Exodus 20:12-17
Wij hebben hier de wetten van de tweede tafel, zoals zij gewoonlijk genoemd worden, de laatste zes van de tien geboden welke onze plicht bevatten jegens onszelf en jegens elkaar en een verklaring zijn van het tweede grote gebod: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Gelijk Godsvrucht een wezenlijk bestanddeel is van algemene gerechtigheid, zo is rechtvaardigheid tegenover mensen een onmisbaar bestanddeel van de ware Godsdienst. Godsvrucht en eerlijkheid moeten samengaan.
I. Het vijfde gebod betreft onze plichten tegenover onze bloedverwanten, de plicht van kinderen jegens hun ouders, is de enige die bijzonder genoemd wordt: Eert uw vader en uw moeder, waarin opgesloten ligt:
1. Een betamelijke achting voor hun persoon, een innerlijke waardering van hen, welke zich bij alle gelegenheden naar buiten openbaart in ons gedrag jegens hen: "een ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen" Leviticus 19:3, wij moeten hen ontzien, Hebreeën 12:9. Het tegenovergestelde hiervan is hen te bespotten en te verachten, Spreuken 30:17.
2. Gehoorzaamheid aan hun wettige bevelen, aldus wordt het verklaard in Efeziers 6:1-3, Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam, komt als zij u roepen, gaat als zij u zenden, doet wat zij u gebieden, laat af van hetgeen zij u verbieden, en doet dit, als kinderen, blijmoedig en uit een beginsel van liefde. Al hebt gij ook gezegd: "Wij willen niet", zo hebt daarna berouw daarvan en gehoorzaamt, Mattheus 21:29.
3. Onderworpenheid aan hun bestraffingen en onderrichtingen, niet slechts aan de goeden en zachtmoedigen, maar ook aan de harden, uit gewetensdrang tegenover God.
4. Over zich te beschikken naar de raad en de leiding en met de toestemming van de ouders, hun goed niet vervreemdende dan met hun goedkeuring.
5. In alles er naar strevende om de troost te wezen hunner ouders, en hun de ouderdom licht te maken, hen onderhoudende als zij dit nodig hebben, hetgeen onze Heiland zegt inzonderheid de bedoeling te zijn van dit gebod, Mattheus 15:4-6
De reden, aan dit gebod toegevoegd, is een belofte: opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft. Daar Hij in de inleiding tot de geboden Zijn uitvoeren van hen uit Egypte vermeld heeft als een reden voor hun gehoorzaamheid, maakt Hij hier, aan het begin van de tweede tafel, melding van Zijn inbrengen van hen in Kanaän als nog een reden hiervoor, dat goede land moeten zij, nu zij zich in de woestijn bevinden, in hun gedachten voor hun ogen hebben. Als zij in dat land gekomen zullen zijn, moeten zij ook gedenken dat zij wèl acht hadden te geven op zichzelf, en dat, zo zij zich niet goed gedroegen, hun dagen verkort zullen worden in dat land, de dagen van bijzondere personen, die er van afgesneden zullen worden, zowel als de dagen hunner natie, die er uit verdreven zal worden. Maar hier wordt een lang leven in dat goede land in het bijzonder beloofd aan gehoorzame kinderen. Zij, die hun plicht betrachten jegens hun ouders, zullen zeer waarschijnlijk het genot hebben van hetgeen hun ouders voor hen vergaderen en hun nalaten, zij, die hun ouders ondersteunen, zullen bevinden dat God, de Vader van allen hen zal ondersteunen. Deze belofte is verklaard in Efeziers 6:3. "Opdat het u welga," en "dat gij lang leeft op de aarde." Zij, die in nauwgezetheid voor God dit en de overige van Gods geboden houden, kunnen er zeker van wezen dat het hun zal welgaan, en dat zij zolang op de aarde zullen leven, als de oneindige Wijsheid het goed voor hen acht, en zo hun dagen op aarde verkort mochten wezen, zal hun dit overvloedig vergoed worden in eeuwig leven, het hemelse Kanaän dat God hun geven zal.
II. Het zesde gebod betreft ons leven en het leven van onze naasten, vers 13. "Gij zult niet doodslaan, gij zult niets onrechtvaardig doen dat schadelijk of nadelig is voor de gezondheid, het welzijn en het leven van uzelf, of van anderen". Dit is een van de wetten van de natuur, en er werd zeer krachtig op aangedrongen in de wetten, die aan Noach en zijn zonen werden gegeven, Genesis 9:5, 6. Het verbiedt geen doden in wettige krijg, of in noodwendige zelfverdediging, of het ter dood brengen van misdadigers op bevel van de overheid want dit alles strekt tot bewaring van het leven, maar het verbiedt alle boosaardigheid en haat jegens iemands persoon (want die zijn broeder haat is een doodslager) en alle persoonlijke wraakoefening, die hieruit voortkomt, evenals alle roekeloze toorn door plotselinge terging of belediging, of kwetsing in woord of daad, of bedoeling, in hartstocht of drift. Onze Heiland geeft de verklaring hiervan in Mattheus 5:22. En het verbiedt, als hetgeen het ergste is van alles, vervolging, het bloed te vergieten van de onschuldigen en de heiligen, die op de aarde zijn.
