Mattheus 5:38-42
In deze verzen wordt de wet der wedervergelding verklaard, en in zekeren zin ingetrokken. Merk op:
I. Wat in het Oude Testament vergunning, toelating was in een geval van toegebrachte schade. De uitdrukking hier is alleen: Gij hebt gehoord dat gezegd is, niet, gelijk te voren, betreffende de wet der Tien Geboden, dat gezegd werd van, of tot, de ouden. Het was geen gebod, dat iedereen noodzakelijkerwijs zulk ene voldoening moest eisen, maar zij mochten er wettelijk op aandringen, indien hun dit behaagde, oog om oog, en tand om tand. Dit vinden wij in Exodus 21:24, Leviticus 24:20, Deuteronomium 19:21. In al die plaatsen wordt dit aangewezen als te moeten geschieden door de overheid, die het zwaard niet te vergeefs draagt, maar Gods dienares is, ene wreekster tot straf degenen, die kwaad doen, Romeinen 13:4. Het was ene aanwijzing voor de rechters van het Joodse volk van de straffen, die in het geval van verminkingen opgelegd moesten worden, ter verschrikking van dezulken, die kwaad doen, aan den enen kant, en tot weerhouding van hen, aan wie het kwaad gedaan wordt, aan den anderen kant, opdat dezen gene zwaardere straf eisen dan rechtvaardig is. Het is niet: een leven om een oog, noch een ledemaat om ene tand: maar neem verhoudingen in acht, en in Numeri 35:31 wordt te kennen gegeven, dat in zulk een geval het verbeurde door geld vergoed kon worden: want indien bepaald is, dat geen rantsoen genomen mag worden voor het leven van een moordenaar, dan ligt daar in opgesloten, dat geldelijke vergoeding in geval van verminking wèl toelaatbaar was. Maar sommigen van de Joodse leraren, die voorzeker niet de barmhartigste mensen ter wereld waren, drongen er op aan als op ene noodzakelijkheid, dat die wrake volvoerd zou worden, zelfs door particulieren, en dat er gene plaats overbleef voor kwijtschelding der straf, of het aannemen ener vergoeding. Zelfs thans, nu zij onder het bestuur stonden van de Romeinse magistraten, en de rechtswetten bijgevolg nietig waren geworden, of vervallen verklaard, bleven zij toch nog ijverig voor alles wat hard en streng was. Nu is dit in zover van kracht voor ons, als ene aanwijzing voor de overheid, om het zwaard der gerechtigheid te gebruiken overeenkomstig de goede en heilzame wetten des lands, tot verschrikking der boosdoeners, en om de verdrukten recht te doen. Het was een rechter, die God niet vreesde en geen mens ontzag, die der arme weduwe geen recht wilde doen van haar tegenpartij, Lukas 18:2, 3. En het is een regel voor wetgevers, om dienovereenkomstig de straf evenredig te maken aan de misdaad, ter beteugeling van roof en geweld, en ter bescherming der onschuld.
II. Wat de Nieuw- Testamentische regel is. Wat betreft den eiser, het is zijn plicht het onrecht, of nadeel, dat hem aangedaan, of berokkend is, te vergeven, en niet meer aan te dringen op het straffen er van dan nodig is voor het algemene welzijn, en die regel is in overeenstemming met de zachtmoedigheid van Christus, en de zachtheid van Zijn juk. Twee dingen worden ons hier door Christus geleerd:
