2 Kronieken 7:12-22
Dat God Salomo's gebed aannam werd bewezen door het vuur van de hemel. Maar een gebed kan aangenomen zijn zonder daarom naar de letter te worden verhoord, en daarom verscheen God hem in de nacht, zoals Hij eens tevoren gedaan had, Hoofdstuk. 1:7, ook na een dag van offeranden, evenals toen, en gaf hem een nauwkeurig antwoord op zijn gebed. De substantie daarvan hadden wij tevoren in 1 Koningen 9:2-9.
1. Hij beloofde dit huis te erkennen als een offerhuis voor Israël en een bedehuis voor alle volkeren, Jesaja 56:7 , vers 12 -16.
Mijn naam zal daar zij tot in eeuwigheid, dat is: "daar zal Ik Mij bekendmaken en daar zal Ik aangeroepen worden."
2. Hij beloofde de gebeden Zijns volks te zullen verhoren, die te eniger tijd aan die plaats tot Hem opgezonden zullen worden, vers 13-15.
a. Er worden hier nationale rampen en oordelen ondersteld, vers 13, honger en pestilentie. Met de sprinkhanen, die het land verteren of verslinden, kunnen vijanden bedoeld zijn, even gulzig als sprinkhanen, die alles verwoesten.
b. Nationale bekering gebed en reformatie worden vereist, vers 14..
God verwacht dat Zijn volk, dat naar Zijn naam genoemd is, indien zij Zijn naam hebben onteerd door ongerechtigheid, hem zullen eren door de straf hunner ongerechtigheid aan te nemen.
Zij moeten zich vernederen onder Zijn hand, moeten bidden om de wegneming van het oordeel, moeten het aangezicht en de gunst van God zoeken, en toch zal dit alles niet baten tenzij zij zich afkeren van hun bozen weg, en terugkeren tot God die zij hadden verlaten en tegen wie zie hadden gerebelleerd.
c. Dan wordt nationale genade beloofd, beloofd dat God hun zonde zal vergeven, die het oordeel over hen gebracht heeft, beloofd dat Hij dan hun land zal genezen en al hun leed zal wegnemen.
Vergevende genade bereidt de weg voor genezende genade, Psalm 103:3, MATTHEUS. 9:2.
3. Hij beloofde Salomo's koninkrijk te bestendigen op voorwaarde dat hij zal volharden in zijn plicht, vers 17, 18.
Indien hij hoopte op het voorrecht van Gods verbond met David dan moet hij Davids voorbeeld volgen.
Maar hij stelt hem de dood voor, zowel als het leven, de vloek, zowel als de zegen. A. Hij onderstelt de mogelijkheid dat zij hoewel zij deze tempel ter ere Gods hadden gebouwd, toch ter zijde afgeleid kunnen worden, om andere goden te dienen, vers 19. Hij kende hun neiging tot die zonde.
B. Hij dreigt het als zeker, dat, zo zij dit doen, het verderf van kerk en staat er het onvermijdelijk gevolg van zijn zal.
a. Het zal het verderf wezen van hun staat, vers 20. "Hoewel zij diep wortel hebben geschoten in dit goede land en er gedurende langen tijd in gevestigd waren, zal Hij hen er toch uitrukken, de gehele natie ervan uitroeien, hen uitrukken, zoals de mensen onkruid uitrukken uit hun tuin en het op de mesthoop werpen."
b. Het zal het verderf wezen van hun kerk. Dit heiligdom zal geen toevlucht, geen vrijplaats voor hen zijn om hen te beschermen tegen de oordelen Gods, zoals zij zich inbeeldden toen zij zeiden: Des Heeren tempel zijn wij, Jeremia 7:4.
"Dit huis, dat verheven zal geweest zijn, niet alleen vanwege de pracht, waarmee het gebouwd is, maar vanwege het doel, waarvoor het bestemd was, zal een ontzetting wezen, het zal wonderbaarlijk omlaag gedaald zijn, Klaagliederen 1:9, tot verbazing van al de naburen."