5. Toen zij, de grenzen van Benjamin in het zuidwesten overgegaan zijnde, en zuidoostelijk zich tot beneden tot Bethlehem gewend hebbende, in het land van Zuf (= honing) kwamen, zei Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons terugkeren, dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate1) en voor ons bekommerd zij, dat ons enig ongeval overkomen mocht, omdat wij reeds zolang afwezig zijn.
1) Bij Ruth 1:22 hebben wij de landstreek ten zuiden van Jeruzalem tot Bethlehem beschreven; van Bethlehem vermelden wij hier nog, dat de bewoners van de eigenlijke stad, ongeveer 4000 zielen tellende, op enige honderden Moslims na, thans allen Christenen zijn, waaronder een Evangelische gemeente bestaat. Zij onderscheiden zich door een mooie vorm van het gezicht, evenals door zeldzame bedrijvigheid en daardoor ontstane welvaart. Behalve de vee- en bijenteelt, land- olie- en wijnbouw, drijven zij ook bijzonder handel in rozenkransen en schelpen, waarvan zij jaarlijks een grote menigte, de laatste met verschillende voorstellingen uit de Bijbelse geschiedenis versierd, aan de pelgrims verkopen. De vruchtbare grond en het klimaat, dat veel zachter is dan in Jeruzalem, zodat er nog ten tijde van het Kerstfeest voer genoeg voor de kudden op het veld en dikwijls het mooiste weer is (Lukas 2:8), zijn zeer gunstig voor hun economische werkzaamheden. Bovendien is de omtrek van de stad, in vergelijking met andere streken van Palestina, goed van water voorzien; dit water wordt door iedereen van oudsher bijzonder geprezen. Ongeveer een kwartier van de noordzijde van de stad, naar het oosten, ligt ene bron, die de overlevering aanwijst als die, waaruit de drie helden (2 Samuël 23:13vv.) voor David water haalden, de put van David genaamd; deze is zeer goed gebouwd, 17-21 voet diep en bevat een overvloed aan helder en koel water, waartoe drie openingen van boven leiden. Verlaten wij nu Bethlehem en wenden wij ons verder naar het zuiden, dan bereiken wij na een uur het tegenwoordige Urtas, waarin wij het in 2 Kronieken 11:6, en in de toevoeging van de Septuaginta aan Jozua 15:59 vermelde Etham erkennen. Dit Etham is niet te verwisselen met de tweede legerplaats van de kinderen van Israël bij hun uittocht uit Egypte (Exodus 13:20) en de spelonk bij Stam (Richteren 15:8; 1 Kronieken 4:32). Het ligt in een diepe Wady, die zich met de Wady Khureitum verenigt en na een loop van vier uur in zuidoostelijke richting naar de Dode Zee stroomt. In het liefelijke dal van deze Wady liggen de beroemde tuinen van Salomo, waarvan in Prediker 2:4-6 Hooglied 4:12,16 melding gemaakt wordt, en die nog hun oude vruchtbaarheid behouden hebben, zodat Europese kolonisten, die zich daar vestigen, in één jaar zevenmaal aardappelen verbouwen. Daarheen ging Salomo dikwijls, zittende op een hoge wagen en van metgezellen omgeven, van Jeruzalem; hij beschrijft ons het aangename van de beginnende lente, die hij daar zag in de woorden van het Hooglied 2:11vv.. Zuidoostelijk daarvan vinden wij het dorp Rhureitum, waarbij een ongeveer 1000 voet lang hol met vele vertakkingen ligt, dat men ten onrechte voor de spelonk Adullam (1 Samuël 22:1) gehouden heeft. Noordoostelijk van de laatstgenoemde plaats bevindt zich de Frankenberg (Dschebel Fureidis = klein paradijs), zo genoemd, omdat de Franken nog 40 jaar na het verlies van Jeruzalem in het jaar 1244 na Christus) deze in het bezit hielden. Deze is zonder twijfel dezelfde als de wachttoren Beth-Cherem in Jeremia 