23. Zo zegt Kores, koning van Perzië: De Heere, de God van de hemel, die Israël als zijn God erkent, maar die ook ik voor de Koning aller koningen op aarde erkend heb, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven, mij tot bestuurder gemaakt over vele landen: Perzië, Medië, Babylonië, Klein-Azië, Syrië, Fenicië en Palestina; en Hij heeft mij door het mij voorgehouden Woord van zijn profeten en door de inwendige drang van zijn Geest, bevolen hem een huis te bouwen te Jeruzalem 1), hetwelk in het aan mijn heerschappij onderworpen land van Juda is, welk bevel ik dan hiermee wil opvolgen: wie is onder jullie, onder mijn onderdanen, die dit mijn koninklijk edict hoort of leest, van al Zijn volk, een Jood? de Heere, zijn God, zij met hem, zij zijn Gids op de reis, en hij trekt op naar Jeruzalem in Juda, en bouwt het huis van de Heere, de God van Israël (
Ezra 1:1-
4).
1) In deze woorden is reeds aangeduid wat Cyrus bewogen heeft om de Joden uit de ballingschap te ontslaan niet, zo als vele nieuwere geleerden de zaak beschouwen, uit staatkundige inzichten om de plaats, die de Joodse volksplanting moest innemen met meer voordeel te gebruiken tot bestorming van andere overwonnen volken en vooral om een steunpunt te vinden voor de ontworpen verovering van Egypte; de verdere loop van de geschiedenis toont duidelijk genoeg, dat men aan het Perzische hof volstrekt niet gezind was om de Joden weer een staat van politieke betekenis te laten worden. Maar wel was het van de grootste betekenis, dat door de verplaatsing van het profetendom op Heidense grond, vooral in het hoofdgebied van de oude Mantiek (waarzeggingskunst), naar Babel, voor de heiden zelf een licht van het Goddelijke woord was opgericht, en hun waarzeggers en wichelaars gelegenheid werd gegeven, om zich aan de openbaring van de levende God te toetsen. De strijd, die de Heere bij de verlossing van het volk uit de Egyptische slavernij met de afgoden van Egypte gevoerd had (Exodus 7:9" en "Exodus 7:13" en "Exodus 7:22), keer hierop hoger gebied terug; waar werkelijk een weten van de Goddelijke raad, die de weg van de volken leidt, waar voorspelling van toekomstige zaken te vinden is, moet het heidendom proeven, en daaruit moet de realiteit (het werkelijk bestaan en werken) van zijn goden afleiden.
Tot het voeren van deze strijd is bij uitnemendheid Daniël geroepen, en een vrucht van deze strijd is de bevrijding van het volk door Cyrus. Dat Daniël zo'n erkenning van de levende God en zo'n zuivere godsdienstige belangstelling voor de Joden wist te verwekken, wordt ons duidelijk als men bedenkt, welk een stelling Daniël zowel aan het Babylonische (Daniël2:14 vv.; 4:31; 5:10), als aan het Medische hof (Daniël6:1) innam, en hoe Cyrus de hoogste eerbied voor hem en zijn profetische gave als het ware als erfenis ontving, toen hij Babylon veroverde en daar een koninkrijk van de Perzen oprichtte (Daniël6:28), waarbij wij nog geheel buiten rekening laten, of niet misschien aan de beide Apocriefe stukken van Bel te Babel en van de Draak te Babel een geschiedkundige gebeurtenis tot grondslag ligt. Dit mag echter als ontwijfelbaar worden beschouwd, dat de mededeling van Josefus aangaande de diepe indruk, die Cyrus ontving toen hem Jesaja's profetie aangaande zijn persoon werd voorgelegd, en het ogenblikkelijk genomen besluit om die profetie ook tot vervulling te brengen, en aldus zich een gedenkteken in de geschiedenis op te richten, op historische waarheid berust, hoe weinig Josefus overigens ook bij dergelijke opgaven een betrouwbare autoriteit is..
Met deze woorden sluit het 2de Boek van de Kronieken en begint het Boek Ezra. Het 2de Boek van de Kronieken sluit ermee, om te doen uitkomen, dat, ofschoon de Heere Zijn volk heeft getuchtigd, Hij het toch niet heeft verlaten. Dat God niet eeuwig zal twisten.
Om daarmee te leren, dat de Kerk wel door God in de smeltkroes van de verdrukking wordt geworpen, maar niet geheel afgesneden, en daarmee te bevestigen, dat de Heere niet eindeloos kastijdt en nooit doet naar de zonden en overtredingen.
INHOUD VAN HET TWEEDE BOEK DER KRONIEKEN
I. De zegen van Salomo's regering voor zijn volk.
1) 2 Kronieken 1:1-13 Salomo's offerande en gebed te Gibeon.
2) 2 Kronieken 1:14-17 Salomo's rijkdom. 3) 2 Kronieken 2. Salomo's toebereidselen voor de tempelbouw.
4) 2 Kronieken 3. en 4. Salomo's tempelbouw.