1. Wij moeten niet wraakgierig zijn, vers 39, Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat, - den bozen mens, die u schadelijk is. Het weerstaan van elke bozen aanslag op ons is hier even algemeen en uitdrukkelijk verboden, als het weerstaan van de machten, Romeinen 13:2, en toch wordt hiermede de wet der zelfbewaring, en de zorge, die wij moeten hebben voor ons gezin, niet opgeheven. Wij mogen het kwade mijden, en het in zoverre weerstaan als nodig is voor onze eigene veiligheid, maar wij moeten geen kwaad met kwaad vergelden, geen wrok koesteren en ons niet wreken, en er ons niet op toeleggen om hen, die ons onvriendelijk behandeld hebben, met gelijke munt te betalen. Wij moeten boven hen staan door hun te vergeven, Prediker 20:22, 24:29, 25:21, 22, Romeinen 12:17. De wet der wedervergelding moet in overeenstemming gebracht worden met de wet der liefde, en zo iemand ons nadeel heeft berokkend, dan is de vergelding er van ook niet in onze handen, maar in Gods handen, aan wiens toorn wij plaats moeten geven, en soms is zij in de handen van Zijne plaatsvervangers, waar dat nodig is tot handhaving van den publieken vrede. Maar als wij onzen broeder leed doen, zal het ons niet rechtvaardigen te zeggen, dat hij begonnen is, want het is de tweede slag, die den twist formeert, en als wij benadeeld waren, dan hadden wij de gelegenheid, niet om ons benadelen van hem te rechtvaardigen, maar om ons als ware discipelen van Christus te betonen door hem te vergeven. Onze Heiland wijst in het bijzonder op drie zaken, om aan te tonen, dat Christenen geduldig toegeven moeten aan hen, die hard en ongevoelig jegens hen handelen, veeleer dan met hen te gaan twisten. En in deze drie zaken zijn ook anderen begrepen,
a. Een slag op de wang, een kaakslag, dat ene schade, een letsel is, toegebracht aan mijn lichaam. "Wie u op de rechterwang slaat, dat niet slechts pijn doet, maar ook een hoon, ene belediging is, 2 Corinthiërs 11:20. Indien iemand u in toorn of uit minachting aldus tnishandelt, keert hem ook de andere toe", dat is: "in plaats van deze belediging te wreken, bereidt u voor op nog ene belediging, en draagt haar met geduld, betaalt den ruwen mens niet met gelijke munt, daagt hem niet uit, en voert geen rechtsgeding tegen hem. Als het voor het algemene welzijn nodig is, dat hij verplicht wordt zich betamelijk te gedragen, zo laat dit over aan den magistraat, maar wat u aangaat, zal het meestal de verstandigste partij zijn, om de zaak voorbij te zien, en er gene verdere notitie van te nemen. Er zijn gene beenderen gebroken, de schade is niet heel groot, vergeef en vergeet het, en indien trotse dwazen daarom kwaad van u denken, u minachten en bespotten, zo zullen verstandige lieden er u om waarderen en eren als een volgeling van den gezegenden Zaligmaker, die, hoewel Hij de Rechter was van Israël, hen niet sloeg, die Hem op het kinnebakken sloegen, Micha 4:14. Hoewel dit ons nu zou kunnen blootstellen aan ene herhaling van die belediging, en dat is dan ook werkelijk het toekeren van de andere wang, zo laat ons dit niet ontroeren, maar laat ons op God vertrouwen en op Zijne voorzienigheid, om ons in den weg van onzen plicht te beschermen. Het vergeven van de ene belediging kan wellicht ene andere voorkomen, terwijl het wreken er van allicht ene nieuwe zou uitlokken. Sommigen zullen gewonnen worden door onderwerping, die door weerstand slechts te meer verbitterd zouden worden, Prediker 25:22. Ons loon is echter in Christus' handen, die ons den smaad, welken wij aldus geduldig verdragen, vergoeden zal met eeuwige eer en heerlijkheid, en al wordt ons die versmaadheid ook niet direct aangedaan, zo wij haar om des gewetenswil verdragen, in overeenstemming met Christus' voorbeeld, dan zal zij op de rekening gesteld worden van lijden om Christus' wil.
