Exodus 11:1-3
Hier is:
1. De hoge gunst, waarin Mozes en Israël stonden bij God.
a. Mozes was een gunstgenoot van de hemel, want God wil voor hem niet verbergen wat Hij doen zal. God stelt hem niet alleen aan om Zijn boodschappen over te brengen, maar deelt hem, als de man van Zijn raad, Zijn voornemen mee, dat Hij nog een plaag-en niet meer-over Farao zal brengen, door welke Hij de verlossing van Israël zal voltooien, vers 1. Mozes verlangde dit ontzettende werk tot een einde te zien komen, verlangde Egypte niet meer geplaagd te zien, en Israël niet meer verdrukt. "Welnu", zegt God "het einde is nabij, de strijd zal weldra vervuld zijn, het doel bereikt. Farao zal genoodzaakt zijn zich overwonnen te verklaren, en de strijd op te geven." Na al de vorige plagen zegt God: Ik zal nog een plaag over Farao en over Egypte brengen. Zo is ook, na al de oordelen over de zondaren in deze wereld, nog een, dat over hen gebracht zal worden in de andere wereld, hetgeen diegenen volkomen vernederen zal, die door niets anders vernederd werden.
b. De Israëlieten waren gunstgenoten van de hemel, want God zelf omhelst hun zaak, en draagt er zorg voor, dat zij voor al hun moeite in dienst van de Egyptenaren betaald zullen worden. Dit was de laatste dag van hun dienstbaarheid, zij waren op het punt van heen te gaan, en hun meesters, die hen mishandeld hadden in hun werk, zouden hun nu nog hun loon onthouden hebben, en hen ledig hebben weggezonden, terwijl de arme Israëlieten zó naar hun vrijheid verlangden, dat zij daarmee, ook zonder betaling, tevreden zouden geweest zijn, en zich verheugd hebben, om hun vrijheid-op wèlke voorwaarden dan ook-te verkrijgen. Maar Hij, "die de verdrukte recht doet," heeft er in voorzien, dat de arbeiders hun loon niet zouden verliezen, en gebood hun het nu, bij hun vertrek op te eisen, vers 2, in zilveren vaten en gouden vaten. Ter toebereiding hiervoor heeft God door Zijn plagen de Egyptenaren nu even verlangend gemaakt naar hun heengaan op elke voorwaarde, als de Egyptenaren tevoren door hun strengheid en mishandelingen hen verlangend hadden gemaakt om op elke voorwaarde te vertrekken. Hoewel de geduldige Israëlieten tevreden waren om hun loon te verliezen, wilde God toch niet dat zij zonder dat zouden heengaan. Op de een of andere wijze zal God recht laten wedervaren aan de verdrukten, die in ootmoedig stilzwijgen Hem hun zaak overgeven, en Hij zal er voor zorgen, dat niemand iets door geduldig lijden zal verliezen, evenmin als door de dienst, die zij gedaan hebben.
2. De hoge gunst en achting, waarin Mozes en Israël stonden bij de Egyptenaren, vers 3.
a. Zelfs het volk, dat gehaat en geminacht was, werd nu geacht en geëerbiedigd. De wonderen, ten behoeve van hen gedaan, deden hun eer aan, en maakten hen tot personen van aanzien en gewicht. Hoe groot worden zij niet voor wie God strijdt! Aldus gaf de Heer het volk genade in de ogen van de Egyptenaren, door te doen blijken in hoe hoge gunst zij bij Hem stonden. Hij veranderde ook de geest, de gezindheid van de Egyptenaren jegens hen, Hij gaf hun barmhartigheid voor het aangezicht van hun verdrukkers.
b. De man Mozes was zeer groot. Hoe kon het ook anders, als zij zagen met wat macht hij bekleed was, en welke wonderen door zijn hand werden gewrocht? Zo zijn ook de apostelen, hoewel zij lieden van gering aanzien waren, in grote achting gehouden bij het volk, Handelingen 5:13. Die God eren zal Hij eren, en wat hen betreft, die zich Hem getrouw betonen: er zal een dag komen, wanneer zij groot, zeer groot zullen zijn in de ogen van de wereld, zelfs in de ogen van hen, die nu met de grootste minachting op hen neerzien. En hoewel Farao Mozes haatte, waren er onder Farao's knechten, die hem achtten en eerden. Zo waren er ook in het huis van de keizer, zelfs in dat van Nero, sommigen, die achting hadden voor Paulus, Filippenzen 1:13.