2 Kronieken 12:1-12
Israëls was zeer onteerd en verzwakt door in twee rijken verdeeld te zijn, maar het riek van Juda, in het bezit zijnde van de tempel en van de koninklijke stad, zou toch zowel het huis van David als het huis van Aaron de oude roem en luister behouden hebben, indien zij op de weg huns plichts gebleven waren, maar hier zien wij hoe alles uit de voegen is geraakt.
I. Rehabeam en zijn volk verlieten God. Hij verliet de wet des Heeren, en aldus verliet hij in werkelijkheid God, en geheel Israël met hem vers 1.
Hij had zijn gelukkig `triennium', drie jaren van voorspoed, toen hij wandelde in de weg van David en Salomo, Hoofdstuk 11:7 maar het ging voorbij, hij werd nalatig in de aanbidding Gods, op wat wijze wordt ons niet gezegd, maar hij viel af, en Juda met hem, dat hier Israël genoemd wordt, omdat zij wandelden in de boze weg, waarop Jerobeam het rijk van Israël had gevoerd.
Dit deed hij, toen hij het koninkrijk bevestigd had en sterk was geworden. Zolang hij dacht dat zijn troon wankelend was, bleef hij bij zijn plicht, ten einde God tot zijn vriend te maken, maar toen hij bevond dat zijn troon vast stond, dacht hij de Godsdienst niet meer nodig te hebben, dat hij ook zonder de Godsdienst wel veilig was.
Zo zal de voorspoed van de zotten hen verderven. Jeshurun werd vet en sloeg achteruit. Als de mensen voorspoedig zijn en geen moeilijkheden vrezen, dan zijn zij bereid om tot God te zeggen: Wijk van ons.
II. God heeft hen spoedig in moeilijkheden gebracht, om hen te doen ontwaken en tot bekering te brengen, voordat hun hart verhard was.
Het was pas in het vierde jaar van Rehabeam, dat zij begonnen zich te verderven en in het vijfde jaar trok de koning van Egypte tegen hen op met een zeer groot leger, nam de vaste steden in, die Juda had, en kwam tot Jeruzalem toe, vers 2-4.
Deze grote ramp kwam zo spoedig over hen, nadat zij de eredienst Gods hadden verlaten, door een hand van welke zij weinig reden hadden het te verwachten (onder de laatste regering waren er immers zeer vriendelijke betrekkingen met Egypte onderhouden), en zij kwam met zo'n geweld, (al de vaste steden van Juda, die Rehabeam kort geleden nog had versterkt, en waarin hij garnizoenen had gelegd, en waarop hij zozeer vertrouwde voor de veiligheid van zijn koninkrijk vielen snel in de handen van de vijand, zonder enige tegenstand te bieden), dat het alles blijkbaar van de Heere was omdat zij tegen Hem overtreden hadden.
III. Uit vrees dat zij deze handeling van Gods voorzienigheid niet geredelijk of niet recht zouden begrijpen, geeft God hun door het woord een verklaring van de gesel, vers 5.
Toen de oversten van Juda allen te Jeruzalem bijeen waren gekomen, waarschijnlijk voor het houden van een groten krijgsraad, om in dit hachelijk tijdsgewricht middelen te beramen voor hun veiligheid, zond Hij hun een profeet, dezelfde, die hun het bevel van God had gebracht om af te laten van tegen de tien stammen te strijden, Hoofdstuk 11, Semaja geheten. Hij zei hun duidelijk en onomwonden dat de reden, waarom Sisak tegen hen had overmocht, niet daarin gelegen was dat zij onstaatkundig gehandeld hadden, (een denkbeeld, dat de oversten op dit congres misschien geopperd hebben) maar omdat zij God hadden verlaten. Nooit verlaat God de mensen voordat zij Hem hebben verlaten.
IV. De bestraffingen van het woord en van de roede aldus saamgevoegd zijnde, hebben de koning en de oversten zich voor God verootmoedigd om hun ongerechtigheid, boetvaardig en berouwvol de zonde erkennende, en met lijdzaamheid de straf er voor aannemende zeggende: De HEERE is rechtvaardig, vers 6. "Wij hebben er niemand van te beschuldigen dan onszelf.
God is rechtvaardig in Zijn spreken, en rein in Zijn oordelen." Aldus betaamt het ons, als wij onder de bestraffingen Gods zijn, God te rechtvaardigen en onszelf te oordelen, zelfs kortingen en oversten moeten of buigen voor God, of breken, of verootmoedigd worden, of aan het verderf worden overgegeven.
V. Op hun belijdenis van berouw heeft God hun enige gunst betoond, hen van de ondergang gered, maar liet hen toch nog onder enige vrees voor het oordeel, om te voorkomen dat zij opnieuw zouden afvallen.
1. In Zijn barmhartigheid heeft God het verderf van hen afgewend, op welks rand zij zich bevonden. Met zijn ontzaglijk groot en nu reeds zegevierend leger had Sisak zich reeds meester gemaakt van al de vaste steden, wat anders kon verwacht worden, dan dat het gehele land en Jeruzalem zelf binnen weinig tijds in zijn macht zouden zijn? Maar als God zegt: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder, dan zal de dreigendste krijgsmacht op vreemde wijze verminderen, verschrompelen en machteloos worden.