b. Het verlies van een rok, dat een onrecht is, mij aangedaan in mijne bezitting (vers 40), zo iemand met u rechten wil, en uwen rok nemen. Het is een hard geval. Het is iets gans gewoons, dat een rechtsgeding gebruikt wordt, om de grote schade, het grootste nadeel te berokkenen. Hoewel de rechters rechtvaardig en omzichtig zijn, is het voor slechte mensen, die voor gene eden of vervalsingen terugdeinzen, toch mogelijk, om door de wet iemand den rok van het lijf te kunnen nemen. Verwonder u er niet over, Prediker 5:7. Maar, in plaats van in zulk een geval u, bij wijze van wraakoefening, nu ook tot de wet te wenden en van uwe zijde een proces te beginnen, en op het uiterste punt van uw recht te staan, laat hem liever ook den mantel nemen. Is de zaak van weinig aanbelang, die wij zonder grote schade voor ons gezin kunnen verliezen, dan is het goed om maar om des vredes wil te berusten. "Het zal u niet zoveel kosten om een nieuwen mantel te kopen, als het u kosten zou, om door een proces den ouden terug te krijgen, en zo gij hem dus niet langs vreedzamen weg terug kunt krijgen, dan is het beter om hem door hem te laten nemen." Het gaan van ene mijl door dwang, dat een onrecht is, mij aangedaan in mijne vrijheid, vers 41. "Zo wie u zal dwingen ene mijl te gaan om ene boodschap voor hem te doen, of hem te begeleiden, of te bezoeken, laat het u niet verdrieten, ga liever twee mijlen met hem, dan met hem in onmin te komen." Zeg niet: "Ik zou het doen, als ik er niet toe gedwongen was, want ik haat dwang", zeg liever: "Daarom zal ik het doen, want anders zou er twist of onenigheid komen, " het is beter hem te dienen, dan uwe eigene lusten tot hoogmoed en wraak te dienen. Sommigen geven er dezen zin aan: De Joden leerden, dat de discipelen der wijzen, en de onderzoekers der wet, niet gelijk anderen door de beambten des konings geprest mochten worden om in dienst van den staat te reizen, maar Christus wil niet, dat Zijne discipelen van dit voorrecht gebruik zouden maken, maar liever zich naar de regering moesten voegen, dan haar aanstoot te geven. Waar het alles op neerkomt is, dat Christenen niet pleitziek moeten zijn. Geringe schade of nadeel moet geleden worden, zonder er veel acht op te slaan, en is de schade of het nadeel zo groot, dat het ons de verplichting oplegt herstel van onrecht te zoeken, dan moet dit voor een goed doeleinde wezen, en zonder gedachte aan wraak. Hoewel wij gene belediging of onrecht moeten uitlokken, moeten wij ze, in den weg des plichts, blijmoedig weten te dragen. Zegt iemand nu: Vlees en bloed kunnen zulk ene belediging niet dragen, zo laat hij zich herinneren, dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet zullen beërven.
2. Wij moeten liefderijk en weldadig zijn, vers 42, moeten onze naasten niet slechts niet benadelen, maar er naar streven hun al het goed te doen, dat wij kunnen.
a. Wij moeten bereid zijn te geven: " Geeft degene, die iets van u bidt. Hebt gij vermogen, beschouw het verzoek van uwen broeder als ene gelegenheid, die u geschonken is, om aalmoezen te geven." Als een voorwerp voor barmhartigheid zich voordoet, dan behoren wij te geven op het eerste woord: Geef een deel aan zeven, ja ook aan acht, toch moeten de zaken onzer liefdadigheid met recht beschikt worden, Psalm 112:5, opdat wij niet geven aan de luien en onwaardigen wat gegeven moet worden aan de nooddruftigen en verdienstelijken. Wat God tot ons zegt, moeten wij bereid zijn tot onze arme broederen te zeggen: Bidt en u zal gegeven worden.
b. Wij moeten bereid zijn te lenen. Dit is soms ene even grote liefdadigheid als geven, daar het niet slechts den tegenwoordigen nood lenigt, maar hem, die ontleent, verplicht tot zorgzaamheid, naarstigheid en eerlijkheid, en daarom: Keert u niet af van degene, die van u lenen wil iets om van te leven, of iets om handel mede te doen. Gaat hen, van wie gij weet, dat zij u zulk een verzoek doen zullen, niet uit den weg, en verzint ook gene verontschuldigingen, waarmee gij hun verzoek kunt weigeren. Weest toegankelijk voor degene, die van u lenen wil, hij zou beschroomd kunnen zijn, en den moed niet hebben om zijne omstandigheden bekend te maken en om de gunst te vragen, gij kent zowel zijn nood als zijn verlangen, zo biedt hem dan den vriendendienst aan. Exorabor antequam rogor, honestis precibus occurram -Ik zal reeds overgehaald zijn, voor ik gebeden word, het eerbare verzoek zal ik voorkomen. Seneca, De Vita Beatâ. Het betaamt ons aldus voortvarend te zijn in daden van vriendelijkheid, want God hoort ons, eer wij roepen, en komt ons voor met zegeningen van het goede.