Markus 14:1-11
Wij hebben hier voorbeelden:
I. Van de vriendelijkheid van Christus' vrienden, en wat zij deden om Hem eerbied en achting te betonen. Zelfs in en rondom Jeruzalem had Hij vrienden, die Hem liefhadden, en dachten dat zij nooit genoeg voor Hem konden doen, en onder wie, schoon Israël niet wordt vergaderd, Hij heerlijk is en altijd zijn zal.
1. Hier is een vriend, die Hem de vriendelijkheid bewees om Hem tot een avondmaaltijd te nodigen, en Hij was zo vriendelijk van de uitnodiging aan te nemen, vers 3. Hoewel Hij het vooruitzicht had op Zijn naderenden dood, heeft Hij zich toch aan geen droefgeestige teruggetrokkenheid overgegeven, maar was Hij even vrij in den omgang met Zijne vrienden als tevoren.
2. Hier was ook ene vriendin, die hare vriendelijkheid betoonde door Zijn hoofd te zalven met een zeer kostelijke zalf, terwijl Hij aan tafel zat. Dit was een buitengewoon bewijs van eerbied, betoond door een Godvruchtige vrouw, die niets te goed achtte voor Christus om Hem te eren. Nu was de Schrift vervuld: Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus haren reuk, Hooglied 1:12. Laat ons Christus zalven als onzen welbeminde, Hem kussen met een kus der genegenheid, en Hem zalven als onzen Soeverein, en Hem kussen met een kus van hulde en trouw. Heeft Hij Zijne ziel uitgestort in den dood voor ons, en zullen wij dan een fles met zalf te kostelijk achten om over Hem uit te storten. Het is opmerkelijk dat zij er zorg voor droeg om al de zalf op Christus' hoofd uit te storten? Zij brak de fles (aldus lezen wij het), maar omdat het een albasten fles was, die niet gemakkelijk gebroken werd, en het ook niet nodig was haar te breken om er de zalf uit te laten vloeien, lezen sommigen hier, zij schudde de fles, of klopte haar tegen den grond, om los te maken wat er in was, opdat het er des te gemakkelijker zou uitvloeien, of zij wreef en schraapte er uit al wat er nog aan de zijwanden van was gebleven. Christus moet geëerd worden met alles wat wij hebben, en wij moeten er niet aan denken om er iets van terug te houden. Geven wij Hem de kostelijke zalf van onze beste genegenheden? Laat Hem er alles van hebben, laat ons Hem beminnen met geheel ons hart.
a. Nu waren er, die hier een verkeerde uitlegging aan gaven. Zij noemden het een verlies der zalf, vers 4. Omdat het in hun hart niet zou opgekomen zijn zich zulk een uitgave te veroorloven om Christus te eren, dachten zij dat zij, die het wel deed, verkwistend was. Gelijk nu de dwaas niet milddadig genoemd behoort te worden, noch de gierige mild, Jesaja 32:5, zo behoort de milddadige niet verkwistend te worden genoemd. Zij wendden voor dat de zalf verkocht en het geld aan de armen gegeven had kunnen worden, vers 5. Maar gelijk een algemene vroomheid ten opzichte van het korban de bijzondere liefdadigheid jegens arme ouders niet moet in den weg staan, Hoofdstuk 7:11, zo moet de algemene liefdadigheid jegens de armen geen bijzondere daad van liefde en eerbied jegens den Heere Jezus verhinderen. Wat uwe hand te doen vindt, dat goed is, doe dit met uwe macht.
b. Onze Heere Jezus gaf er een betere uitlegging aan, dan er uitwendig mede bedoeld scheen. Waarschijnlijk heeft zij niets anders bedoeld, dan om voor het gehele gezelschap haar eerbied voor Hem te tonen en Zijn feestelijk onthaal te vervolledigen. Maar Christus verheft het tot een daad van groot geloof zowel als van grote liefde, vers 8. "Zij is voorgekomen om Mijn lichaam te zalven, tot ene voorbereiding ter begrafenis, alsof zij voorzag dat Mijne opstanding haar zou beletten om het daarna te doen." Deze begrafenisplechtigheid was een soort van voorteken of inleiding tot Zijn nabij zijnde dood. Zie, hoe Christus hart vervuld was met de gedachte aan Zijn dood, hoe alles daarmee in verband werd gebracht, en hoe gemeenzaam Hij er bij iedere gelegenheid over heeft gesproken. Het is de gewoonte dat voor hen, die ter dood zijn veroordeeld, de doodkist en alle beschikkingen voor hun begrafenis gemaakt worden terwijl zij nog leven, en zo heeft Christus dit aangenomen. Christus' dood en begrafenis waren het uiterste van Zijne vernedering, daarom wilde Hij, hoewel Hij er zich goedsmoeds aan onderwierp, toch dat er ook enig teken van eerbetoon bij zou plaatshebben, dat kon bijdragen om de ergernis van het kruis weg te nemen, en een aanduiding zou zijn, hoe kostelijk in de ogen des Heeren de dood Zijner gunstgenoten is. Christus is nooit triomfantelijk Jeruzalem binnengereden dan toen Hij kwam om er te lijden, en nooit is Zijn hoofd gezalfd, dan voor Zijne begrafenis.
c. Hij heeft deze daad van heldhaftige liefde en eerbied aan de kerk van alle eeuwen aangeprezen, Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden, vers 9. De eer, welke het weldoen vergezelt, zelfs in deze wereld, kan genoegzaam opwegen tegen den smaad en de verachting, die er over uitgestort worden. De gedachtenis der rechtvaardigen is gezegend en zij, die bespottingen en geselen geproefd hebben, hebben toch een goed getuigenis verkregen, Hebreeën 11:36-39. Aldus werd deze goede vrouw beloond voor hare fles met zalf. -Zij heeft noch haar zalf, noch haar arbeid verloren. Zij heeft er dien goeden naam door verkregen, die beter is dan een kostelijke zalf. Die Christus eren zal Hij eren.
II. Van de boosaardigheid van Christus' vijanden en de toebereidselen door hen gemaakt om Hem leed te berokkenen.
1. De overpriesters, Zijn openlijke vijanden, beraadslaagden hoe zij Hem zouden doden, vers 1.
2. Het feest van het pascha was nabij, en op dat feest moest Hij gekruisigd worden.
a. Opdat Zijn dood en lijden des te meer openbaar zouden zijn, en gans Israël, zelfs die uit de verstrooiing, die van overal voor dit feest naar Jeruzalem kwamen, er getuigen van zouden zijn, alsmede van de wonderen, die er bij plaatshadden,
b. Opdat het anti-type beantwoorden zou aan het type. Christus, ons Pascha, werd voor ons geofferd, en voerde ons uit het diensthuis, terzelfder tijd als het paaslam geofferd werd, en de gedachtenis gevierd werd van Israël's verlossing uit Egypte. Zie nu hoe boosaardig Christus' vijanden zijn geweest. Zij vonden het niet genoeg Hem te verbannen of gevangen te zetten, want het was niet slechts hun doel Hem tot zwijgen te brengen en Hem in Zijn voortgang te stuiten, neen zij wilden zich ook op Hem wreken voor al het goed, dat Hij gedaan heeft. Hoe listig zij waren: Niet in het feest, als het volk samenkomt. Zij zeggen niet: "Opdat zij niet gestoord worden in hun gebeden en Godsverering, en er van afgeleid worden," maar: Opdat niet misschien oproer onder het volk worde, vers 2. Opdat zij niet opstaan en Hem verlossen, en hen aanvallen, die iets tegen Hem ondernemen. Zij, die niets meer begeerden dan lof van mensen, vreesden niets meer dan de woede en het ongenoegen van mensen. 3. Judas, Zijn verborgen, vermomde vijand, sloot ene overeenkomst met hen om Hem over te leveren, vers 10, 11. Hij wordt gezegd te zijn een der twaalven, die Christus' huisgezin waren, gemeenzaam met Hem, opgeleid tot den dienst van Zijn koninkrijk. En hij ging tot de overpriesters, om hun voor deze zaak zijne diensten aan te bieden.
a. Wat hij hun voorstelde was Christus aan hen over te leveren. hun te zeggen wanneer en waar zij Hem konden vinden en grijpen, zonder een oproer onder het volk teweeg te brengen, waarvoor zij bevreesd waren, als zij Hem zouden grijpen als Hij in het openbaar en temidden Zijner bewonderaars verscheen. Wist hij dan welke hulp zij behoefden, en waar zij in hun beraadslagingen mede in de klem zaten? Waarschijnlijkwist hij dat niet, want hun beraadslagingen geschiedden in het verborgen. Wisten zij dan dat hij wel genegen was hen te dienen? Neen, zij konden zich niet voorstellen, dat een Zijner vertrouwden zo laaghartig zou zijn, maar Satan, die in Judas gevaren was, wist hoe nodig zij hem hadden, en kon hem leiden om hun leidsman te zijn, die er op uit waren om Jezus te vangen. De geest, die in al de kinderen der ongehoorzaamheid werkt, weet hen wel bij elkaar te brengen om elkaar behulpzaam te zijn in een boos opzet, en er hen in te verharden met de voorstelling, dat zij door de Voorzienigheid geholpen worden.
b. Wat hij zich voorstelde was, dat hij door die overeenkomst met hen geld zou verkrijgen. Hij bereikte zijn doel, toen zij beloofden hem geld te geven. Gierigheid was de boezemzonde van Judas, zijn eigen ongerechtigheid, en die bracht hem tot de zonde om zijn Meester te verraden. De duivel heeft zijne verzoeking daarnaar ingericht, en hem aldus overwonnen. Er wordt niet gezegd: Zij beloofden hem bevordering (daarnaar ging zijne eerzucht niet uit, maar zij beloofden hem geld te geven. Zie, hoe nodig het ons is dubbel op onze hoede te zijn tegen de zonde, die ons lichtelijk omringt. Wellicht was het de geldgierigheid van Judas, die hem er het eerst toe bracht om Christus te volgen, daar hij de belofte had van de penningmeester van het gezelschap te zullen zijn, en hij er in zijn hart van hield geld te hanteren, en nu er geld was te verkrijgen van de andere zijde, was hij even bereid Hem te verraden, als hij vroeger geweest is Hem te volgen. Als het beginsel van iemands belijdenis van den Godsdienst vleselijk en werelds is en tot een wereldlijk doeleinde moet dienen, dan zal ditzelfde beginsel, als het getij verkeert, de bittere wortel van een snoden en schandelijken afval wezen.
c. Het geld verkregen hebbende, zocht hij hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou, op ene wijze, die het meest behagen zou aan hen, die hem gehuurd hadden. Zie hoe nodig het ons is, om wèl toe te zien, dat wij ons in geen zondige verbintenissen begeven. Indien wij te eniger tijd zo verstrikt zijn met de redenen onzes monds, dan is het van het grootste belang voor ons, om ons te redden door snel terug treden, Spreuken 6:1-5. Het is een regel in onze wet, zowel als in onzen Godsdienst, dat ene verplichting om kwaad te doen, nul en van gener waarde is, zij verplicht tot berouw, niet tot volbrenging. Zie hoe de weg der zonde bergafwaarts gaat-als men er op is, moet men voorwaarts, en wat boze bedenksels velen in hun zondig streven hebben, om hun plannen bekwamelijk te volvoeren, maar in het einde zal het blijken hoeveel kwaad zij er door stichten.