1 Samuël 22:20-23
1. Hier is de ontvluchting van Abjathar, de zoon van Achimelech, uit de verwoesting van de priesterstad. Waarschijnlijk is hij, toen zijn vader op Sauls dagvaarding ging verschijnen, thuis gelaten om het altaar te verzorgen, en zodoende is hij aan de eerste algemene slachting ontkomen, en toen Doëg en zijn bloedhonden te Nob kwamen, had hij bericht gekregen van het gevaar, en had hij nog tijd om zich in veiligheid te stellen. En tot wie anders zal hij nu heengaan dan tot David? vers 28. Laat hen die lijden voor de Zone Davids, "hun zielen Hem bevelen". 1 Petrus 4:19.
2. Davids toorn op de treurige tijding, die hij hem bracht. Hij gaf David bericht van het bloedbad, dat Saul onder de priesters des HEEREN had aangericht, vers 21, zoals de discipelen van Johannes, toen hun meester onthoofd was het "Jezus gingen boodschappen", Mattheus 14:12. En David betreurde grotelijks de ramp zelf, maar inzonderheid dat hij er de oorzaak van was: Ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van uws vaders huis, vers 22.
Het is voor een Godvruchtige een grote smart, zich op enigerlei wijze als de oorzaak te moeten beschouwen van de rampen van de kerk of van haar dienaren David kende het karakter van Doëg zo goed dat hij vreesde dat hij wel een kwaad als dit zou aanrichten, toen hij hem bij het heiligdom zag. Ik wist wel te dien dage, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het voorzeker Saul zou te kennen geven.
Hij noemt hem: Doëg, de Edomiet, omdat hij het hart van een Edomiet had behouden, hoewel hij door de Joodse Godsdienst te omhelzen het masker van een Israëliet had aangenomen.
3. De bescherming, die hij aan Abjathar verleende. Hij bemerkte dat hij vol angst en schrik was, waarvoor hij ook wel reden had, en daarom zegt hij hem niet te vrezen, daar hij voor hem zal zorgen als voor zichzelf: gij zult met mij in bewaring zijn, vers 23.
David nu tijd gehad hebbende om zich te herstellen, spreekt met verzekerdheid van zijn eigen veiligheid, en belooft dat Abjathar ten volle het voorrecht zal genieten van zijn bescherming. Het is de Zone Davids beloofd, dat God Hem onder de schaduw van Zijn hand zal bedekken, Jesaja 49:2, en met Hem kunnen ook al de Zijnen zeker wezen, dat zij "in bewaring zullen zijn", Psalm 91:1.
David had nu niet alleen een profeet, maar ook een priester, een hogepriester, bij zich, voor wie hij een zegen was, en zij voor hem, en dit was een gelukkig voorteken van zijn voorspoed. Maar uit hoofdstuk 28:6, blijkt dat Saul ook een hogepriester had, want hij had urim om te raadplegen. Men veronderstelt dat hij Ahitub, de vader van Zadok, uit het geslacht van Eleazar, tot het ambt bevorderd heeft, 1 Kronieken 6:8, want zelfs zij, die de kracht van de Godzaligheid haten, willen toch niet zonder de gedaante er van wezen. Het moet hier niet vergeten worden dat David toen de 52sten Psalm heeft geschreven, zoals blijkt uit het opschrift er van, waarin hij Doëg voorstelt niet alleen als slecht en kwaadaardig, maar als vals en bedrieglijk, omdat hetgeen hij zei in substantie wel waar was, maar hij er een valsen schijn aan had gegeven met de bedoeling om kwaad te doen. Maar zelfs toen het priesterschap als een verdorde tak was geworden, ziet hij zichzelf als een groene olijfboom in Gods huis, vers 8. In de beroering en afleiding, waarin David zich voortdurend bevond, vond hij toch tijd en had hij een hart voor gemeenschapsoefening met God, en smaakte hij er vertroosting in.