III. Het zevende gebod betreft onze eigen en onzes naasten kuisheid, vers 14. Gij zult niet echtbreken, vers 14. Onze Heiland plaatst het voor het zesde gebod, Markus 10:19. Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, want onze kuisheid moet ons zo lief zijn als het leven en wij moeten even bevreesd zijn voor wat het lichaam verontreinigt, als voor hetgeen het lichaam doodt. Dit gebod verbiedt alle daden van onreinheid, met al de vleselijke lusten die deze daden teweegbrengen en krijg voeren tegen de ziel, en al die praktijken of gewoonten, welke deze vleselijke lusten opwekken en koesteren, zoals aanzien, om te begeren, dat, zegt ons Christus, door dit gebod verboden wordt, Mattheus 5:28.
IV. Het achtste gebod betreft onze eigen of onzes naasten bezittingen, vers 15. Gij zult niet stelen. Hoewel God hun onlangs geboden en toegelaten had de Egyptenaars te beroven, bij wijze van rechtvaardige weerwraak heeft Hij toch niet bedoeld of gewild, dat zij dit als een precedent zouden stellen, en dat het hun aldus vergund zou wezen elkaar te beroven. Dit gebod verbiedt ons ons te beroven van hetgeen wij hebben, door een zondig uitgeven of doorbrengen, of van het gebruik en genot er van door een zondig sparen, en anderen te beroven, door de oude landpalen te verzetten, onzes naasten rechten te verkorten, hem het goed te ontnemen van zijn persoon, zijn huis of zijn akker, met geweld of tersluiks, bij koop of verkoop hem te verschalken, niet terug te geven wat geleend of gevonden is, rechtmatige schulden achter te houden, evenals ook huurpenningen en loon. En het verbiedt ons wat het ergste van alles is: het publiek te beroven in de munt en `s lands inkomsten, of in hetgeen aan de instandhouding van de Godsdienst gewijd is.
V. Het negende gebod betreft onze eigen en onzes naasten goeden naam, vers 16. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Dit verbiedt:
1. Vals te spreken omtrent enigerlei zaak, liegen, dubbelzinnig spreken, of op enigerlei wijze iets te verzinnen dat ten doel heeft anderen te bedriegen.
2. Onrechtvaardig tegen onze naaste te spreken, ten nadele van zijn eer en goeden naam, en: 3. Hetgeen de schuld van beide deze overtredingen in zich sluit. Valse getuigenis tegen hem af te leggen, hem dingen ten laste leggende, waarvan hij niets weet, hetzij onder ede voor het gerecht, waardoor het derde gebod, en het zesde, of achtste overtreden wordt, zowel als dit negende, of buiten het gerecht, in gewone gesprekken, lasteren, kwaadspreken, praatjes rondstrooien, verzwaren hetgeen verkeerd gedaan is, het verkeerde erger voorstellen dan het eigenlijk is, en op enigerlei wijze onze reputatie op te bouwen op de ruïne van die onzes naasten.
Vl. Het tiende gebod raakt de wortel, vers 17. Gij zult niet begeren. De vorige geboden verbieden stilzwijgend alle begeerte om te doen hetgeen voor onze naaste schadelijk is, dit verbiedt alle onmatig begeren naar hetgeen ons gerieflijk of aangenaam is. "Ach had ik maar het huis van deze of die! Had ik maar de vrouw van die man! Had ik maar de bezitting, het land, het buitengoed van die man!" Dit is zeer zeker de taal van de ontevredenheid met hetgeen wij zelf hebben, en van afgunst op hetgeen een ander heeft, en dat zijn de zonden, die hier voornamelijk verboden worden. Toen door Gods genade aan Paulus de schellen van de ogen zijn afgevallen, heeft hij gezien, dat deze wet: Gij zult niet begeren al die ongeregelde lusten en begeerten verbiedt, die de eerstgeborenen zijn van onze verdorven natuur, het eerste opkomen van de zonde, die in ons woont, en het begin van alle zonde, die door ons bedreven wordt, dat is de begeerlijkheid, die hij zegt niet geweten te hebben zonde te zijn, indien dit gebod, toen het in de kracht er van tot zijn consciëntie kwam, het hem niet had getoond, Romeinen 7:7. God geve ons allen ons aangezicht te zien in de spiegel van deze wet, en ons hart onder haar bestuur te stellen!