6:1, en het kasteel, dat Herodes de Grote op de plaats van zijn overwinning over de Joden bouwde (Herodium), en waarin hij later begraven werd. Zuidwestelijk van Etham vinden wij eveneens een oud vervallen kasteel, dat de Arabieren El-Buraij noemen. Dicht daarbij liggen de vijvers van Salomo. Dit zijn drie reusachtige, kunstige waterbakken, die in het nu geheel eenzame dal van het oosten naar het westen zo over elkaar liggen, dat de grond van de ene hoger is, dan die van de andere; aan de westzijde gaat de straat van Hebron naar Jeruzalem voorbij. Het water ontvangen zij uit een bron, waartoe men aan de noordwestzijde van het kasteel el Burak 12 voeten diep neerdaalt. Door een waterleiding, die vooral langs de oppervlakte van de grond voortgaat en op sommige plaatsen onder de aarde ligt, en gedeeltelijk uit een stenen kanaal, gedeeltelijk uit aarden pijpen bestaat, wordt het water naar Jeruzalem afgeleid. Volgens Josefus heeft Pontius Pilatus deze waterleiding aangelegd, terwijl hij de middelen daartoe uit de tempelschat nam, hetgeen de Joden in zeer hoge mate verbitterde; en mede tot zijn aanklacht bij de keizer aanleiding gaf, ten gevolge waarvan hij afgezet werd en zichzelf ombracht.
Wij komen nog eens terug op die verzonken bron, waarvan de vijver zijn water heeft. Zij is 270 schreden van de hoogste vijver verwijderd; nadat men door de met zware dekstenen gesloten monding van een gewelf binnengetreden, en over puinhopen tot de grond gekomen is, komt men tot een donker vierhoekig welfsel van 25 voet lengte en 10 voet breedte met een rotsbank aan de zijde; een van boven ronde deur voert westwaarts in een rotskamer, die ongeveer 8 schreden in de lengte en in de breedte heeft, en vandaar een andere rotsdeur in een kleine duistere kamer, aan de westelijke wand waarvan het water uit de rotsspleten zachtjes vloeit, en nadat het tot een twee el brede stroom geworden is, ruisend naar het oosten voortloopt om verder een bassin te vullen, en van daar zich in twee armen te verdelen, de ene arm loopt in de vijver uit, de andere gaat naar de waterleiding. Deze stroom is Ras el Ain of Ain Saleh, de besloten wel, de verzegelde fontein, waarvan in Hooglied 4:12 sprake is. Gaan wij westelijk van de vijvers van Salomo op de straat, die van Hebron naar Jeruzalem voert, noordwaarts terug, zo hebben wij pas in het zuidwesten van Bethlehem, die landstreek voor ons, die zonder twijfel onder het in ons gedeelte genoemde land Zuf bedoeld is. Daarheen had zich waarschijnlijk een gedeelte van het oorspronkelijk tot de stam van Efraïm behorende Levietengeslacht Zuf bij zijn verhuizen gewend, en aan die landstreek de naam gegeven, evenals het andere gedeelte, waarvan Elkana afstamde, zich te Rama vestigde en aan die plaats de naam van Ramathaïm Zofim gaf (1:1). De stad, waarbij Saul zich met zijn knecht bevond, toen deze hem het antwoord gaf, dat wij in het volgende vers lezen, kan niet nader worden aangewezen; die plaats was echter ook Samuëls eigenlijke woonplaats niet, zoals de meeste uitleggers aannemen, die daarom Rama ergens anders zoeken dan in het tegenwoordige er Râm, en ook het graf van Rachel (10:2 op een geheel andere plaats stellen, dan de overlevering. Deze plaats was, evenals Mizpa, Gilgal, Bethlehem (7:5vv.; 10:8; 16:2vv.) en andere, een plaats, die door de profeet van tijd tot tijd bezocht werd, waar hij offerfeesten hield, en hem een woning van God ten dienste stond, zoals wij in de geschiedenis van Eliza vinden (2 Koningen 