1 Samuël 23:7-13
I. Hier is: het plan dat Saul bij zichzelf beraamd had tot verderf van David, vers 7-8.
Als aan Saul te kennen gegeven werd, dat David te Kehila gekomen was, en werd hem er niet ook bij te kennen gegeven, waarom hij daar gekomen was? Werd hem niet bericht, dat hij Kehila kloekmoedig uit de hand van de Filistijnen had verlost? Men zou zo denken dat dit Saul moet hebben doen overwegen welke eer David hiervoor aangedaan moest worden, en met welke waardigheid hij hem bekleden moest. Maar, instede hiervan, grijpt hij het aan als een gelegenheid om hem kwaad te doen. Hij was een ondankbare ellendeling, onwaardig dat hem ooit vriendelijkheid of dienst zou bewezen worden. Wel mocht David klagen dat zijn vijanden hem kwaad voor goed hebben vergolden, en dat zij voor zijn liefde hem tegenstaan, Psalm 35:12, 109:4. Even laaghartig is ook Christus behandeld, Johannes 10:32. Merk nu op:
1. Hoe Saul misbruik maakte van de God Israëls, door Hem in de leiding van Zijn voorzienigheid tot beschermer te willen maken van zijn boze plannen, en zich dieswege succes te beloven. God heeft hem in mijn hand overgegeven, alsof hij, die door God was verworpen nu in deze zaak door Hem erkend en geholpen werd, en David door Hem was verdwaasd. IJdellijk roemt hij vóór hij de overwinning behaald heeft, vergetende hoe dikwijls hij betere gelegenheden heeft gehad om David te verderven, dan hij nu had, en toch altijd zijn doel gemist heeft.
Goddelooslijk verbindt hij God aan zijn zaak, omdat hij dacht zijn doel bereikt te hebben. Daarom bidt David: "Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet, bevorder zijn kwaad voornemen niet, zij zouden zich verheffen", Psalm 140:9.
Als een leiding van Gods voorzienigheid soms gunstig schijnt voor onze plannen, dan moeten wij niet denken dat een onrechtvaardige zaak er rechtvaardig door wordt, of dat er het succes van die plannen door wordt verzekerd.
2. Hoe Saul God van Israël misbruikte door hen tot de dienaren te maken van zijn boosaardigheid tegen David. Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, in allerijl moeten zij optrekken tegen Kehila, voorgevende tegen de Filistijnen te gaan strijden, maar bedoelende David en zijn mannen te gaan belegeren, die bedoeling echter geheim houdende, want in vers 9 wordt gezegd: dat hij dit kwaad tegen hem heimelijk voorhad.
Ongelukkig het volk, welk vorst een tiran is, want terwijl sommigen lijden onder zijn tirannie, worden anderen-en dat is nog erger-er de dienaren en werktuigen van gemaakt.
II. David vraagt God ten opzichte van zijn eigen bewaring. Door de berichten, die hem gebracht werden, wist hij dat Saul zijn verderf beraamde, vers 9, en daarom wendt hij zich tot zijn grote beschermer om raad en leiding.
Niet zodra wordt hem de efod gebracht of hij maakt er gebruik van: Breng de efod herwaarts. Wij hebben de Schriften, de levende orakelen Gods, in onze handen, laat ons in twijfelachtige gevallen er raad en leiding aan ontlenen. "Breng de Bijbel herwaarts". Davids spreken tot God bij deze gelegenheid is:
1. Zeer plechtig en eerbiedig. Tweemaal noemt hij God: HEERE, God van Israël, en driemaal noemt hij zich Uw knecht, vers 10, 11.. Zij, die tot God spreken, moeten weten waar zij staan, en hoever zij gaan kunnen, en tot wie zij spreken.
2. Zeer nauwkeurig en uitdrukkelijk. Zijn voorstelling van de zaak is aldus, vers 10 :Uw knecht heeft zekerlijk gehoord, op goed gezag, (want hij zou de efod niet laten komen op elk los gerucht) "dat Saul een aanslag voorheeft op Kehila", hij zegt niet "om mij te verderven", maar om de stad te verderven om mijnentwil (zoals hij onlangs met de stad Nob gedaan heeft).
Hij schijnt meer bezorgd voor hun veiligheid dan voor de zijne, en wil zich liever overal aan gevaar blootstellen, dan dat zij door zijn aanwezigheid onder hen in moeilijkheden zullen komen.
Dat is de gezindheid van een grootmoedig hart. Ook zijn vragen nopens de zaak zijn zeer nauwkeurig. God vergunt ons om dit te zijn in ons gebed tot Hem. O HEERE, God van Israël, geef het toch Uw knecht te kennen! De HEERE nu zeide: Hij zal afkomen".
Wel keert hij de rechte volgorde van zijn vragen om, maar in Zijn antwoord brengt God hem in de rechte methode.
Die vraag had het eerst gedaan moeten worden, die het eerst beantwoord werd: "Zal Saul afkomen gelijk als Uw knecht gehoord heeft?" "Ja", zegt het orakel, "hij zal afkomen, hij heeft het besloten, maakt er toebereidselen voor, en hij zal afkomen, tenzij hij hoort dat gij de stad verlaten hebt".
"Maar indien hij afkomt, zullen de mannen van Kehila mij bijstaan om de stad tegen hem te verdedigen, of zullen zij hem de poorten openen en mij aan hem overleveren?"
Indien hij de mannen van Kehila-dat is de magistraten of oudsten zelf gevraagd had, wat zij in zo'n geval zouden doen, zij zouden het hem niet hebben kunnen zeggen, daar zij het zelf niet wisten, hun eigen hart niet kenden, niet wisten wat zij zouden doen als het er toe kwam, en nog veel minder wat de meerderheid van hun vergadering in deze zou beslissen. Of zij zouden hem hebben kunnen zeggen, dat zij hem zullen beschermen, maar hem daarna toch overgeleverd hebben. Maar God zal hem onfeilbaar zeggen hoe de zaak staat.
"Als Saul de stad belegert, en eist dat zij u aan hem zullen overleveren, dan zullen zij, hoe zij u nu ook schijnen te beminnen als hun verlosser, u overleveren, veeleer dan zich aan Sauls woede blootstellen".
God kent alle mensen beter, dan zij zichzelf kennen kent hun kracht, weet wat in hen is, en wat zij in deze of die omstandigheden zullen doen. Daarom weet Hij niet slechts wat zijn zal, maar wat zijn zou, indien het niet voorkomen werd, en daarom weet Hij hoe de Godvruchtigen te verlossen uit verzoeking, en hoe een ieder te vergelden naar zijn werken. David, aldus in kennis gesteld zijnde van zijn gevaar, verliet Kehila, vers 13. Zijn volgelingen waren nu aangegroeid tot een getal van zes honderd. Met deze ging hij, niet wetende waarheen maar besloten de leiding van Gods voorzienigheid te volgen en zich onder Gods bescherming te stellen.
Hij dacht dat God David in zijn handen had overgegeven, maar het bleek dat God hem uit zijn handen had verlost, als een vogel uit de strik des vogelaars.
Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David uit Kehila ontkomen was, zo hield hij op uit te trekken met zijn legerkorps, zoals hij voornemens was vers 8, en besloot om hem slechts met zijn eigen lijfwacht te gaan zoeken. Aldus stelt God de vijanden Zijns volks teleur in hun plannen, en doet Hij hun raadslagen op niets uitlopen.