Exodus 28:31-39
1. Hier worden voorschriften gegeven betreffende de mantel voor de efod, vers 31-35 Hij werd gedragen onder de efod, en reikte tot aan de knieen, zonder mouwen, en hij werd aangedaan over het hoofd, en aan beide zijden waren openingen om er de armen door te steken, of, zoals Maimonides hem beschrijft: hij was aan de zijden niet dichtgenaaid. Het gat van boven waar het hoofd door gestoken werd, was zorgvuldig omboord, opdat de mantel bij het aandoen niet zou scheuren. Bij de aanbidding Gods moet alles zorgvuldig vermeden worden wat het hart van de aanbidders zou kunnen afleiden, of wat de dienst verachtelijk zou kunnen maken. Rondom aan de zomen van de mantel werden gouden schelletjes gehecht, en een voorstelling van granaatappelen, vervaardigd van draad van verschillende kleuren. De granaatappelen dienden tot versiering van de mantel, en het geklank van de schelletjes was een teken voor het volk in de voorhof, als hij in het heilige ging om reukwerk te offeren, dat zij zich dan tegelijkertijd tot het gebed konden begeven, Lukas 1:10, om alzo hun instemming en medewerking te geven aan zijn offerande, en hun hoop te kennen te geven, dat hun gebed, zoals het reukwerk, dat hij offerde, tot God zou opgaan. Aaron moet nabij komen in de voor hem bepaalde kleren, opdat hij niet sterve. Het is voor hem gevaarlik als hij het doet op een andere dan de hem voorgeschreven wijze. Dit leert ons dat wij de Heere moeten dienen met vreze en heilig ontzag, als die weten dat wij verdienen te sterven en in gevaar zijn om vergissingen te begaan. Sommigen zien in de schelletjes van de heilige mantel een type van het geklank van Christus Evangelie in de wereld, dat bekend maakt dat Hij binnen de voorhang voor ons is getreden. "Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent," Psalm 89:16. De toevoeging van granaatappelen, een geurige vrucht, duidt de lieflijke reuk aan van het Evangelie, zowel als het geklank ervan, want het is een reuk "des levens ten leven." De kerk wordt een paradijs van granaatappelen genoemd, Hooglied 4:13.
2. Betreffende de gouden plaat, bevestigd aan Aarons voorhoofd, waarop gegraveerd moet wezen: Heiligheid des Heeren, vers 36, 37, of de heiligheid van Jehovah. Hierdoor moet Aaron er aan herinnerd worden, dat God heilig is en dat zijn priesters heilig moeten wezen. Heiligheid is Zijn huis, en zijn huisgezin sierlijk. De hogepriester moet zich afgezonderd houden van alle besmetting, gewijd zijn aan God, aan Zijn dienst en Zijn eer, en ook al zijn dienstverrichtingen moeten heilig zijn. Allen die in Gods huis verkeren, moeten Heiligheid des Heeren op hun voorhoofd dragen, dat is: zij moeten heilig zijn, toegewijd aan de Heere, en in alles wat zij doen Zijn heerlijkheid op het oog hebben. Dit moet gezien worden op hun voorhoofd, in een openlijke belijdenis van hun betrekking tot God, als degenen, die zich niet schamen dit te bekennen, en in een wandel in de wereld, die hieraan beantwoordt. Het moet gegraveerd worden als het graveersel op een zegel, zo diep en zo duurzaam, niet geschilderd, zodat het weggewist kan worden, maar oprecht en blijvend, zodanig moet onze heiligheid voor de Heere wezen. Aaron moet dit op zijn voorhoofd hebben, opdat hij de ongerechtigheid van de heilige dingen drage, vers 38 en om henlieden voor het aangezicht des Heeren aangenaam te maken. Hierin was hij een type van Christus, de grote Middelaar tussen God en de mens, door wie wij gemeenschap hebben met God, want:
a. Door Hem wordt ons hetgeen verkeerd is in onze dienst vergeven. De Goddelijke wet is streng en nauwkeurig, in vele dingen komen wij tekort in onze plicht, zodat wij ons wel bewust moeten zijn, dat er aan onze heilige dingen veel ongerechtigheid kleeft, als wij het goede willen doen, ligt het kwade ons bij, en dit zou, indien God met ons in het gericht wilde treden, ons verderf zijn. Maar Christus, onze Hogepriester, draagt deze ongerechtigheid, draagt haar voor ons, zodat Hij haar van ons wegdraagt, en door Hem wordt zij ons vergeven, wordt zij ons niet toegerekend.
b. Door Hem wordt hetgeen goed is Gode aangenaam gemaakt, onze persoon, ons werk zijn Gode welbehaaglijk vanwege Christus voorbede en tussenkomst, en niet anders, 1 Petrus 2:5. Omdat Hij Heiligheid is voor de Heere beveelt Hij allen, die deelhebben aan Zijn gerechtigheid en bekleed zijn met Zijn Geest, in de gunst van God. Daarom heeft Hij gezegd dat het om onzentwil is, dat Hij zich heeft geheiligd, Johannes 17:19. Daar wij nu "zo'n Hogepriester hebben, gaan wij met vrijmoedigheid toe tot de troon der genade," Hebreeën 4:14-16
3. De overige kledingstukken worden slechts genoemd, maar er was niets merkwaardigs aan. De geborduurde rok van fijn linnen was het binnenste van de priesterkledij, hij reikte tot de voeten, en de mouwen tot aan de polsen, en was aan het lichaam bevestigd door een geborduurde gordel. De hoed, of diadeem, was van linnen, zoals vanouds de koningen in het oosten ze gedragen hebben, hiermede het koningsambt van Christus afschaduwende. Hij "is een Priester op Zijn troon," een Priester met een kroon, Zacheria 6:13. Deze twee heeft God saamgevoegd, en wij moeten ze niet willen scheiden.