4:8vv.). Uit het land Zuf komen wij verder tot het reeds bij Ruth 1:22 vermelde Beit Dschala, wenden ons noordwestelijk heen en vinden aan de overzijde van de Wady Bittir de Filippus-bron, wier water volgens latere mening die zou zijn, waarin Filippus de kamerling uit het Morenland doopte (Handelingen 8:26vv.); de oudere overlevering echter plaatst deze gebeurtenis naar het 1 3/4 uur noordelijk van Hebron gelegen Beth-Zur (Jozua 15:58), waarbij zich een bron Ain et Dirweh bevindt. Dit stemt beter met het Bijbelse bericht overeen, omdat aan Filippus uitdrukkelijk de weg naar het zuiden wordt aangewezen om zich daarop te begeven, en Hiëronymus in de levensgeschiedenis van Paula beweert, dat van oudsher een weg van Jeruzalem naar Gaza werkelijk over Hebron ging; zij voerde aan de andere zijde van Bethlehem door de woestijn van Thekoa; vandaar de bijvoeging: "die woest is". Noordoostelijk van de Filippusbron ligt Ain Karim, het St.Johannes-klooster, aan de zuidelijke zijde van de groot wady Beit Chadina of het Terebinthendal. De laatstgenoemde plaats wordt door de overlevering van de kloosters ten onrechte voor de schouwplaats van de strijd tussen David en Goliath gehouden; deze ligt veel meer in de nabijheid van Socho in de wady Musur, dus links van de straat naar Gaza (17:1vv.) eveneens wordt Ain Karim, een van de mooiste en grootste kloosters in Jeruzalem, ten onrechte voor de plaats uitgegeven, waar Johannes geboren werd en zich ophield (Lu 1:7). Van hier wenden wij ons noordoostelijk naar el Kubeibeh, dat door velen voor het nieuwtestamentische Emmaüs gehouden wordt; anderen verstaan daaronder het tegenwoordige Amwas, het vroegere Nicopolis, dat eveneens dwaling is; anderen Kiriat el Enab (1 Samuël 7:1); anderen Kulonieh (Lu 24:13). Noordoostelijk daarvan hebben wij Gibeon (Jozua 9:3vv.); vier uur van Gibeon, naar het noordwesten ligt Boven- en Beneden Beth-horon (Jozua 10:9vv.), een half uur zuidelijk van de eerste plaats Mizpa. Een hoge bergrug, met name Neby Samwil, die zich met een punt tot een hoogte van 600 voet, het hoogste punt in die landstreek, boven de vlakte verheft, loopt van het zuidwesten naar het noordoosten. Op de noordoostelijke top hiervan ziet men een klein, armoedig dorpje en in het midden daarvan een vervallen Moskee, die door Joden, Christenen en Moslims voor het graf van Samuël gehouden wordt, hetgeen echter met 1 Samuël 25:1; 28:3 niet overeenstemt. Het uitzicht van het dak van de Moskee is naar alle zijden heen zeer uitgestrekt, en wordt door zijn majestueuze hoogte werkelijk tot een Mizpa, dat is: tot een wachttoren. Hiervandaan is de weg naar Gibea zuidoostelijk ruim 1 1/2 uur. Noordelijk daarvan ligt Rama, Samuëls geboorte- en woonplaats; toch bestaan over het Rama van Samuël, evenals over het nieuwtestamentische Emmaüs, de meest verschillende meningen; sommigen zoeken het in Soba, ten westen van Jeruzalem, anderen in Ramleh bij Joppe, nog anderen bij de Frankenberg, weer anderen in het tegenwoordige Rameh, 3/4 uur ten noorden van Hebron en 1/4 uur ten zuiden van Halhul. Ongeveer 3/4 uur noordoostelijk van Rama vinden wij Gibea; noordoostelijk tegenover Gibea, ligt Michmas, door de Wady Suweinit daarvan gescheiden. Deze landstreek zullen wij bij 13:5 nader leren kennen, tot daar is het hier gezegde voldoende tot een goed begrip van de volgende geschiedenis..
2) Aflate, in de zin van, afzie, zich er niet meer om bekommere. Dit bewijst wel, dat hij een vermogend man was, een man, rijk aan vee..
