2 Kronieken 34:1-7
Betreffende Josia wordt ons gezegd:
1. Dat hij aan de regering kwam toen hij nog zeer jong was, maar zijn kindsheid heeft hem niet uitgesloten van zijn recht op de kroon en dat hij een en dertig jaren heeft geregeerd vers I, een aanmerkelijke tijd.
Ik vrees echter dat het met de zaken in het begin van zijn regering tamelijk gelijk was als in de tijd van zijn vader, omdat hij, nog een kind zijnde, er het bestuur van aan anderen moest overlaten, en dat het niet voor zijn twaalfde jaar was, dat hij de reformatie begon, vers 3.. Hij kon niet, zoals Hizkia, terstond het werk ter hand nemen.
2. Dat hij goed regeerde, zich Gode behaaglijk maakte, in Davids voetstappen trad, niet afweek ter rechter noch ter linkerhand, want er zijn dwalingen aan beide zijden.
3. Dat hij, toen hij nog jong was, ongeveer zestien jaren oud, God begon te zoeken, vers 3. Wij hebben reden te geloven dat hij niet zo goed een opvoeding heeft gehad als Manasse, het is al wel zo de hem omringenden hem niet zochten te verderven, maar aldus heeft hij God gezocht toen hij jong wast Het is de plicht en het belang van jonge lieden, en zal zeer bijzonder de eer zijn van jonge lieden van aanzien, om zodra zij tot jaren van onderscheid zijn gekomen, te beginnen God te zoeken want die Hem vroeg zoeken, zullen Hem vinden.
4. Dat hij in zijn twaalfde jaar, toen hij waarschijnlijk de teugels van de regering zelf in handen nam, zijn rijk van de overblijfselen van de afgoderij begon te reinigen. Hij vernielde de hoogten, de bossen, de beelden, de altaren en alle gereedschappen van de afgoderij, vers 3, 4.
Hij heeft ze niet slechts, zoals Manasse, buitengeworpen, maar ze tot stof vergruizeld.
Deze vernietiging van de afgoderij wordt hier gezegd in zijn twaalfde jaar te zijn geschied, maar in 2 Koningen 23:23 wordt gezegd dat het in zijn achttiende jaar was, nu, in zijn twaalfde jaar werd er mee begonnen, maar waarschijnlijk heeft hij in dit goede werk wel tegenstand ontmoet, zodat het niet geheel volbracht was voor zijn achttiende jaar, dus zes jaren later, toen het wetboek gevonden was. Hier wordt het gehele werk kort saamgevat, dat veel uitvoeriger en meer in bijzonderheden in het boek van de koningen verhaald werd.
Zijn ijver bracht hem er toe om dit niet alleen in Juda en Jeruzalem te doen, maar ook in de steden van Israël, inzover hij er invloed op kon uitoefenen.