13. En het geschiedde nog op de avond van dezelfde dag, waarop Israël zo tegen de Heere gemopperd en de Heere Zijn hulp beloofd had, a) dat er door een zuidoosten wind over de Elanitische golf (
Numeri 11:31 Psalm 78:26, ), dus uit dezelfde richting, naar welke de wolk (
Vers 10) ) gestaan had, kwakkels 1) opkwamen, en door Gods leiding juist over de plaats, waar de kinderen van Israël gelegerd waren, zich nederlieten, en zij het leger bedekten; en op de morgen lag de dauw, 2) een dikke nevel, rondom 3) het leger.
a) Numeri 11:31 Psalm 105:40
1) Behalve de gewone kwartel komt in die streken nog een bijzondere grote soort van hetzelfde geslacht voor, welke de Arabieren Kata noemen, en die in het systeem van Linneus onder de naam van Tetrao Alchato overgegaan is. Deze leeft in Arabië, Palestina, Syrië, Egypte enz. in grote menigte, is van de grote van een tortelduif, heeft een korte, kromme, gele bek, asgrauwe hals en kop, roodachtige buik en rug, wigvormige staart en poten, die van voren gevederd zijn; deze moet diensvolgens eigenlijk onder de patrijzen gerekend worden. Het vlees is wel hard en droog, maar wordt toch door de inwoners graag gegeten. Het is een trekvogel, die in de lente uit de zuidelijke landen naar het noorden trekt, en dan in zo dichte menigten vliegt, dat de Arabische jongens dikwijls twee of drie in een keer doden, alleen door een stok ertussen te werpen. Op onze plaats bestaat het wonder van de goddelijke genade in het aanvoeren van de kwakkels op deze tijd en naar deze plaats, zo mede in de buitengewone menigte, dat deze aan de behoefte van een zo talrijk volk evenredig was..
In het Hebreeuws Selav, door sommigen vertaald door fazanten en door anderen door zeevogels, door onze Statenvertalers, en terecht, door kwakkels. In het Arabisch betekent het woord, dat met het Hebreeuws overeenkomt, alleen "kwakkels." Met het zenden van deze vogels wilde God aan Israël leren, dat Hij, die hun Manna tot dagelijks voedsel gaf, ook in staat was, om hun vlees te eten te geven..
2) Eigenlijk "een uitstorting van dauw.".
In het Hebreeuws staat "een laag" of "bed van dauw;" Daarmee was het Manna bedekt; vandaar de zinspeling op `t verborgenmanna. Openbaring :17
3) Niet in de legerplaats, maar rondom, op het aangezicht van de woestijn (Vers 14). Het leger was zo rein niet als de grond rondom, en daarom zo geschikt niet, om het manna te ontvangen. 14. a) Toen nu de liggende dauw opgevaren was, de nevel weggetrokken was; zo ziet, over de woestijn was een klein, rond ding, 1) een vaste stof, van gedaante en grootte klein als de rijp, die uit de nevel op de aardeachterblijft.
a) Numeri 11:7 Nehemiah. 9:15 Psalm 78:24; 105:40
1) Het tegenwoordige manna, dat op in het oogvallende wijze in vele opzichten met het Bijbelse overeenkomt, is het zoete sap van de Tarfaboom, een soort van Tamarisk, die gedurende de nacht in de hete zomertijd uit de bast van stam en takken (volgens Ehrenberg, ten gevolge van de steek van een insekt) tevoorschijn komt, tot kleine, ronde, witte korrels zich vormt, in deze vorm op de grond valt en vóór zonsopgang verzameld wordt, daar het in de hitte van de zon versmelt. De Tamarisk (Genesis 21:33) is een boom, die veelvuldig in Egypte, Arabië, Syrië en Palestina groeit, die een recht opschietende stam van middelbare hoogte, lange, smalle, dicht bij elkaar staande en altijd groene bladeren heeft, groene, harde bessen van de grootte van een noot, en een soort van galnoten draagt en een hoge ouderdom bereikt. Slechts weinig verschilt van deze de Tarfaboom; deze groeit hoger (soms 20 voet hoog), heeft meerdere en grotere takken, dichter loof, doch geeft, hoewel hij ook in Nubië, Egypte, Arabië en aan de Eufraat gevonden wordt, nergens Manna, dan in de nabijheid van de Sinaï, en wel het rijkste in die jaren, waarin het veel regent, terwijl het in andere geheel gemist wordt..