5. Toen zij, de grenzen van Benjamin in het zuidwesten overgegaan zijnde, en zuidoostelijk zich tot beneden tot Bethlehem gewend hebbende, in het land van Zuf (= honing) kwamen, zei Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons terugkeren, dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate1) en voor ons bekommerd zij, dat ons enig ongeval overkomen mocht, omdat wij reeds zolang afwezig zijn. 1) Bij Ruth 1:22 hebben wij de landstreek ten zuiden van Jeruzalem tot Bethlehem beschreven; van Bethlehem vermelden wij hier nog, dat de bewoners van de eigenlijke stad, ongeveer 4000 zielen tellende, op enige honderden Moslims na, thans allen Christenen zijn, waaronder een Evangelische gemeente bestaat. Zij onderscheiden zich door een mooie vorm van het gezicht, evenals door zeldzame bedrijvigheid en daardoor ontstane welvaart. Behalve de vee- en bijenteelt, land- olie- en wijnbouw, drijven zij ook bijzonder handel in rozenkransen en schelpen, waarvan zij jaarlijks een grote menigte, de laatste met verschillende voorstellingen uit de Bijbelse geschiedenis versierd, aan de pelgrims verkopen. De vruchtbare grond en het klimaat, dat veel zachter is dan in Jeruzalem, zodat er nog ten tijde van het Kerstfeest voer genoeg voor de kudden op het veld en dikwijls het mooiste weer is (Lukas 2:8), zijn zeer gunstig voor hun economische werkzaamheden. Bovendien is de omtrek van de stad, in vergelijking met andere streken van Palestina, goed van water voorzien; dit water wordt door iedereen van oudsher bijzonder geprezen. Ongeveer een kwartier van de noordzijde van de stad, naar het oosten, ligt ene bron, die de overlevering aanwijst als die, waaruit de drie helden (2 Samuël 23:13vv.) voor David water haalden, de put van David genaamd; deze is zeer goed gebouwd, 17-21 voet diep en bevat een overvloed aan helder en koel water, waartoe drie openingen van boven leiden. Verlaten wij nu Bethlehem en wenden wij ons verder naar het zuiden, dan bereiken wij na een uur het tegenwoordige Urtas, waarin wij het in 2 Kronieken 11:6, en in de toevoeging van de Septuaginta aan Jozua 15:59 vermelde Etham erkennen. Dit Etham is niet te verwisselen met de tweede legerplaats van de kinderen van Israël bij hun uittocht uit Egypte (Exodus 13:20) en de spelonk bij Stam (Richteren 15:8; 1 Kronieken 4:32). Het ligt in een diepe Wady, die zich met de Wady Khureitum verenigt en na een loop van vier uur in zuidoostelijke richting naar de Dode Zee stroomt. In het liefelijke dal van deze Wady liggen de beroemde tuinen van Salomo, waarvan in Prediker 2:4-6 Hooglied 4:12,16 melding gemaakt wordt, en die nog hun oude vruchtbaarheid behouden hebben, zodat Europese kolonisten, die zich daar vestigen, in één jaar zevenmaal aardappelen verbouwen. Daarheen ging Salomo dikwijls, zittende op een hoge wagen en van metgezellen omgeven, van Jeruzalem; hij beschrijft ons het aangename van de beginnende lente, die hij daar zag in de woorden van het Hooglied 2:11vv.. Zuidoostelijk daarvan vinden wij het dorp Rhureitum, waarbij een ongeveer 1000 voet lang hol met vele vertakkingen ligt, dat men ten onrechte voor de spelonk Adullam (1 Samuël 22:1) gehouden heeft. Noordoostelijk van de laatstgenoemde plaats bevindt zich de Frankenberg (Dschebel Fureidis = klein paradijs), zo genoemd, omdat de Franken nog 40 jaar na het verlies van Jeruzalem in het jaar 1244 na Christus) deze in het bezit hielden. Deze is zonder twijfel dezelfde als de wachttoren Beth-Cherem in Jeremia 