Numeri 31:1-6
1. De Heere der heirscharen geeft hier bevel aan Mozes om oorlog te voeren tegen Midian en Zijn bevel, of lastbrief, heeft deze oorlog ongetwijfeld gerechtvaardigd, hoewel een oorlog zonder zodanig bevel niet gerechtvaardigd zou zijn. De Midianieten waren nakomelingen van Abraham bij Ketura, Genesis 25:2. Sommigen van hen vestigden zich ten zuiden van Kanaän onder wie Jethro heeft gewoond, en deze behielden de aanbidding van de ware God, maar anderen van hen hadden zich ten oosten van Kanaän gevestigd en waren tot afgoderij vervallen, zij waren naburen van de Moabieten en in verbond met hen. Hun land was niet bestemd om aan Israël gegeven te worden, en Israël zou hen ook wel ongemoeid hebben gelaten, indien zij zich niet blootgesteld hadden aan Israëls wrok door hun slechte vrouwen onder hen te zenden en hen tot hoererij en afgoderij te verlokken. Dat was de belediging, het hun aangedane kwaad. Hiervoor, (zegt God) neem de wraak van de kinderen Israëls van de Midianieten, vers 2.
a. God wilde de Midianieten gekastijd hebben, er moest een vijandelijke inval gedaan worden in dat deel van hun land, dat het dichtst bij Israëls leger was gelegen, en betrokken was geweest in dit kwaad, meer misschien dan de Moabieten, die daarom ook ongemoeid bleven. God wil dat wij diegenen tot onze grootste vijanden zullen rekenen, die ons tot zonde brengen, en dat wij hen zullen mijden. En daar een ieder verzocht wordt als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt, en deze de Midianieten zijn, die ons verstrikken door hun listen, behoren wij onze wraak van hen te nemen, niet alleen geen verbond met hen aangaan, maar strijd tegen hen te voeren door een leven te leiden van doding van het vlees. God heeft op Zijn eigen volk wraak genomen omdat zij aan van de Midianieten verleiding hebben toegegeven, maar nu moet met de Midianieten afgerekend worden van wie de verzoeking is uitgegaan, want Zijns is de dwalende en die doet dwalen, Job 12:16, beide zijn verantwoordelijk aan Hem, en hoewel het oordeel begint van het huis Gods, 1 Petrus 4:17, zal het er toch niet eindigen. De dag komt, wanneer wraak zal genomen worden van hen, die dwaling en bederf in de kerk gebracht hebben, en de duivel, die de mensen verleidde, zal in de poel des vuurs geworpen worden. Israëls twist met Amalek, dat tegen hen streed, werd niet dan lang daarna gewroken, maar hun twist met Midian, dat hen tot zonde verleidde, werd spoedig gewroken, want zij werden als veel gevaarlijker en boosaardiger vijanden beschouwd.
b. God wilde dat dit gedaan zou worden door Mozes, nog bij zijn leven, opdat hij, die dit kwaad zo diep gevoeld heeft, de voldoening zou hebben van het gewroken te zien. "Zie, dat deze wraakoefening op de vijanden van God en Israël geschiedt, daarna zult gij verzameld worden tot uw volkeren." Dat was de enige dienst van die aard, die Mozes nog doen moest, en dan heeft hij als de dagloner, zijn dag vervuld, en zal hij zijn quietus hebben, ingaan tot Zijn rust. Tot hiertoe moet zijn openbare arbeid gaan, en niet verder, de oorlogen van Kanaän moeten door een andere hand gevoerd worden. Soms neemt God nuttige mensen weg, als wij denken dat zij slecht gemist kunnen worden, maar dit moet ons tot voldoening zijn, daar zij toch nooit weggenomen worden, voor zij het voor hen bestemde werk volbracht hebben.
2. Mozes geeft orders aan het volk om zich voor deze veldtocht te bereiden, vers 3. Hij wilde niet het gehele leger doen uittrekken maar sommigen van hen moeten zich ten strijde toerusten, de zodanigen, die of het meest geschikt, òf het ijverigst waren, om de wraak des Heeren te doen aan de Midianieten. God zei: Neem de wraak van de kinderen Israëls, Mozes zegt: Neem de wraak des Heeren, want de belangen van God en Israël zijn verenigd, en beider zaak is een en dezelfde. En zo God in hetgeen Hij doet zich ijverig betoont voor de eer van Israël, dan voorzeker moet Israël, in hetgeen zij doen, zich ijverig betonen voor de eer van God. Dan alleen kunnen wij onze wraakoefening rechtvaardigen, als het de wraak des Heeren is, die wij doen. Ja om die reden is het ons verboden ons te wreken, omdat God gezegd heeft: Mij is de wraak, Ik zal het vergelden.
3. Dienovereenkomstig wordt een legerafdeling gevormd voor deze dienst, van iederen stam duizend man, twaalf duizend in het geheel, een klein getal in vergelijking met wat zij hadden kunnen zenden, klein ook waarschijnlijk in vergelijking van het aantal vijanden, tegen wie zij uitgezonden werden. Maar God wilde hen leren dat bij Hem geen verhindering is om te verlossen door velen of door weinigen, 1 Samuël 14:6.
4. Pinehas, de zoon van Eleazar, wordt met hen uitgezonden. Het is vreemd dat geen melding wordt gemaakt van Jozua in dit grote krijgsbedrijf. Indien hij de opperbevelhebber was van dit leger, waarom zien wij het hem dan niet aanvoeren? Indien hij thuis bleef waarom vinden wij hem dan niet met Mozes om hen bij hun terugkeer tegemoet te gaan? Het is waarschijnlijk dat er, omdat iedere stam zijn eigen hoofdman heeft over duizend, geen opperbevelhebber was, maar dat zij uittrokken naar de orde van hun mars door de woestijn, Juda waarop, en de overigen op hun plaats, onder het bevel van hun respectieve bevelhebbers, vermeld in vers 48. Doch daar de oorlog een heilige oorlog was, was Pinehas hun algemeen hoofd, niet om de plaats in te nemen van een generaal, maar om door de Godsspraak de besluiten van hun krijgsraden te bepalen waarin de oversten van duizenden allen zullen berusten, en naar welke zij hun gemeenschappelijke handeling zullen regelen. Daarom heeft hij de heilige vaten medegenomen, de borstlap van het gericht waarschijnlijk, door welke God in enigerlei moeilijke omstandigheid geraadpleegd kon worden. Hoewel hij de hogepriester nog niet was kon hij pro hac vice voor deze bijzondere gelegenheid gevolmachtigd worden, om de urim en tummim te dragen, zoals 1 Samuël 25:6. Er was een bijzondere reden voor het zenden van Pinehas als hoofd van deze expeditie, hij had zich reeds onderscheiden door zijn ijver tegen de Midianieten en hun gevloekte listen om Israël te verstrikken, toen hij Kozbi, de dochter van een overste van een vaderlijk huis onder de Midianieten, had gedood, Hoofdstuk 25:15. Hij die het zwaard van de gerechtigheid zo goed gebruikt had tegen een particuliere misdadiger, was het meest bevoegd om het oorlogszwaard te besturen tegen geheel de natie. Over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten.