2 Kronieken 1:13-17
1. Hier is: Salomo's ingaan tot de regering, vers. 13. Hij kwam van voor de tent van de samenkomst, en hij regeerde over Israël. Hij wilde geen regeringsdaden doen, voor hij die daad van Godsverering gedaan had, wilde geen eer nemen voor zichzelf, voor hij eer had gegeven aan God, eerst de tabernakel en dan de troon. Maar toen hij wijsheid van God had verkregen, heeft hij zijn talent niet begraven, maar de gave ontvangen hebbende, bediende hij dezelve, hij gaf zich niet over aan gemak en genot, maar legde zich toe op de zaken, hij regeerde over Israël.
2. De pracht en luister van zijn hof, vers 14. Hij vergaderde wagens en ruiters. Zullen wij hem hiervoor prijzen? Wij prijzen hem niet, want het was de koning verboden de paarden voor zich te vermenigvuldigen, Deuteronomium 17:16.
Ik herinner mij niet dat wij ooit zijn Godvruchtige vader in een wagen gevonden hebben of te paard, op zijn hoogst reed hij op een muilezel. Wij moeten er naar streven om hen, die ons voorgegaan zijn, te overtreffen in Godsvrucht veeleer dan in grootheid.
3. De rijkdom en de koophandel van zijn rijk. Goud en zilver maakte hij zeer goedkoop, voor ieder verkrijgbaar, vers 15.
De toeneming van goud vermindert de waarde ervan, maar de toeneming van genade verhoogt haar waarde, hoe meer de mensen daarvan hebben, hoe meer zij haar waarderen, hoeveel beter is het dus om wijsheid te verkrijgen dan goud!
Hij begon ook een handel met Egypte, vanwaar hij paarden en linnen garen invoerde en weer uitvoerde naar de koningen van Syrië met grote winst ongetwijfeld, vers 16, 17. dit hadden wij tevoren, 1 Koningen 10:28. 29.
Het is de wijsheid van vorsten, de industrie te bevorderen en de handel aan te moedigen in hun gebied. Misschien heeft Salomo de wenk begrepen om linnenfabrieken op te richten en het linnen dan uit te voeren naar andere landen, uit wat zijn eigen vlijtige moeder hem leerde toen zij onder de bezigheden van de deugdelijke huisvrouw ook dit noemde: zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en zij levert de koopman gordels, Spreuken 31:24. In alle arbeid is voordeel.