2 Kronieken 19:1-4
Hier is:
I. De grote gunst, die God aan Josafat bewees:
1. Door hem veilig van zijn gevaarvolle expeditie met Achab terug te brengen, welke hem bijna zo duur te staan was gekomen, vers 1.
Hij keerde met vrede weer naar zijn huis. Hiervan wordt nota genomen, om te kennen te geven:
a. Dat het hem beter ging dan hij verwacht had. Hij was in dreigend, nakend gevaar geweest, en toch is hij veiligen in vrede tehuis gekomen.
Telkenmale als wij in vrede wederkeren naar ons huis, moeten wij Gods voorzienigheid erkennen, onze uitgang en onze ingang bewarende. Maar als wij in meer dan gewoon gevaar bewaard zijn gebleven, dan zijn wij in zeer bijzonderen zin gehouden en verplicht om dankbaar te wezen. Er was misschien slechts een schrede tussen ons en de dood, en toch leven wij.
b. Dat het hem beter ging dan hij verdiende, hij was buiten de weg van zijn plicht, was op een expeditie uitgegaan, waarvan hij aan God geen goede rekenschap kon geven, die hij voor zijn eigen geweten niet kon verantwoorden, en toch is hij in vrede wedergekeerd, want God is niet ten uiterste streng om ons alles toe te rekenen wat wij verkeerds doen, en Hij onthoudt ons ook Zijn bescherming niet telkenmale als wij haar verbeuren.
c. Dat het hem beter is gegaan dan Achab, de koning Israëls, die dood naar huis werd gebracht. Josafat had wel gezegd: ik zal zijn gelijk gij zijt, maar God maakte verschil tussen hen, want Hij kent de weg des rechtvaardigen, maar de weg des goddelozen zal vergaan.
Onderscheidende genade en zegeningen leggen ons zeer bijzondere verplichtingen op, twee koningen zijn tezamen op het slagveld, de een wordt aangenomen, de ander verlaten, de een tehuis gebracht in bloed, de ander in vrede.
2. Door hem een bestraffing te zenden wegens zijn verbintenis met Achab. Het is een grote genade, als wij opmerkzaam worden gemaakt op onze fouten, en ons intijds gezegd wordt waarin wij verkeerd hebben gedaan, eer het te laat is. De profeet, door wie de bestraffing gezonden wordt, is Jehu, de zoon van Hanani, de vader was een groot, uitnemend profeet onder de vorige regering, zoals hieruit blijkt, dat Asa hem in de gevangenis heeft gezet om zijn openhartige, trouwe bestraffing, en toch heeft de zoon niet gevreesd een anderen koning te bestraffen.
Paulus wenste dat zijn zoon Timotheus niet slechts niet ontmoedigd zou worden door zijn lijden, maar er door bemoedigd en aangevuurd zal worden, 2 Timotheus 3:11, 14.
a. De profeet zegt hem onomwonden dat hij zeer slecht gedaan heeft door zich met Achab te verenigen. "Zoudt gij, een Godvruchtig man, de goddeloze helpen, hem de hand van de gemeenschap reiken, hem een helpende hand bieden? Zult gij aan uw hart koesteren hen, die de Heere van verre aanziet?" Het is het zwarte karakter van de goddelozen, dat zij haters Gods zijn, Romeinen 1:30.
Afgodendienaars worden aldus aangeduid in het tweede gebod, en daarom betaamt het hun, die God liefhebben niet een welbehagen in hen te hebben of gemeenzaam met hen te worden. "Zou ik niet haten, zegt David, die U haten?" Psalm 139:21, 22.
Zij, die door de genade Gods geëerd werden, moeten zich niet verlagen. Gods kinderen moeten van Gods mening zijn.
b. Dat God dieswege misnoegd op hem was. "Nu is daarom over u van het aangezicht des Heeren grote toornigheid, en gij moet door berouw u met Hem verzoenen of het zal des te erger voor u zijn." Hij deed dit en Gods toorn werd afgewend. Maar de benauwdheid waarin hij kwam die in het volgende hoofdstuk verhaald is was een bestraffing voor hem wegens zijn zich mengen in een twist, die hem niet aanging.
Als hij zo belust is op oorlog, zal hij er genoeg van hebben. En het grote kwaad, dat na hem over zijn nakomelingen door het huis van Achab gekomen is, was de rechtvaardige straf voor zijn zich vermaagschappen met dat huis.
c. Maar hij neemt nota van hetgeen prijzenswaardig in hem was, zoals wij behoren te doen als wij een bestraffing moeten geven, vers 3.
"Evenwel, goede dingen zij bij u gevonden, en daarom zal God, hoewel Hij misnoegd op u is, u toch niet verwerpen." Zijn vernietigen van afgoderij met een standvastig hart voor de Heere en zijn zoeken van Hem ware goede dingen, die God aannam, en Hij wilde dat hij daarmee zou voortgaan.
II. In dankbaarheid aan God voor deze gunst is Josafat nu teruggekeerd tot zijn plicht. Hij heeft de bestraffing goed opgenomen, was niet zoals zijn vader toornig op de profeet, maar onderwierp zich.
De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn. Zie de uitwerking, die de bestraffing op hem gehad heeft:
1. Hij woonde te Jeruzalem, vers 4, behartigde zijn zaken thuis, en wilde zich niet aan gevaar blootstellen door soortgelijke bezoeken, als hij aan Achab gebracht heeft.
Bestraf de wijze, zo zal hij nog wijzer worden, en zal zich laten waarschuwen, Spreuken 9:8, 9.
2. Om vergoeding te doen-gelijk ik wel mag zeggen-voor zijn bezoek aan Achab deed hij Godvruchtige, nuttige bezoeken in zijn eigen land. Hij toog wederom uit, in eigen persoon, door het volk, van Berseba in het zuiden af tot het gebergte Efraïm in het noorden toe en deed hen wederkeren tot de HEERE, hunner vaderen God, dat is: hij deed al wat hij kon daarvoor.
a. Door hetgeen de profeet had gezegd bemerkte hij dat zijn vorige pogingen tot hervorming de Heere welbehaaglijk waren, en daarom heeft hij dit werk weer opgevat en deed hij wat ongedaan was gebleven. Het is goed als wij aldus door lof aangevuurd worden tot onze plicht, en hoe meer wij geprezen worden voor weldoen, hoe krachtiger wij zijn in wèldoen.
b. Misschien bevond hij dat zijn verwantschap met het afgodische huis van Achab en zijn verbintenis met het rijk van Israël een slechten invloed hebben gehad op zijn eigen rijk, wij kunnen onderstellen dat velen zich er door verstoutten om tot afgoderij over te gaan, toen zij zelfs hun eigen hervormden koning op zo vertrouwelijker voet zagen met afgodendienaars, en daarom achtte hij zich nu dubbel verplicht om te doen wat hij kon, om hen op de goeden weg terug te brengen. Indien wij waarlijk berouw hebben van onze zonde, dan zullen wij alles doen wat wij kunnen om de schade, die wij er door gedaan hebben aan de Godsdienst of aan de zielen van anderen, te herstellen. Zeer bijzonder is het de wens onzes harten om hen, die door ons voorbeeld in zonde gevallen zijn of er in verhard werden, wederom tot God en hun plicht te zien gebracht.