Mattheus 17:24-27
Hier hebben wij het bericht van het betalen van schatting door Christus.
I. Let op de wijze, waarop de schatting gevraagd werd, vers 24. Christus was nu te Kapernaum, Zijn hoofdkwartier, waar Hij meestal woonde. Hij bleef niet weg van de plaats, om het aldus te vermijden, dat Hem die schatting gevraagd werd, integendeel, Hij kwam juist ten einde aan die verplichting te voldoen.
1. De schatting, die gevraagd werd, was gene betaling van een burgerlijke belasting aan de Romeinse overheden-die werd stipt en streng door de tollenaren ingevorderd, maar een kerkelijke belasting, de halve sikkel, ongeveer 75 cents van ons geld, die van iedereen gevorderd werd voor den tempeldienst en de bestrijding der onkosten van den openlijken eredienst aldaar. Dit wordt genoemd de verzoening zijner ziel, Exodus 30:12. Dit werd toen niet zo streng ingevorderd als vroeger, inzonderheid niet in Galilea.
2. De eis was zeer bescheiden, van wege Zijne wonderen hadden de ontvangers zulk een ontzag voor Christus, dat zij er met Hem niet over durfden spreken. Zij wendden zich tot Petrus, wiens huis in Kapernaum was, en waarschijnlijk heeft dit huis ook Christus geherbergd, daarom was hij de geschiktste persoon om hierover aangesproken te worden, als huishoudend man, en daarbij veronderstelden zij, dat hij zijns Meesters gezindheid en bedoeling kende. Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet? vragen zij. Sommigen denken, dat zij oorzaak tegen Hem zochten met de bedoeling om, zo Hij weigerde, Hem voor te stellen als afkerig van den tempeldienst, en Zijne volgelingen als wetteloze, onordelijke lieden, die den cijns, ouden impost en tol niet geven, Ezra 4:13. Maar het schijnt veeleer, dat zij de vraag deden met bescheidenheid en eerbied, te kennen gevende, dat zo Hij een voorrecht had, waardoor Hij van de betaling dier belasting vrijgesteld was, zij er ook niet op zouden aandringen. Petrus heeft terstond toestemmend voor zijn Meester geantwoord. Ja, voorzeker, mijn Meester betaalt schatting, het is Zijn beginsel en praktijk, gij behoeft niet bevreesd te zijn het Hem voor te stellen. Hij was geworden onder de wet. Galaten 4:4, daarom is onder deze wet voor hem betaald, toen Hij veertig dagen oud was, Lukas 2:22, en nu betaalde Hij zelf, als een, die in Zijn staat van vernedering de gestaltenis eens dienstknechts heeft aangenomen, en was gezonden in de gelijkenis des zondigen vlezes, Romeinen 8:3. Nu wordt deze schatting aan den tempel een verzoening der zielgenoemd, Exodus 30:15. Ten einde nu in alles in gelijkheid des zondigen vlezes te verschijnen, heeft Christus die schatting betaald, hoewel Hij gene zonde had, die verzoend moest worden. Aldus betaamde het Hem alle gerechtigheid te vervullen, Hoofdstuk 3:15. Hij deed dit, om ons een voorbeeld te stellen, om aan een iegelijk te geven wat wij schuldig zijn, schatting dien wij de schatting verschuldigd zijn, Romeinen 13:17. Het koninkrijk van Christus is niet van deze wereld, en daarom is het er zo ver vandaan, dat aan deszelfs gunstelingen en beambten, als zodanig, de macht zou gegeven zijn, om van anderen schatting te eisen, dat zij zelven onder de verplichting zijn om aan de gestelde machten schatting te betalen. Een voorbeeld ook om bij te dragen voor de instandhouding van den openlijken eredienst van God in de plaats, waar wij ons bevinden. Als wij geestelijke goederen deelachtig worden, betaamt het ons lichamelijke goederen daarvoor te offeren. De tempel was nu tot een moordenaarskuil geworden, en de tempeldienst tot een voorwendsel voor den tegenstand van de overpriesters tegen Christus en Zijne leer, en toch heeft Christus deze schatting betaald. Kerkelijke belasting moet, als zij wettig opgelegd is, betaald worden, niettegenstaande het kerkelijk bederf. Wij moeten er zorg voor dragen, om onze vrijheid niet te gebruiken als een deksel van geldgierigheid en boosheid, 1 Petrus 2:16. Als Christus schatting heeft betaald, wie kan dan aanspraak maken om er van vrijgesteld te worden?
