Richteren 15:18-20
Hier is de benauwdheid, waarin Simson na zijn grote heldendaad heeft verkeerd, vers 18. Hij had erge dorst. Het was een natuurlijke uitwerking van de grote warmte, waarin hij gekomen was, en van zijn grote inspanning. Zijn ijver verteerde hem, verslond hem, en maakte dat hij zichzelf vergat, totdat toen hij tijd had om even op adem te komen, hij zich in de uiterste nood zag uit gebrek aan water, en hij op het punt was van te bezwijken. Misschien was daar zeer bijzonder de hand Gods in, zoals in geheel dit voorval, en wilde God hem hierdoor bewaren van hoogmoedig te worden op zijn grote kracht en zijn heldendaden en hem doen weten, dat hij slechts mens was, onderhevig aan de rampen waaraan alle mensen zijn blootgesteld. En Josephus zegt: Het was bedoeld als een kastijding voor hem, omdat hij geen melding had gemaakt van God in zijn gedachtenis van de overwinning die hij had verkregen, maar er zich al de lof van had toegeëigend, Ik heb duizend man geslagen. Nu hij op het punt is van dorst om te komen, is hij onder het diepe besef, dat zijn eigen arm hem geen heil had kunnen werken zonder Gods rechterhand en Zijn arm. Simson had het bloed van de Filistijnen gedronken, maar nooit zal bloed iemands dorst lessen. Gods voorzienigheid had het zo beschikt, dat er geen water in zijn nabijheid was, en hij was zo vermoeid, dat hij niet ver kon gaan om het te zoeken. Men zou zo denken dat de mannen van Juda hem, nu hij overwinnaar was gebleven, tegemoet zouden zijn gegaan met brood en wijn, zoals Melchizedek daar Abraham mee tegemoet is gegaan, teneinde het kwaad te vergoeden, dat zij hem gedaan hadden, maar zó weinig notitie hebben zij genomen van hun verlosser, dat hij op het punt was van te sterven uit gebrek van een teug water. Zo wordt dikwijls de meeste geringschatting betoond aan hen, die de grootste diensten hebben bewezen. Christus aan het kruis zei: Mij dorst.
II. Zijn gebed tot God in deze benauwdheid. Zij, die vergeten tot God te gaan met hun lof, kunnen wel eens genoodzaakt worden tot Hem te gaan met hun gebed. Beproevingen worden dikwijls gezonden, om ondankbare mensen tot God te brengen. In zijn gebed tot God pleit hij op twee dingen:
1. Op zijn ervaring van de macht en goedheid van God in de nu verkregen voorspoed: Gij hebt door de hand uws knechts dit grote heil gegeven. Hij erkent zich Gods dienstknecht in hetgeen hij gedaan heeft: "Heere, zult Gij Uw arme dienstknecht niet aanzien, die zich in Uw dienst heeft vermoeid en afgemat? Ik ben de Uwe, red mij." Hij noemt deze verlossing een groot heil, want zo God hem niet geholpen had, dan zou hij niet slechts de Filistijnen niet overwonnen hebben, maar door hen zijn verzwolgen. Hij erkent dat dit heil van God kwam, en nu herstelt hij zijn vorige vergissing, waarmee hij het te veel aan zichzelf heeft toegeschreven, en hierop pleit hij in zijn benauwdheid. Vroegere ervaringen van Gods macht en goedheid zijn voortreffelijke pleitgronden in het gebed om nog verdere hulp en zegen. "Heere, Gij hebt dikwijls verlost wilt Gij niet nog verder verlossen? 2 Corinthiers 1:10. Gij zijt begonnen. zult Gij niet voleindigen? Gij hebt het meerdere gedaan, zult Gij niet ook het mindere doen?" Psalm 56:14.
2. Dat hij nu aan zijn vijanden is blootgesteld: zou ik dan vallen in de hand van deze onbesnedenen? Dan zullen zij juichen, het vertellen in Gath, en in de straten van Askelon, en zal het niet tot oneer wezen van God als Zijn kampioen zo gemakkelijk een prooi wordt voor de onbesnedenen?" De beste pleitgronden zijn die, welke ontleend zijn aan Gods eer en heerlijkheid. III. De tijdige hulp, die God hem zond. God verhoorde zijn gebed en zond hem water, hetzij uit het kinnebakken, of uit de aarde door het kinnebakken, vers 19. Dat kinnebakken, dat hij tot een werktuig had gemaakt voor de dienst van God, heeft God, om hem te belonen, als werktuig gebruikt om te voorzien in zijn behoefte. Maar ik neig veeleer tot de lezing in de kanttekening namelijk dat God de holle plaats kloofde, die in Lechi is. De plaats, waar deze handeling geschied is, werd naar het ezelskinnebakken Lechi genoemd, zelfs voordat die handeling plaatshad, vinden wij haar aldus genoemd, vers 9, 14. En daar, in dat veld, of heuvel, of vlakte, of wat het ook geweest zij, deed God plotseling en tijdig vlak bij hem een fontein ontspringen, waaruit overvloedig water opborrelde, en die altijd daarna een fontein is gebleven. Van dit frisse water dronk hij, en werd verkwikt. Wij zouden dankbaarder zijn voor de zegen van water, als wij bedachten hoe slecht wij het kunnen missen. En dit voorbeeld van hulp en verlichting voor Simson moet ons aanmoedigen om op God te vertrouwen en Hem te zoeken, want als het Hem behaagt kan Hij rivieren op de hoge plaatsen openen. Zie Jesaja 41:17, 18.
IV. De gedachtenisstichting hiervan in de naam, die Simson aan deze plotseling ontstane fontein heeft gegeven: En Hakkore, de fontein des aanroepers, daarmee de gedachtenis bewarende van zijn eigen benauwdheid, die hem deed roepen tot God en Gods gunst over hem in antwoord op zijn roepen. Menige bron van vertroosting opent God voor Zijn volk, die zeer gepast bij die naam genoemd kan worden: de fontein des aanroepers. Simson had een naam gegeven aan die plaats, die hem groot en overwinnend voorstelde: Ramath-Lechi, de opheffing van het kinnebakken, maar hier geeft hij er een anderen naam aan, die hem als behoeftig en afhankelijk doet kennen.
Eindelijk. De duur van Simsons regering na deze krijgsverrichtingen, vers 20. Eindelijk heeft Israël zich onderworpen aan hem, die zij hadden verraden. Nu was het onbetwistbaar dat God met hem was, zodat zij van nu voortaan hem allen erkenden, en zich door hem lieten besturen als hun richter, "de steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden." Het geeft de zeer treurige toestand van Israël te kennen dat de regering gerekend werd naar de dagen van de Filistijnen, maar het was een zegen voor Israël dat zij, hoewel verdrukt door een buitenlandse vijand, toch een richter hadden, die de orde bewaarde, en hen er voor behoedde om elkaar te verderven. Twintig jaren heeft zijn regering geduurd, maar er zijn ons geen bijzonderheden van meegedeeld, behalve van het begin van zijn regering in dit hoofdstuk, en het einde er van in het volgende.