Jozua 7:10-15
Wij hebben hier Gods antwoord op het gebed van Jozua, wij kunnen veronderstellen dat dit antwoord kwam van het verzoendeksel boven de ark, voor welke Jozua met het aangezicht ter aarde lag, vers 6. Zij, die de wil van God wensen te kennen, moeten met hun begeerten naar de orakels van God gaan en aan de poort van de wijsheid gaan en op haar voorlichting wachten, Spreuken 8:34. En laat hen, die zich onder het teken bevinden van Gods misnoegen nooit over Hem klagen, maar bij Hem klagen, en dan zullen zij een antwoord des vredes ontvangen. Het antwoord kwam terstond, terwijl hij nog sprak, Jesaja 65:24, zoals het ook tot Daniël kwam, Daniël 9:20.
1. God bemoedigt Jozua onder zijn tegenwoordige moedeloosheid en vrees ten opzichte van de treurige gesteldheid van Israëls aangelegenheden, vers 10. "Sta op, laat de moed niet aldus zinken, waarom ligt gij dus neer op uw aangezicht?" Ongetwijfeld heeft Jozua wèl gedaan met zich aldus voor God te verootmoedigen en te treuren onder de tekenen van Zijn misnoegen, maar nu zegt God hem, dat het genoeg is, Hij wilde hem niet langer in die treurige houding zien want God verlustigt zich niet in de smart zijner boetelingen, als zij hun zielen verootmoedigen nog verder of meer dan nodig is om vergeving te ontvangen en vrede te hebben, zelfs van dat treuren moeten de dagen een einde nemen. Sta op, schud u uit het stof, Jesaja 52:2. Jozua bleef treuren en rouwbedrijven tot aan de avond toe, vers 6 zó laat, dat zij in die avond niets konden doen om de schuldige te ontdekken, maar genoodzaakt waren dit uit te stellen tot aan de volgende morgen, Daniël (Hoofdstuk 9:21-) en Ezra (Hoofdstuk 9:5, 6) bleven slechts treuren tot omtrent de tijd van het avondoffer, dat heeft beide verkwikt en moed gegeven, maar Jozua bleef nog langer treuren, en daarom wordt hij nu opgewekt: "Sta op, blijf daar niet de gehele nacht liggen." Toch bevinden wij dat Mozes veertig dagen en veertig nachten aldus voor de Heere lag, om voorbede te doen voor Israël, Deuteronomium 9:18. Jozua moet opstaan, omdat hij ander werk te doen heeft dan daar neer te liggen, de ban moet ontdekt en uitgeworpen worden, en dat wel hoe eerder hoe beter. Jozua is de man, die het moest doen, en daarom is het tijd voor hem om zijn rouwgewaad af te leggen en zijn klederen als rechter aan te doen, en de ijver aan te doen als een mantel, het wenen moet het zaaien niet in de weg staan, en de ene Godsdienstplicht moet de andere niet verdringen. Alles is schoon op zijn tijd. Sechanja had misschien hier het oog op in hetgeen hij bij een dergelijke gelegenheid tot Ezra heeft gezegd. Zie Ezra 10:2-4.
II. Hij maakt hem de ware en enige oorzaak bekend van deze ramp, en toont hem waarom Hij tegen hen had gestreden, vers 11. Israëls heeft gezondigd. "Denk niet dat God van zin is veranderd, Zijn arm verkort is, of Zijn belofte zal falen, het is zonde, het is zonde, die grote kwaaddoenster, die de stroom van de Goddelijke gunst heeft gestremd, en deze scheur aan u gescheurd heeft." De zondaar wordt niet genoemd, hoewel de zonden aangeduid wordt, maar er wordt van gesproken als van de daad van Israël in het algemeen, totdat zij haar op de bepaalde persoon hebben gelegd, en hun droefheid naar God aldus een verantwoording voor hen heeft gewrocht, zoals die waarvan gesproken wordt in 2 Corinthiers 7:11.
Merk hier op hoe de zonde hier als uiterst zondig is voorgesteld.
1. Zij hebben Mijn verbond overtreden, een uitdrukkelijk gebod, waaraan een strafbedreiging is toegevoegd. Er was overeengekomen dat God de gehele buit van Jericho zou hebben en zij de buit van de overige steden van Kanaän maar door God te beroven van Zijn deel, overtraden zij dit verbond.
