1 Samuël 7:13-17
Wij hebben hier een kort bericht van de verdere goede diensten, die Samuël aan Israël heeft bewezen. Hen van hun afgoden gescheiden en tot God teruggebracht hebbende. heeft hij hen instaat gesteld verder weldaden door zijn bediening te ontvangen. Hierin overmocht hebbende, wordt hij ook in andere opzichten een grote zegen voor hen.
Daar hij dit echter zelf schreef, is hij kort in zijn verhaal er van. Het wordt ons hier niet gezegd, maar uit 2 Kronieken 35:18 blijkt dat in de dagen van Samuël de profeet het volk van Israël de inzetting van het pascha met meer dan gewone ijver en Godsvrucht gevierd heeft, in weerwil van de afwezigheid van de ark en de verwoestingen van Silo. Ongetwijfeld heeft hij veel goede diensten voor Israël gedaan, maar hier wordt ons alleen meegedeeld hoe hij het middel was:
1. Om de vrede te verzekeren, vers 13. In zijn dagen kwamen de Filistijnen niet meer in de landpalen Israëls, deden geen invallen of strooptochten meer bij hen, daar zij bemerkten dat God nu voor Israël streed, en dat Zijn hand tegen de Filistijnen was. Dit hield hen in ontzag, dit heeft het overblijfsel van hun toorn opgebonden. Samuël was Israëls beschermer en verlosser, niet door het zwaard zoals Gideon, niet door sterkte van arm zoals Simson, maar door de macht des gebede tot God, en door een werk van reformatie in Israël tot stand te brengen. Godsdienst en vroomheid zijn de beste veiligheid voor een volk.
2. Om de openbare rechten te herwinnen, vers 14. Door zijn invloed had Israël de moed om de steden terug te eisen, die de Filistijnen hun wederrechtelijk ontnomen hadden en lang van hen hadden teruggehouden, en de Filistijnen, die geen strijd durfden beginnen met een man, die zo groot een invloed had in de hemel hebben gedwee aan de eis voldaan, en-naar sommigen denken-zelfs Ekron en Gath teruggegeven, twee van hun voornaamste steden, hoewel zij die later hernomen hebben. Anderen denken dat het enige kleine steden waren, tussen Ekron en Gath gelegen, die aan van de Filistijnen handen ontrukt werden. Dit verkregen zij door reformatie en Godsdienst, zij wonnen veld op hun vijanden en gingen vooruit in hun zaken. Er wordt nog bijgevoegd: Er was vrede tussen Israël en de Amorieten, dat is de Kanaänieten, het overblijfsel van de inboorlingen.
Niet dat Israël enig verbond met hen sloot, maar zij hielden zich rustig, en waren niet zo kwaadwillig en schadelijk voor Israël als zij geweest waren. Aldus zal "als iemands wegen de HEERE behagen, Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen", zodat zij hem niet verontrusten, Spreuken 16:7.
3. In zijn bedeling van het openbare recht, vers 15, 16. Hij richtte Israël als profeet, hij leerde hen hun plicht, en bestrafte hen om hun zonden, want dat wordt richten of "recht geven" genoemd, Ezechiël 20:4, 22:2. Mozes richtte Israël, toen hij hun "Gods instellingen en Zijn wetten bekendmaakte", Exodus 18:16, en zo richtte Samuël hen ten einde toe, zelfs nadat Saul tot koning was gemaakt, gelijk hij hun beloofde toen Saul als koning werd gehuldigd, Hoofdstuk 12:23. "Ik zal u den goeden en rechten weg leren".
Als magistraat werd op hem beroep gedaan van de lagere gerechtshoven, en deed hij er uitspraak in. Hij onderzocht rechtszaken en besliste ze, verhoorde gevangenen en ontsloeg of veroordeelde hen overeenkomstig de wet. Dit deed hij al de dagen van zijn leven totdat hij oud en buiten dienst was en afstand had gedaan van de regering ten behoeve van Saul, later oefende hij nog gezag uit, als men zich tot hem wendde, ja hij richtte zelfs Agag en Saul zelf.
Maar toen hij in de bloei van zijn jaren was, reed hij het land door als rondgaand rechter, hetzij ten gerieve van het land of tenminste van dat deel ervan dat het meest onder zijn invloed was. Hij hield gerechtshoven te Bethel, Gilgal en Mizpa, allen in de stam van Benjamin, maar zijn woonplaats was Rama, de stad van zijn vader, en daar richtte hij Israël, waar zij van alle kanten met hun klachten tot hem kwamen, vers 17.
4. In het instandhouden van de openbare Godsdienstoefeningen, want daar, waar hij woonde, bouwde hij een altaar voor de Heere, niet uit minachting voor het altaar te Nob, of te Gibeon, of waar elders de tabernakel was, maar wijl de Goddelijke gerechtigheid Silo had verwoest, en er nog geen andere plaats was verkoren, waarheen de offers gebracht moesten worden, Deuteronomium 12:11, beschouwde hij de wet, die hen tot een plaats beperkte, als voor het tegenwoordige opgeheven of opgeschort, en een profeet zijnde en zich onder Goddelijke leiding bevindende, deed hij wat de aartsvaders gedaan hebben, en bouwde een altaar waar hij woonde, beide tot gebruik van zijn eigen gezin en ten goede van het volk, dat er zich heen begaf. Aanzienlijke personen moeten hun rijkdom, hun macht en invloed gebruiken tot instandhouding van de Godsdienst in de plaats waar zij wonen.