5) 2 Kronieken 5:1-10 De tempelinwijding voorbereid.
6) 2 Kronieken 5:11-14 De tempel vervuld met Gods tegenwoordigheid.
7) 2 Kronieken 6:1-11 Salomo's aanspraak tot het volk.
8) 2 Kronieken 6:12-42 Salomo's gebed.
9) 2 Kronieken 7:1-11 Plechtige feestviering bij de inwijding van de Tempel.
10) 2 Kronieken 7:12-22 De Heere verschijnt andermaal aan Salomo.
11) 2 Kronieken 8:1-6 Salomo's stedenbouw.
12) 2 Kronieken 8:7-10 Salomo's regeling van de vroondiensten.
13) 2 Kronieken 8:11-18 Regeling van de eredienst en Salomo's scheepvaart.
14) 2 Kronieken 9:1-12 Het bezoek van de koningin van Scheba bij Salomo.
15) 2 Kronieken 9:13-31 Salomo's rijkdom, wijsheid, macht, en dood.
II. De regering van Salomo's opvolgers over het rijk van de Twee stammen.
1) 2 Kronieken 10 Rehabeam alleen koning over het rijk van de Twee stammen.
2) 2 Kronieken 11 Rehabeam's koninkrijk versterkt.
3) 2 Kronieken 12 Rehabeams nederlaag tegen Sisak, zijn uitredding en dood.
4) 2 Kronieken 13 Abia's gelukkige oorlog met Jerobeam.
5) 2 Kronieken 14 Abia's dood en Asa uit de handen van Zera, de Moor, gered.
6) 2 Kronieken 15 Asa's hervormingswerk in Juda.
7) 2 Kronieken 16 Asa's verbond met Benhadad, zijn bestraffing daarover door Hanani, zijn ziekte en zijn dood.
8) 2 Kronieken 17 Josafat's hervorming, zijn rijkdom en eer. 9) 2 Kronieken 18 Josafat in bondgenootschap met Achab van Israël tegen de Syriërs.
10) 2 Kronieken 19 Josafat zet zijn hervormingswerk voort.
11) 2 Kronieken 20 Josafat, in de strijd met de kinderen van Moab en hun bondgenoten, door de Heere geholpen.
12) 2 Kronieken 21 Josafat's dood en Joram koning.
13) 2 Kronieken 22:1-9 Ahazia volgt Joram op en zijn dood.
14) 2 Kronieken 22:10-12 Athalia koningin en redding van Joas.
15) 2 Kronieken 23 Athalia gedood en Joas tot koning uitgeroepen.
16) 2 Kronieken 24 Joas' regering, dood van Jojada, smadelijk uiteinde van Joas.
17) 2 Kronieken 25 Amazia's strijd met Joas van Israël. Zijn vermoording door zijn trawanten.
18) 2 Kronieken 26 Uzzia koning, zijn regering, zijn hoogmoed en straf daarvoor.
19) 2 Kronieken 27 Jotham koning over Israël.
20) 2 Kronieken 28 De regering van de goddeloze koning Achaz.
21) 2 Kronieken 29 Hizkia's hervorming en heiliging van de Tempel.
22) 2 Kronieken 30 Hizkia's Paschaviering.
23) 2 Kronieken 31 Hizkia zet zijn hervorming voort.
24) 2 Kronieken 32 Hizkia's strijd met Sanherib. Zijn uitredding, zijn ziekte en zijn dood.
25) 2 Kronieken 33:1-19 Manasse's regering, zijn zonden, zijn straf en zijn berouw.
26) 2 Kronieken 33:20-25 Manasse's dood. Amon's regering en zijn uiteinde.
27) 2 Kronieken 34 Josia vernieuwt het verbond.
28) 2 Kronieken 35 Josia's Paschaviering, zijn strijd met Farao Necho, en zijn dood.
29) 2 Kronieken 36:1-10. Regering van Joahaz, Jojakim en Jojachin.
30) 2 Kronieken 36:11-21 Regering van Zedekia, en de verwoesting van Jeruzalem. 31) 2 Kronieken 36:22, 23 Edict van Cyrus, Koning van Perzië.
SLOTWOORD
op de Boeken der Kronieken
Buiten alle twijfel moeten de Boeken der Kronieken geschreven zijn na de Babylonische ballingschap, en dan wel kort na de terugkeer van de Joden uit de landen van de ballingschap.
Voor het eerste pleit de vermelding van het Edict van Cyrus, de koning van Perzië, en de vermelding van de geslachtsregister van de nakomelingen van Zerubbabel e.a.; voor het tweede, dat niets anders dan dit edict uit de tijd van de terugkeer van Israël naar Jeruzalem wordt vermeld.
Dit aangenomen en vastgesteld, is het niet moeilijk, om in de Schrijver Ezra te zien, de vervaardiger van het volgende Boek in onze Kanon.
