Exodus 21:22-36
I. Merk hier op de bijzondere zorg, welke de wet droeg voor zwangere vrouwen, dat haar geen letsel worde toegebracht, dat een miskraam tengevolge kan hebben. De wet van de natuur verplicht ons reeds zeer teder en zorgzaam te zijn in zo'n geval, opdat boom en vrucht niet tezamen verwoest worden, vers 22, 23. Zwangere vrouwen, die aldus onder de bijzondere bescherming van Gods wet gesteld zijn, kunnen, als zij in Zijn vreze leven zich nog onder de bijzondere bescherming van Gods voorzienigheid geloven, en hopen zalig te worden in kinderen te baren. Bij deze gelegenheid komt de algemene wet van de wedervergelding voor, waarnaar onze Heiland verwijst in Mattheus 5:38, "Oog om oog." Nu wordt de uitoefening of toepassing van deze wet hiermede:
1. Niet gesteld in handen van particuliere personen, alsof iedereen zichzelf mocht wreken, hetgeen een algemene verwarring zou teweegbrengen, en de mensen als de vissen van de zee zou maken. De inzetting van de ouden schijnt er die verdorven uitlegging aan te hebben gegeven, waar tegenover onze Heiland ons gebiedt, beledigingen en aangedaan onrecht te vergeven en niet op wraak te zinnen Mattheus 5:39.
2. Brengt God zelf deze wet dikwijls ten uitvoer in de loop van Zijn voorzienigheid, daar Hij in vele gevallen de straf aan de zonde doet beantwoorden, zoals in Richteren 1:7, Jesaja 33:1, Habakuk 2:13, Mattheus 26:52.
3. Behoren magistraten het oog te hebben op deze regel bij het straffen van misdadigers ten einde recht te doen aan hen, aan wie onrecht gedaan werd. De aard, de hoedanigheid en de mate van het onrecht, dat geschied is, moeten beschouwd en wèl overwogen worden, opdat aan de verongelijkten voldoening verschaft worde, en anderen weerhouden worden van hetzelfde kwaad te doen, hetzij dat een oog voor een oog worde gegeven, of dat het verbeurde oog door een som gelds gelost worde. Wie onrecht doet, moet verwachten dat hij op de een of andere wijze "het onrecht zal dragen, dat hij gedaan heeft," Colossenzen 3:25. Soms doet God van de mensen geweld op hun eigen hoofd nederdalen, Psalm 7:17, en magistraten zijn hierin de dienaren van Zijn gerechtigheid, en zij moeten "het zwaard niet tevergeefs dragen," Romeinen 13:4.
II. De zorg, die God droeg voor dienstknechten. Als hun meesters hen verminkten, al bestond dit slechts in het uitslaan van een tand, dan had dit hun vrijlating tengevolge, vers 26, 27. Dit was bedoeld:
1. Om te voorkomen dat zij mishandeld werden. De meesters zullen er zich voor wachten geweld aan hen te plegen, ten einde hun diensten niet te verliezen.
2. Om hen te vertroosten, als zij mishandeld werden. Het verlies van een van de ledematen zal hun het verkrijgen hunner vrijheid zijn, hetgeen wel kan opwegen tegen de geleden pijn of versmaadheid. Ja meer:
III. Zorgt God ook voor ossen? Ja, dit blijkt uit de volgende wetten in dit hoofdstuk, en dat Hij het doet om onzentwil, 1 Corinthiërs 9:9-10. De Israëlieten wordt hier aangewezen, wat te doen: 1. Ingeval van kwetsing teweeggebracht door ossen, of een ander dier, want de wet was ongetwijfeld bedoeld voor alle gelijksoortige gevallen.
a. Als een voorbeeld van Gods zorg voor het menselijk leven, (hoewel het leven des mensen duizendmaal verbeurd is aan de Goddelijke gerechtigheid) en ten teken van Zijn afschuw van de zonde van moord, moest een os, als hij een man, vrouw of kind doodde, gestenigd worden, vers 28. En omdat het voor de mindere schepselen de grootste eer is, de mens dienstig te wezen, wordt aan het misdadige dier die eer ontzegd, zijn vlees zal niet gegeten worden. Aldus wilde God dat er in het hart Zijns volks een ingewortelde afschuw zou wezen van moord en van alles, dat barbaars is.
b. Om de mensen zorg te doen dragen, dat hun vee geen schade of letsel veroorzaakt, maar dat door alle mogelijke middelen het kwaad voorkomen zal worden. Indien de eigenaar van het dier wist, dat het kwaadaardig was, dan komt de schade, die het alles aanricht voor zijn rekening, en naar de omstandigheden van de zaak blijken te zijn, moet hij òf ter dood gebracht worden, of met een som gelds zijn leven vrijkopen, vers 29-32 Sommigen van onze oude boeken maken dit volgens de landswet in Engeland tot een halsstraffelijke misdaad, en geven er deze reden voor: "Door zijn beest in vrijheid te laten, terwijl hij wist dat het kwaadaardig was, toont de eigenaar, dat hij wilde dat er kwaad gedaan zou worden". Het is niet genoeg, dat wij zelf geen kwaad doen, wij moeten er ook voor zorgen, dat geen kwaad gedaan worde door hen, die wij er van kunnen terughouden, hetzij mens of beest.
2. In geval van kwetsing, veroorzaakt aan ossen, of aan ander vee. Indien zij in een kuil vallen en er omkomen, moet hij, die de kuil geopend heeft, het verlies vergoeden, vers 33-34 Wij moeten ons wachten, niet slechts van te doen hetgeen schade zal veroorzaken, maar ook van te doen hetgeen schade kan veroorzaken. Het is niet genoeg om geen kwaad te bedenken of te bedoelen, wij moeten er ons ook op toeleggen om kwaad te voorkomen, want anders worden wij mee schuldig aan de schade, die onze naaste lijdt. Kwaad, gedaan uit haat of boosaardigheid, is de grote overtreding, maar kwaad, gedaan of veroorzaakt door onachtzaamheid en uit gebrek aan nadenken en zorg, is ook niet zonder schuld, er moet aan gedacht worden met leedwezen naar de mate van het kwaad, dat gedaan is, en in het bijzonder moeten wij niets doen waardoor wij mee schuldig worden aan de zonden van anderen, door aanstoot of ergernis te geven aan onze broeder en op die wijze hem tot zonde te brengen, Romeinen 14:13.
Als dieren vechten, en het een het andere doodt, dan moeten de eigenaars gelijkelijk delen in het verlies, vers 35. Alleen wanneer de eigenaar van het dier, dat het kwaad gedaan heeft, wist dat het kwaadaardig was, dan is hij alleen aansprakelijk voor de schadevergoeding, want hij had het dier òf moeten doden, of bewaren, dat is, het beletten om kwaad te doen vers 36. Deze wetten dragen het duidelijk kenmerk van billijkheid, en geven regelen van recht, die toen, en ook nu nog gelden voor de beslissing van gelijksoortige twistgedingen tussen mens en mens, maar ik vermoed, dat deze gevallen, eerder dan andere, hier genoemd zijn, sommigen er van zelfs zeer omstandig-omdat het gevallen waren, die toen juist voor Mozes gebracht waren, want in de woestijn, waar zij dicht bij elkaar gelegerd waren en hun runderen en schapen bij zich hadden, konden deze ongevallen al licht plaats hebben. Wat ons door deze wetten geleerd wordt is er ons zeer zorgzaam voor te wachten om kwaad te doen, hetzij direct of indirect, maar, zo wij wèl kwaad gedaan hebben, bereid te zijn om vergoeding te geven, opdat niemand iets door ons zal verliezen.