2 Kronieken 22:10-12
Wij hebben hier wat wij tevoren hadden in 2 Koningen 11:1 en verv..
1. Een goddeloze vrouw, die het poogt huis van David uit te roeien, teneinde op de puinhopen van dat huis een troon voor zichzelve op te richten. Athalia heeft wreedaardiglijk al het koninklijke zaad omgebracht, vers 10, wellicht bedoelende dat naar haar dood de kroon van Juda op iemand van haar bloedverwanten zou overgaan, zodat, hoewel haar geslacht in Israël uitgeroeid was door Jehu, het in Juda toch geplant zou worden.
2. Een goede vrouw, die het met goed gevolg bewaart van geheel uitgeroeid te worden. Een van de zonen van de overleden koning, een kind van een jaar, werd van tussen de doden gered, en door de zorg van Jojada's huisvrouw in het leven behouden, vers 11, 12, opdat een lamp zou toegericht zijn voor de gezalfde Gods, want geen woord van God zal ter aarde vallen.