II. Hoe dit betwist werd, vers 25, niet aan de ontvangers zelven, opdat dezen niet geprikkeld of vertoornd zouden worden, maar aan Petrus, opdat hij de eigenlijke reden zou begrijpen, waarom Christus schatting betaalde, en hij hieromtrent niet in dwaling zou zijn. Hij bracht de ontvangers in huis, maar Christus voorkwam hem, ten einde hem een blijk te geven van Zijne alwetendheid, zodat generlei gedachte voor Hem verborgen kon blijven. De discipelen van Christus worden nooit aangevallen, zonder dat Hij het weet.
1. Hij beroept zich op de wijze van doen van de koningen der aarde, die hierin bestaat, dat zij schatting nemen van vreemdelingen, van de onderdanen huns rijks, of van vreemdelingen die met hen handelen, maar niet van hun eigen kinderen, die tot hun gezin behoren. Er is zulk ene gemeenschap van goederen tussen ouders en kinderen, zulk een deelgenootschap in hetgeen zij bezitten, dat het ongerijmd zou zijn voor de ouders om belasting te heffen van de kinderen, of iets van hen te eisen, het zo wezen alsof de ene hand belasting legt op de andere hand.
2. Hij past dit toe op zich zelven. Zo zijn dan de zonen vrij. Christus is de Zoon van God en de erfgenaam van alle dingen, de tempel is Zijn tempel, Maleachi 3:1, het huis Zijns Vaders, Johannes 2:16, waarin Hij getrouw is, als de Zoon over Zijn eigen huis, Hebreeën 3:6, en daarom is Hij niet verplicht deze belasting voor den tempeldienst te betalen. Aldus handhaaft Christus zijn recht, opdat Zijne betaling van deze schatting niet misbruikt zou worden ter verzwakking van Zijn titel en recht als de Zoon van God en de Koning Israël's, en den schijn niet zou hebben, alsof Hij zelf Zijne hoedanigheid als Gods Zoon en Koning Israël's ontkende. Deze vrijstelling der zonen moet niet verder uitgestrekt worden dan tot den Heere Jezus zelf. Gods kinderen zijn door Zijne genade en aanneming bevrijd van de slavernij der zonde en van Satan, maar zij zijn niet vrijgemaakt van onderworpenheid aan de burgerlijke overheid voor burgerlijke zaken, hieromtrent is de wet van Christus duidelijk en beslist: Alle ziel, (geheiligde zielen niet uitgezonderd) zij de machten, over haar gesteld, onderworpen. Geef den keizer dat des keizers is.
III. Hoe zij desniettemin betaald werd, vers 27.
1. De reden, waarom Christus van Zijn voorrecht afzag en deze schatting betaalde, hoewel Hij recht had op vrijstelling er van-Opdat wij hun geen aanstoot geven. Weinigen wisten wat Petrus wist, namelijk dat Hij de Zoon van God was, en het zou aan de eer dier grote waarheid, die nu nog een geheim was, tekort hebben gedaan, om haar thans tot dit doel aan te voeren. Daarom laat Christus dit argument ter zijde en bedenkt dat, zo Hij die betaling weigerde, dit het vooroordeel des volks tegen Hem en Zijne leer nog zou doen toenemen, en hun genegenheid voor Hem zou wegnemen, en daarom besluit Hij te betalen. In vele voorkomende gevallen zal de Christelijke voorzichtigheid en ootmoed ons leren, om liever afstand te doen van ons recht, dan ergernis te geven door er op te blijven staan. Uit vrees van ergernis te geven mogen wij nooit onzen plicht verzuimen of nalaten, (Christus, prediking en wonderen hebben hen geërgerd, maar toch is Hij er mede voortgegaan, Hoofdstuk 15:12, 13, het is beter mensen te ergeren dan God), maar soms moeten wij liever ons zelven verloochenen in hetgeen ons wereldlijk belang raakt, dan ergernis te geven, zoals ook Paulus gedaan heeft, 1 Corinthiërs 8:13, Romeinen 14:13. 2. Wat Hij deed om die schatting te betalen, Hij voorzag zich van het geld er voor uit den mond van een vis, vers 27, waaruit blijkt:
a. Christus' armoede. Hij had deze vijftien stuivers niet om de schatting te betalen, hoewel Hij zo vele kranken had genezen, maar het schijnt, dat Hij dit alles om niet deed, om onzentwil is Hij arm geworden, 2 Corinthiërs 8:9. Voor Zijn gewone uitgaven leefde Hij van de gaven Zijner vrienden, Lukas 8:3, en voor buitengewone leefde Hij van wonderen. Hij heeft Judas niet bevolen, om die schatting te betalen uit de beurs, die hij droeg-dat geld was bestemd voor hun levensonderhoud, en hiervan wilde hij niets voor dit bijzonder gebruik aanwenden, daar het bestemd was ten bate van allen.