Ware dit manna het voedsel van Israël in de woestijn geweest, zo waren zij zeer te betreuren geweest; het bevat toch niet van die stoffen, die voor het dierlijk lichaam tot zijn dagelijks onderhoud onontbeerlijk nodig zijn, en waarin wormen van verrotting konden komen (Vers 20). Het brood van de engelen (Psalm 78:25), het manna van de hemel moet iets anders geweest zijn, dan het manna, dat door luizen en kevers uit de bomen te voorschijn gebracht..
Dat het dan ook werkelijk iets anders geweest is, daarop wijzen verschillende omstandigheden. "Het natuurlijke manna bevat geen meelstof, maar alleen slijmsuiker, waardoor ook de korrels de vastheid van was verkrijgen, terwijl de korrels van het de Israëlieten gegeven manna zo hard waren, dat zij in molens gemalen of in vijzels gestampt moesten worden, en zo veel meelstof bezaten, dat daarvan koeken gebakken werden, die de plaats van het gewone brood innamen.".
Wat het geweest is, zeggen onze Heer en de apostelen Paulus met duidelijke, ondubbelzinnige woorden (Johannes 6:31; 1Kor.10:3), het was een wonderbare spijs, een brood, dat van de hemel gegeven was, krachtens Zijn goddelijke almacht, door welke de Heere even zo goed een meel- of broodachtige stof onmiddellijk uit Zijn hand, zonder bemiddeling van akker of akkerbouw kan geven, als Christus daarna op de bruiloft te Kana zonder bemiddeling van wijnstok en wijngaardenier uit zuiver water wijn schept. "Overigens is de dauw de gave van de hemel, welke de aarde vruchtbaar maakt, om het brood voort te brengen (Genesis 27:28). Maar in de woestijn kan de dauw niets teweeg brengen, want hier wordt niets gezaaid (Numeri 20:5); wanneer nu de dauw toch brood brengt, zo is het hemels brood.". Opdat het ontwijfelbaar vaststond, dat deze spijs op verwonderlijke en op bovennatuurlijke wijze is geschapen, moet men het volgende nader overwegen. Vooreerst, dat het niet vroeger in de woestijn tevoorschijn kwam, dan op het uur, dat door Mozes op Gods bevel was aangekondigd. Vervolgens, dat geen verandering van dampkring in de weg stond, dat het Manna met gelijkmatige gang neerviel, noch vorst, noch regen, noch zomer, noch winter, geen hitte de loop van dit neerdruppelen afbrak. Ten derde, het benodigde, dat voor een zeer grote menigte voldoende was, werd elke dag gevonden, terwijl één gomer door ieder hoofd voor hoofd ontvangen werd. Hierbij komt nog, dat op de zesde dag het benodigde verdubbeld was, opdat zij een tweede gomer voor spijs op de Sabbat zouden verkrijgen. Ten vijfde, indien zij iets bewaarden, boven de vastgestelde maat, werd het door bederf onbruikbaar, terwijl de tweede portie, voor de Sabbat bestemd, goed bleef. Ten zesde, waarheen zij ook vertrokken, altijd verzelde hen deze weldaad van God en slechts in hun legerplaats was het Manna bekend. Ten zevende, zodra zij een vruchtbaar en aan koren rijk land binnentraden, bleef het Manna weg. Ten achtste, omdat, hetgeen Aäron bevolen werd in een kruik te bewaren, niet verrotte..
Wanneer wij zo beslist moeten vasthouden, dat het manna van Israël met het Tamariskenhars niets te maken heeft, zo blijft toch deze natuurverschijning van het Sinaïtische schiereiland een voor de vriend van de Heilige Schrift zeer merkwaardige verschijning, "Wanneer de krachtige hand van de Werkmeester eerst een kanaal door de rotsen gewrocht heeft, dan neemt het water in alle volgende eeuwen zijn loop daardoor heen. Als de stamvorm van de geslachten en van de verschillende soorten van zichtbare dingen eerst eens door het woord van de goddelijke almacht geschapen was, toen plantte het zich op de gewone weg van voortbrening voort; zo is ook het werk van de mannabereiding, hetwelk op zijn tijd de levensadem van de lucht en met deze alle levenskrachten van het land doordrong, tenminste nog in het levende bos van de Mannatamarisken voortdurend bewaard." (v. Schubert). Dit voorhanden zijn van een aan het oorspronkelijk manna gelijk natuurvoortbrengsel, en wel juist in diezelfde streken, waar het eerste gegeven werd, en overigens nergens, laat dan "voor het geloof evenals voor het ongeloof ruimte (hoofdstuk 7:13), om of het wonder te erkennen en zijn Bewerker te prijzen, of het geheel te loochenen en alles geheel natuurlijk te verklaren."