6:1, en het kasteel, dat Herodes de Grote op de plaats van zijn overwinning over de Joden bouwde (Herodium), en waarin hij later begraven werd. Zuidwestelijk van Etham vinden wij eveneens een oud vervallen kasteel, dat de Arabieren El-Buraij noemen. Dicht daarbij liggen de vijvers van Salomo. Dit zijn drie reusachtige, kunstige waterbakken, die in het nu geheel eenzame dal van het oosten naar het westen zo over elkaar liggen, dat de grond van de ene hoger is, dan die van de andere; aan de westzijde gaat de straat van Hebron naar Jeruzalem voorbij. Het water ontvangen zij uit een bron, waartoe men aan de noordwestzijde van het kasteel el Burak 12 voeten diep neerdaalt. Door een waterleiding, die vooral langs de oppervlakte van de grond voortgaat en op sommige plaatsen onder de aarde ligt, en gedeeltelijk uit een stenen kanaal, gedeeltelijk uit aarden pijpen bestaat, wordt het water naar Jeruzalem afgeleid. Volgens Josefus heeft Pontius Pilatus deze waterleiding aangelegd, terwijl hij de middelen daartoe uit de tempelschat nam, hetgeen de Joden in zeer hoge mate verbitterde; en mede tot zijn aanklacht bij de keizer aanleiding gaf, ten gevolge waarvan hij afgezet werd en zichzelf ombracht.
Wij komen nog eens terug op die verzonken bron, waarvan de vijver zijn water heeft. Zij is 270 schreden van de hoogste vijver verwijderd; nadat men door de met zware dekstenen gesloten monding van een gewelf binnengetreden, en over puinhopen tot de grond gekomen is, komt men tot een donker vierhoekig welfsel van 25 voet lengte en 10 voet breedte met een rotsbank aan de zijde; een van boven ronde deur voert westwaarts in een rotskamer, die ongeveer 8 schreden in de lengte en in de breedte heeft, en vandaar een andere rotsdeur in een kleine duistere kamer, aan de westelijke wand waarvan het water uit de rotsspleten zachtjes vloeit, en nadat het tot een twee el brede stroom geworden is, ruisend naar het oosten voortloopt om verder een bassin te vullen, en van daar zich in twee armen te verdelen, de ene arm loopt in de vijver uit, de andere gaat naar de waterleiding. Deze stroom is Ras el Ain of Ain Saleh, de besloten wel, de verzegelde fontein, waarvan in Hooglied 4:12 sprake is. Gaan wij westelijk van de vijvers van Salomo op de straat, die van Hebron naar Jeruzalem voert, noordwaarts terug, zo hebben wij pas in het zuidwesten van Bethlehem, die landstreek voor ons, die zonder twijfel onder het in ons gedeelte genoemde land Zuf bedoeld is. Daarheen had zich waarschijnlijk een gedeelte van het oorspronkelijk tot de stam van Efraïm behorende Levietengeslacht Zuf bij zijn verhuizen gewend, en aan die landstreek de naam gegeven, evenals het andere gedeelte, waarvan Elkana afstamde, zich te Rama vestigde en aan die plaats de naam van Ramathaïm Zofim gaf (1:1). De stad, waarbij Saul zich met zijn knecht bevond, toen deze hem het antwoord gaf, dat wij in het volgende vers lezen, kan niet nader worden aangewezen; die plaats was echter ook Samuëls eigenlijke woonplaats niet, zoals de meeste uitleggers aannemen, die daarom Rama ergens anders zoeken dan in het tegenwoordige er Râm, en ook het graf van Rachel (10:2 op een geheel andere plaats stellen, dan de overlevering. Deze plaats was, evenals Mizpa, Gilgal, Bethlehem (7:5vv.; 10:8; 16:2vv.) en andere, een plaats, die door de profeet van tijd tot tijd bezocht werd, waar hij offerfeesten hield, en hem een woning van God ten dienste stond, zoals wij in de geschiedenis van Eliza vinden (2 Koningen 