2. Zij hebben van het verbannene genomen in geringachting van de vloek. die zo plechtig aangekondigd was tegen hem, die zich aan Gods eigendom zou durven vergrijpen, alsof er niets ontzaglijke was in die vloek.
3. Ook hebben zij gestolen, zij deden het heimelijk, alsof zij het voor de Goddelijke alwetendheid konden verbergen, en zij waren bereid te zeggen: De Heere zal het niet zien, of zal uit zo'n grote buit deze kleinigheid niet missen. Aldus hebt gij gemeend, dat Ik ten enenmale ben gelijk gij.
4. Ook hebben zij gelogen. Toen de krijgsverrichting was afgelopen, heeft Jozua waarschijnlijk al de stammen opgeroepen en hun gevraagd, of zij met de buit getrouwelijk gedaan hebben naar het bevel des Heeren, en hun bevolen om, zo zij kennis droegen van een overtreding, het te zeggen, maar Achan voegde zich bij de overigen in hun algemene betuiging van onschuld, waarbij hij zich wist te beheersen, zoals de overspelige vrouw, die eet, haar mond afwist en zegt: ik heb geen ongerechtigheid gewrocht. Ja meer:
5. Zij hebben het verbannene onder hun gereedschap gelegd, alsof zij er evenveel recht op hadden als op hun andere bezittingen, niet denkende dat zij ter verantwoording zullen geroepen worden, noch voornemens zijnde om het terug te geven. Van dit alles heeft Jozua, hoewel hij een wijs en waakzaam heerser was, niets geweten totdat God het hem zei die al de verborgen boosheid kent, welke er in de wereld is en waarvan de mensen niets weten. God kon hem toen ook gezegd hebben wie de persoon was, die dit gedaan heeft, maar Hij doet het niet.
a. Om de ijver van Jozua en Israël op te wekken om tot de ontdekking van de misdadiger te komen.
b. Om de zondaar zelf nog tijd en gelegenheid te geven om tot berouw te komen over zijn misdaad en er belijdenis van te doen. Jozua heeft ongetwijfeld terstond door het gehele leger bekend gemaakt, dat er zo'n overtreding begaan was. Indien nu Achan zich terstond had aangegeven, boetvaardig en berouwhebbend zijn schuld had bekend, en het onderzoek had voorkomen, wie weet of hij dan niet het voorrecht had kunnen hebben van de wet, die een zondoffer aannam met teruggave van het ontvreemde van hen die door afdwaling gezondigd hebben wat ontvreemdende van de heilige dingen des Heeren, Leviticus 5:15, 16. Maar Achan, die geen schuld bekende, voordat het lot hem had aangewezen, gaf blijk van de hardheid zijns harten, en daarom heeft hij geen barmhartigheid verkregen.
III. Hij wekt hem op om de zaak te onderzoeken door hem te zeggen:
1. Dat dit de enige reden was van de twist, die God met hen had, dit en niets anders, zodat, indien deze ban slechts weggedaan werd, hij niet behoefde te vrezen, alles zal wel wezen, was deze versperring weggenomen, dan zal de stroom van zijn overwinningen en voorspoed even sterk zijn als ooit tevoren.
2. Dat, zo deze ban niet werd weggedaan zij de terugkeer van Gods genaderijke tegenwoordigheid niet moesten verwachten, duidelijk uitgedrukt: Ik zal niet meer met ulieden zijn, tenzij gij de ban uit het midden van ulieden verdelgt, dat is de verbannen, of gevloekte persoon, die dit geworden is door van het verbannene te nemen. Wat gevloekt is, zal verdelgd worden, en zij, die door God aangesteld zijn om het zwaard te dragen, dragen het tevergeefs, als zij het niet tot een verschrikking maken voor de boosheid, die deze oordelen Gods over een land brengt. Door persoonlijke bekering en verbetering van leven, verdelgen wij het verbannene in ons eigen hart, en, tenzij wij dit doen, moeten wij nooit de gunst des gezegenden Gods verwachten. Laat alle mensen het weten, dat het niets anders is dan de zonde, die scheiding maakt tussen hen en God, en zo die niet van harte betreurd en nagelaten wordt, dan zal die scheiding eeuwig wezen.