Ook hier wordt aan de verderfengel, als hij Jeruzalem nadert, verboden om dat te verderven: Mijn grimmigheid zal over Jeruzalem door de hand van Sisak niet uitgegoten worden, vers 7, 12.
Zij, die Gods rechtvaardigheid erkennen in hun beproeving, zullen bevinden dat Hij genadig is. Zij, die zich voor Hem verootmoedigen, zullen gunst bij Hem vinden. Zo gereed en bereid is de God van barmhartigheid om bij de eerste gelegenheid genade te betonen. Als wij onder vernederende omstandigheden ons hart hebben verootmoedigd dan heeft de beproeving haar werk gedaan, en dan zal zij of weggenomen worden, of de aard er van zal worden veranderd.
2. Hij schonk hun enige verlossing, geen volkomene, maar een gedeeltelijke. Hij gaf hun enig voordeel op de vijand, zodat zij een weinig tot adem kwamen, Hij gaf hun verlossing voor een wille, lezen hier sommigen. Hun bekering en hervorming was slechts ten dele en voor een kleine wijle, daar zij spoedig daarna wederom afvielen, en zoals hun hervorming was, zo was hun verlossing. Toch wordt gezegd: In Juda gingen de zaken goed, vers 12 begonnen de zaken een beter aanzien te hebben.
a. Ten opzichte van Godsvrucht. Ook waren er in Juda nog goede dingen, zoals de Engelse kanttekening het heeft, goede leraren, goede mensen, goede gezinnen, die door de rampen van hun land beter gemaakt werden. In tijden van groot bederf en ontaarding is het een troost, dat er nog een overblijfsel is, onder hetwelk goede dingen gevonden worden, dit is een grond van hoop voor Israël. b. Ten opzichte van welvaart. De zaken gingen slecht in Juda toen al de vaste steden genomen waren, vers 4, maar toen zij berouw hadden en zich bekeerden, veranderde de staat van zaken en ging het goed. Als de zaken niet zo goed gaan als wij zouden wensen, dan hebben wij toch reden om er met dankbaarheid nota van te nemen als het er beter mee gaat dan wij verwacht hebben, beter dan vroeger, en beter dan wij verdienen. Wij moeten Gods goedheid erkennen, als Hij ons reeds enige verlossing schenkt.
3. Maar Hij liet hen toch de hand van Sisak zwaar en smartelijk gevoelen, beide in hun vrijheid en in hun welvaart, hun vermogen.
A. In hun vrijheid, vers 8. Zij zullen hem tot knechten zijn, dat is: zij zullen grotendeels in zijn macht zijn, hij zal hun een schatting opleggen, sommigen van hen zullen misschien door hem gevangen worden genomen en in gevangenschap worden gehouden, opdat zij onderkennen Mijn dienst en de dienst van de koninkrijken van de landen. Zij klaagden wellicht over het strikte en strenge van hun Godsdienst, en daarom verlieten zij de wet des Heeren, vers 1,, want zij dachten dat zij hun een te hard te zwaar juk oplegde. "Welnu", zegt God, "laat hen het dan eens met een anderen dienst beproeven. Laat de naburige vorsten voor een wijle over hen heersen, daar zij niet willen dat Ik over hen heers, en laat hen dan eens zien hoe dit hun aanstaat. Zij zouden God hebben kunnen dienen met vrolijkheid en goedheid des harten, maar wilden niet, laat hen dan nu "hun vijanden dienen in honger en in dorst" Deuteronomium 28:47, 48,, totdat zij er aan denken om tot hun vorigen Meester weer te keren, omdat het hun toen beter was dan nu, Hosea 2:6. Dit is, naar sommigen denken, de betekenis van het woord in Ezechiël, Hoofdstuk 20:24, 25 : Omdat zij Mijn inzettingen verworpen hebben, gaf Ik hun ook beschikkingen, die niet goed waren. Hoe meer de dienst van God vergeleken wordt met de dienst van anderen, hoe meer redelijk en gemakkelijk hij ons zal voorkomen. Welke moeilijkheden en ontberingen wij ons ook voorstellen op de weg van de gehoorzaamheid, toch is het duizend maal beter om daar doorheen te gaan, dan ons bloot te stellen aan de straf van de ongehoorzaamheid. Denkt men dat de wetten van de matigheid hard zijn? De uitwerking, de gevolgen van onmatigheid zullen bevonden worden veel harder te zijn. De dienst van de deugd is volmaakte vrijheid, de dienst van de lusten en begeerlijkheden volmaakte slavernij.
B. In hun welvaart, hun vermogen. De koning van Egypte plunderde beide de tempel en de schatkist. De schatten van beide heeft Salomo wel voorzien gelaten, maar hij nam ze weg, hij nam alles weg, alles waar hij de hand op kon leggen, vers 9.
Daar is hij voor gekomen. David en Salomo, die wandelden in de weg van God, vulden de schatkisten, de een door krijg, de ander door koophandel maar Rehabeam, die de wet van God verliet ledigde ze.
Van het wegnemen van de gouden schilden en hun vervanging door koperen, vers 9-11, hadden wij een bericht in 1 Koningen 14:25 -28.