b. De macht van Christus om hiervoor geld uit den mond van een vis te doen komen. Hetzij nu Zijne almacht dit geld daar gebracht heeft, of dat Hij door Zijne alwetendheid wist, dat het er was, het was in ieder geval een blijk van Zijne Godheid en dat Hij is de Heere der heirscharen. De schepselen, die het verst af staan van den mens, staan onder het bevel van Christus, zelfs de vissen der zee zijn onder Zijne voeten, Psalm 8:7, en om nu Zijne heerschappij over deze lagere wereld te doen blijken, en zich te schikken naar Zijn tegenwoordigen staat van vernedering, verkoos Hij dit geld uit den mond van een vis te nemen, terwijl Hij het uit de hand eens engels had kunnen ontvangen. Merk nu op: Dat Petrus dien vis met den angel moest vangen. Zelfs bij het doen van wonderen heeft Hij de middelen gebruikt, ten einde vlijt en krachtsinspanning aan te moedigen. Petrus heeft iets te doen, en wel hetgeen in zijn eigen beroep te pas komt, ten einde ons naarstigheid te leren in het werk, waartoe wij geroepen zijn. Verwachten wij, dat Christus ons zal geven? Laat ons bereid zijn voor Hem te arbeiden. Dat de vis bovenkwam met het geldstuk in den mond, hetgeen ons het loon voorstelt der gehoorzaamheid. Welk werk wij ook op Christus' bevel doen, het brengt altijd zijn eigen vergelding mede. Evenals na het houden van Gods geboden, is er in het houden van Gods geboden grote loon, Psalm 19:12. Petrus was tot een visser van mensen gemaakt, en die hij aldus ving, kwamen op, waar het hart is geopend om Christus' woord te ontvangen, daar is ook de hand geopend ter bemoediging Zijner dienstknechten. Dat het geldstuk juist voldoende was om de schatting te betalen voor Christus en Petrus. Gij zult een stater vinden, van gelijke waarde als de Joodse sikkel, die deze belasting dus betaalde voor twee, want zij bedroeg een halve sikkel voor ieder persoon, Exodus 30:13. Christus had even gemakkelijk over een zak met geld als over een geldstuk kunnen beschikken, maar Hij wilde ons leren naar geen overtolligheid te verlangen, maar tevreden te zijn als wij genoeg hebben voor het tegenwoordige ogenblik, en God niet te mistrouwen, al is het ook, dat wij van de hand in den tand moeten leven. Christus maakte den vis tot Zijn kashouder, en waarom zouden wij Gods voorzienigheid niet tot onze voorraadschuur en schatkamer maken? Indien hetgeen wij hebben toereikend is voor heden, zo laat de morgen voor het zijne zorgen. Christus betaalde voor zich zelven en voor Petrus, omdat waarschijnlijk van Hem alleen die belasting toen ingevorderd werd, de anderen hadden haar reeds betaald, of moesten haar misschien elders betalen. De Papisten zoeken er een grote verborgenheid in, dat Christus voor Petrus betaalde, alsof dit hem tot hoofd en vertegenwoordiger der gehele kerk maakte, terwijl die betaling voor hem eerder een teken van onderworpenheid dan van meerderheid was. Zijn zogenaamde opvolgers betalen gene schatting, maar eisen dat men hun schatting betaalt. Petrus ging vissen voor dit geld, en daarom werd het ook ten dele ten zijnen behoeve gebruikt. Zij, die medearbeiders zijn met Christus in het winnen van zielen, zullen deelgenoten zijn van Zijne heerlijkheid. Geef hem aan hen voor Mij en u. Wat Christus voor zich zelven betaalde, werd beschouwd als ene schuld. Het is, indien het Gode aldus behaagt, een begerenswaardige zaak om zoveel van het goed dezer wereld te hebben, dat men niet alleen rechtvaardiglijk aan ieder het zijne kan geven, maar ook vriendelijkheid kan betonen, niet slechts barmhartig kan zijn jegens de armen, maar ook zijnen vrienden eens een dienst kan bewijzen. Waartoe dient rijkdom anders, dan om instaat te zijn er goed mede te doen? Eindelijk merken wij nog op, dat de evangelist wel het bevel van Christus aan Petrus vermeldt, maar dat van de uitvoering niet in het bijzonder melding wordt gemaakt, maar wij kunnen het er met alle recht voor houden, dat het alzo geschiedde, en het wonder dus plaats had, want voor Christus is zeggen en doen hetzelfde.