4:8vv.). Uit het land Zuf komen wij verder tot het reeds bij Ruth 1:22 vermelde Beit Dschala, wenden ons noordwestelijk heen en vinden aan de overzijde van de Wady Bittir de Filippus-bron, wier water volgens latere mening die zou zijn, waarin Filippus de kamerling uit het Morenland doopte (Handelingen 8:26vv.); de oudere overlevering echter plaatst deze gebeurtenis naar het 1 3/4 uur noordelijk van Hebron gelegen Beth-Zur (Jozua 15:58), waarbij zich een bron Ain et Dirweh bevindt. Dit stemt beter met het Bijbelse bericht overeen, omdat aan Filippus uitdrukkelijk de weg naar het zuiden wordt aangewezen om zich daarop te begeven, en Hiëronymus in de levensgeschiedenis van Paula beweert, dat van oudsher een weg van Jeruzalem naar Gaza werkelijk over Hebron ging; zij voerde aan de andere zijde van Bethlehem door de woestijn van Thekoa; vandaar de bijvoeging: "die woest is". Noordoostelijk van de Filippusbron ligt Ain Karim, het St.Johannes-klooster, aan de zuidelijke zijde van de groot wady Beit Chadina of het Terebinthendal. De laatstgenoemde plaats wordt door de overlevering van de kloosters ten onrechte voor de schouwplaats van de strijd tussen David en Goliath gehouden; deze ligt veel meer in de nabijheid van Socho in de wady Musur, dus links van de straat naar Gaza (17:1vv.) eveneens wordt Ain Karim, een van de mooiste en grootste kloosters in Jeruzalem, ten onrechte voor de plaats uitgegeven, waar Johannes geboren werd en zich ophield (Lu 1:7). Van hier wenden wij ons noordoostelijk naar el Kubeibeh, dat door velen voor het nieuwtestamentische Emmaüs gehouden wordt; anderen verstaan daaronder het tegenwoordige Amwas, het vroegere Nicopolis, dat eveneens dwaling is; anderen Kiriat el Enab (1 Samuël 7:1); anderen Kulonieh (Lu 24:13). Noordoostelijk daarvan hebben wij Gibeon (Jozua 9:3vv.); vier uur van Gibeon, naar het noordwesten ligt Boven- en Beneden Beth-horon (Jozua 10:9vv.), een half uur zuidelijk van de eerste plaats Mizpa. Een hoge bergrug, met name Neby Samwil, die zich met een punt tot een hoogte van 600 voet, het hoogste punt in die landstreek, boven de vlakte verheft, loopt van het zuidwesten naar het noordoosten. Op de noordoostelijke top hiervan ziet men een klein, armoedig dorpje en in het midden daarvan een vervallen Moskee, die door Joden, Christenen en Moslims voor het graf van Samuël gehouden wordt, hetgeen echter met 1 Samuël 25:1; 28:3 niet overeenstemt. Het uitzicht van het dak van de Moskee is naar alle zijden heen zeer uitgestrekt, en wordt door zijn majestueuze hoogte werkelijk tot een Mizpa, dat is: tot een wachttoren. Hiervandaan is de weg naar Gibea zuidoostelijk ruim 1 1/2 uur. Noordelijk daarvan ligt Rama, Samuëls geboorte- en woonplaats; toch bestaan over het Rama van Samuël, evenals over het nieuwtestamentische Emmaüs, de meest verschillende meningen; sommigen zoeken het in Soba, ten westen van Jeruzalem, anderen in Ramleh bij Joppe, nog anderen bij de Frankenberg, weer anderen in het tegenwoordige Rameh, 3/4 uur ten noorden van Hebron en 1/4 uur ten zuiden van Halhul. Ongeveer 3/4 uur noordoostelijk van Rama vinden wij Gibea; noordoostelijk tegenover Gibea, ligt Michmas, door de Wady Suweinit daarvan gescheiden. Deze landstreek zullen wij bij 13:5 nader leren kennen, tot daar is het hier gezegde voldoende tot een goed begrip van de volgende geschiedenis..
2) Aflate, in de zin van, afzie, zich er niet meer om bekommere. Dit bewijst wel, dat hij een vermogend man was, een man, rijk aan vee..