IV. Hij duidt hem aan op welke wijze hij dit onderzoek en die vervolging moet instellen.
1. Hij moet het volk heiligen, nu, vanavond nog, dat is, zoals nader verklaard wordt, hij moet hun bevelen zich te heiligen, vers 13. En wat kunnen magistraten of leraren meer doen tot heiliging? Zij moeten zich in een gepaste gemoedsstemming brengen om voor God te verschijnen, en zich aan het Goddelijk onderzoek onderwerpen, nu God kwam om hen te onderzoeken, zij moeten zich bereiden om hun God te ontmoeten. Zij waren er toe geroepen zich te heiligen, toen zij de Goddelijke wet moesten ontvangen Exodus 19, en ook thans nu zij voor het Goddelijk gericht moesten verschijnen want voor beide gelegenheden wordt de diepste eerbied vereist. Er is een ban in het midden van ulieden, daarom: heiligt u, dat is: "Laat allen, die onschuldig zijn, instaat wezen zich te zuiveren, en te zorgvuldiger zijn om zich te heiligen." Andere zonden moeten ons aansporen om ons te heiligen, zoals de ergernis van de bloedschendige Corinthiër de aanleiding is geweest voor een gezegende hervorming in die gemeente, 2 Corinthiers 7:11.
2. Hij moet hen allen onder de proef van het lot brengen, vers 14. Eerst zal de stam tot welke de schuldige behoorde, door het lot ontdekt worden, dan het geslacht, vervolgens het huisgezin, en eindelijk de persoon. Zo kwam de ontdekking langzaam en trapsgewijze opdat aan de schuldige nog de gelegenheid zou is gegeven worden om zich aan te geven en openhartig zijn zonde te belijden, want God wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen.
Merk op: de stam, het geslacht, het huisgezin, waarop het viel wordt gezegd door de Heere geraakt te zijn, want het beleid daarvan is van de Heere, hoe toevallig het ook schijnt, het is onder het bestuur van de oneindige wijsheid en rechtvaardigheid, en om te tonen, dat als de zonde van de zondaren hen vindt, God er in erkend moet worden. Hij is het, die hen grijpt, het arresteren geschiedt in Zijn naam. God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden, Genesis 44:16. Er wordt ook te kennen gegeven met hoe zeker en onfeilbaar een oordeel de rechtvaardige God onderscheidt, en altijd zal onderscheiden, tussen de onschuldigen en de schuldigen, zodat zij wel voor een tijd onder dezelfde veroordeling schijnen, zoals de gehele stam dit scheen, toen hij het eerst door het lot geraakt was, maar Hij, die Zijn wan in Zijn hand heeft, zal er krachtdadig in voorzien, dat het kostbare van het snode zal worden uitgetrokken, zodat, hoewel de rechtvaardige van dezelfde stam, hetzelfde geslacht en huisgezin zijn als de goddelozen, zij toch niet als de goddelozen behandeld worden, Genesis 18:25
3. Als de misdadiger ontdekt was, dan moest hij zonder barmhartigheid ter dood gebracht worden, en met alle tekenen van afschuw en verfoeiing, vers 15. Hij en al wat hij heeft, moest met vuur verbrand worden, opdat er niets van het verbannene onder hen overbleef en de reden, voor dit strenge vonnis gegeven, is dat de misdadiger: a. God ten hoogste heeft beledigd, hij had het verbond des Heeren overtreden, die inzonderheid ijvert voor de eer van Zijn heilig verbond.
b. Hij heeft groot onheil berokkend aan de kerk van God, hij heeft dwaasheid gedaan in Israël, schande gebracht over het volk, dat door al zijn naburen beschouwd werd als een wijs en verstandig volk, het volk verontreinigd, dat Gode geheiligd was het volk beroerd, waar Hij de beschermer van is. Deze misdaden waren in haar aard zó gruwelijk en ergerlijk, konden zulke boze gevolgen na zich slepen, en zo'n slecht voorbeeld zijn, dat de straf, die anders onder het verwijt van wreedheid zou kunnen vallen, nu goedgekeurd en toegejuicht moet worden als een daad van noodzakelijke gerechtigheid. Het was HEILIGSCHENNIS, het was een aanranden van de rechten Gods, het was Zijn eigendom te vervreemden, en datgene tot privaat gebruik aan te wenden, wat toegewijd was aan Zijn eer en heerlijkheid en bestemd was voor de dienst van het heiligdom-dat was de misdaad, die aldus streng gestraft moest worden, ter waarschuwing van al het volk in alle eeuwen om zich te wachten van God te beroven.