers 12. Daar Jethro Israëls belangen van harte toegedaan was, werd hij, ofschoon hij een Midianiet was, graag toegelaten tot gemeenschap met Mozes en de oudsten van Israël, omdat ook deze een zoon van Abraham is, al is het dan ook uit een jonger huis.
1. Zij verenigden zich in het brengen van een dankoffer, Jethro bracht God brandoffers en slachtoffers, en waarschijnlijk heeft hij ze zelf geofferd, want hij was priester in Midian en een aanbidder van de ware God, en het priesterschap was in Israël nog niet vastgesteld. Wederzijdse vriendschap wordt geheiligd door gezamenlijke aanbidding. Het is voor bloedverwanten en vrienden zeer kostelijk om, als zij samenkomen, zich te verenigen in de geestelijke offerande van gebed en lofzegging, als elkaar ontmoetende in Christus, het middelpunt van hun eenheid.
2. Zij verenigden zich aan een maaltijd ter verheuging, een maaltijd na het offer. Mozes heeft bij deze gelegenheid zijn vrienden en bloedverwanten uitgenodigd tot een feestmaal in zijn eigen tent, een loffelijke gewoonte onder vrienden, die Christus zelf niet slechts goedgekeurd maar aangeprezen heeft, door Zijn aanneming van dergelijke uitnodigingen. Het was een matig feestmaal, zij aten brood, dit brood was, naar wij kunnen onderstellen, manna. Jethro moet dat brood van de hemel zien en proeven, en hoewel hij een heiden, iemand uit de volken, is, is hij er even welkom toe als iedere Israëliet, zo zijn ook nu nog de heidenen welkom aan Christus, het brood des levens. Die maaltijd werd op godvruchtige wijze gehouden. zij aten brood voor het aangezicht van God, in sobere dankbare gemoedsstemming, in de vrees voor God, en hun tafelgesprekken waren zoals zij betaamden aan heiligen. Aldus moeten wij eten en drinken ter eer van God en ons aan tafel gedragen als de zodanigen, die geloven dat Gods oog op ons is.