Immers, niet alleen luidt het slot van deze Boeken en het begin van het Boek Ezra schier gelijk, waar vermeld wordt, dat Cyrus, overeenkomstig het Woord van de Heere, gesproken door Jeremia, de profeet, de Joden bevel gaf, de verwoeste tempel weer op te bouwen, maar ook de taal en wijze van uitdrukking hebben zeer grote overeenkomst.
Hebben wij het bij de verklaring van de Boeken opgemerkt, of doen opmerken, dat de Schrijver, geleid door de Heilige Geest, inzonderheid wijst op de eredienst, zoals deze door God, de Heere, is ingesteld: is het zijn oogmerk, om te doen zien, wat Juda's vrome koningen deden, om de eredienst te herstellen en zuiver te houden, schrijft hij daarom uitvoerig over de heilige muziek en het aandeel van de Levieten daaromtrent: wij vinden hetzelfde terug bij de Schrijver van het Boek Ezra.
Deelde de Schrijver van de Kronieken de geslachtsregister mee tot onderwijs en besturing voor het volk na de Ballingschap, ook bij Ezra treffen we dit aan.
En eindelijk vinden we bij de Schrijver van de Kronieken gedurig een heen wijzing naar de Wet van de Heere, met de bij hem vaststaande formule: "zoals geschreven is in de wet van Mozes, de man van God," ditzelfde treffen we ook gedurig in Ezra aan.
Wij kunnen derhalve met betrouwbare zekerheid aannemen, dat Ezra na of bij de terugkeer uit Babel de Boeken der Kronieken geschreven heeft, om daarmee het nakroost van Israël te wijzen op zijn heerlijke geschiedenis en op de nadrukkelijke voorwaarde, om in het herkregen vaderland gelukkig te zijn, namelijk wanneer het zich als het volk van het Verbond gedroeg en God, de Heere, eerde en diende naar Zijn wetten en ordinantiën, en dat hij later zijn ander Boek heeft vervaardigd.
Doet hij zich in de geschiedenis kennen als een man van een levendig gestel, van een vurig gemoed, die alle zijn krachten en gaven had leren stellen in de dienst van zijn God en tot het heil van zijn volk, in wie een vurige ijver blaakt voor de aloude instellingen van Israël, door God geopenbaarde Godsdienst: in de Boeken der Kronieken komt dit zo duidelijk en treffend uit.
Levendig en in verheven stijl dikwijls beschrijft hij de toestanden van Juda's volk en Juda's koningen, en bij alles legt hij het richtsnoer aan van Gods Wet en Zijn Getuigenis.
Geïnspireerd als hij is door Gods Geest, beschouwt hij alle daden van koningen en onderdanen in het licht van de Wet van de Heere.
Hij houdt de geschiedenis van het voorgeslacht zijn tijdgenoten voor als een spiegel en daarom tot waarschuwing en vermaning.
Waar Israël's volk weer de heilige erfenis betreedt, daar ontvangt het in deze Boeken een heerlijk Godsgeschenk, een betrouwbare Gids, om voor wankelen en afvallen, voor verdwalen en afdwalen behoed te worden, maar ook, om bij het licht van de onvervalste geschiedenis te weten, dat de God van de vaderen, de God van het Verbond, zowel een heilig en rechtvaardig, als een barmhartig en genadig God is.
Om te weten, dat vloek en zegen in het nauwste verband staan met het houden en onderhouden van het Verbond van de Heere en Zijn ordinantiën.
SLOTWOORD
op de Boeken der Kronieken
Buiten alle twijfel moeten de Boeken der Kronieken geschreven zijn na de Babylonische ballingschap, en dan wel kort na de terugkeer van de Joden uit de landen van de ballingschap.
Voor het eerste pleit de vermelding van het Edict van Cyrus, de koning van Perzië, en de vermelding van de geslachtsregister van de nakomelingen van Zerubbabel e.a.; voor het tweede, dat niets anders dan dit edict uit de tijd van de terugkeer van Israël naar Jeruzalem wordt vermeld.
Dit aangenomen en vastgesteld, is het niet moeilijk, om in de Schrijver Ezra te zien, de vervaardiger van het volgende Boek in onze Kanon.
Immers, niet alleen luidt het slot van deze Boeken en het begin van het Boek Ezra schier gelijk, waar vermeld wordt, dat Cyrus, overeenkomstig het Woord van de Heere, gesproken door Jeremia, de profeet, de Joden bevel gaf, de verwoeste tempel weer op te bouwen, maar ook de taal en wijze van uitdrukking hebben zeer grote overeenkomst.
Hebben wij het bij de verklaring van de Boeken opgemerkt, of doen opmerken, dat de Schrijver, geleid door de Heilige Geest, inzonderheid wijst op de eredienst, zoals deze door God, de Heere, is ingesteld: is het zijn oogmerk, om te doen zien, wat Juda's vrome koningen deden, om de eredienst te herstellen en zuiver te houden, schrijft hij daarom uitvoerig over de heilige muziek en het aandeel van de Levieten daaromtrent: wij vinden hetzelfde terug bij de