Richteren 18:7-13
I. Hier is de waarneming van de verspieders van de stad Laïs, en van de toestand van de inwoners, vers 7. Nooit was een plaats zo slecht geregeerd en zo slecht bewaakt, waardoor zij een gemakkelijke prooi werd voor de aanvaller.
1. Zij was slecht geregeerd, want iedereen kon zo slecht wezen als hij verkoos, en er was geen magistraat, geen erfgenaam des bedwangs, zoals het oorspronkelijke woord luidt, die iemand om enige zaak ook maar schande aandeed, veel minder ter dood bracht, zodat zij door de verregaandste onzedelijkheid God tot toorn verwekten, en door allerlei wederzijds onrecht elkaar verzwakten en verteerden. Zie hier:
a. Wat het ambt is van de magistraten, zij moeten de erfgenamen zijn van het bedwang of van de beteugeling, dat is een immer voortdurende macht hebben, die van de een op de ander overgaat zoals erfgenamen van een bezitting, in de plaatsen waar zij zijn ter beteugeling van kwaad. Zij zijn bezitters van bedwang, hiertoe met gezag bekleed, ten einde alles wat kwaad is te onderdrukken, en een vreze te zijn de kwaden. Het is alleen Gods genade, die het verdorven gemoed van de mensen kan vernieuwen, en hun hart kan bekeren, of omwenden, maar de macht van de magistraten kan hun boze praktijken in toom houden, en hun handen binden, zodat de boosheid van de bozen niet zoveel kwaad aanricht, of zo besmettelijk is en zo overheersend, als anders het geval zou wezen. Hoewel het zwaard van de gerechtigheid de wortel van de bitterheid niet kan uitroeien, kan het toch zijn loten en takken afsnijden, zijn groei en zijn verspreiding verhinderen, opdat de ondeugd niet zonder teugel of bedwang zij, want dan wordt zij vermetel en gevaarlijk, en de gemeenschap deelt in haar schuld.
b. Zie welke methode gevolgd moet worden ter beteugeling van de boosheid. De zondaren moet schande aangedaan worden, opdat zij, die niet in bedwang gehouden willen worden door het schandelijke van de zonde voor God en hun eigen geweten, in bedwang gehouden zullen worden door het schandelijke van de straf voor de mensen. Alle middelen moeten beproefd worden om de zonde te ontmoedigen en haar met schande te bedekken, ten einde de mensen beschaamd te maken over hun traagheid, luiheid, dronkenschap, hun liegen en bedriegen en hun andere zonden, door eer en roem altijd aan de zijde van de deugd te brengen.
c. Zie hoe ongelukkig en hoe nabij de ondergang die plaatsen zijn die òf geen magistraten hebben, òf dezulken, die het zwaard tevergeefs dragen, "dan draven de goddelozen rondom," Psalm 12:9. En hoe gelukkig wij zijn in goede wetten en een goede regering.
2. Zij was slecht bewaakt. Het volk van Laïs was zorgeloos, stil en gerust, hun poorten bleven open, hun muren waren bouwvallig, omdat zij generlei gevaar vermoedden, of vreesden, hoewel hun goddeloosheid zo groot was dat zij alle reden hadden, om elke dag de wraak Gods te vrezen. Het was een teken dat de Israëlieten vanwege hun traagheid en lafhartigheid thans niet zo'n schrik waren voor de Kanaänieten, als toen zij voor het eerst onder hen verschenen, want anders zou de stad Laïs, die waarschijnlijk wel wist dat zij hun toegewezen was, niet zo gerust zijn geweest. Hoewel het een open landstad was, leefden zij gerust, naar de wijze van de Zidoniërs, die omringd waren door de zee, en ook wèl versterkt waren, door de kunst zowel als door de natuur. Maar zij waren ver van de Zidoniërs, die hun dus niet te hulp konden komen, hen niet konden verdedigen tegen het gevaar, waarin zij, door hun zeden te verderven, zich gebracht hadden. En eindelijk: zij hadden niets te doen met enig mens, waarmee òf hun luiheid en vadsigheid wordt te kennen gegeven-zij oefenen geen beroep uit en werden aldus lui en weelderig, volstrekt onmachtig om zich te verdedigen-òf de onafhankelijkheid, waarin zij wilden leven, daar zij aan geen hunner naburen onderworpen wilden zijn, en met geen hunner een verbond wilden aangaan, en zo was er dan ook niemand om hen te beschermen, of hun enigerlei hulp aan te brengen. Zij bekommerden zich om niemand en daarom bekommerde niemand zich om hen. Zo waren de mannen van Laïs.
II. De aanmoediging, welke zij deswege gaven aan hun stamgenoten, die hen gezonden hadden, om hun aanslag op deze stad ten uitvoer te brengen, vers 8-10. De Danieten hadden waarschijnlijk gedacht dat er onoverkomelijke moeilijkheden in de weg waren voor deze onderneming, dat het onmogelijk voor hen was om zich van Laïs meester te maken, en daarom waren zij zolang buiten het bezit er van gebleven, misschien ook wel in hun ongeloof het denkbeeld opperende, dat het land niet van de moeite waard was om er zo ver voor te gaan, of er zich aan zoveel gevaar voor bloot te stellen. Op deze vrees en bezorgdheid hadden de verspieders (en hierin waren zij geen boze verspieders) het oog in hun rapport.
1. Zij stelden de plaats voor als zeer begerenswaardig. "Indien gij op ons oordeel wilt afgaan, welnu, wij hebben dat land bezien, en wij stemmen overeen in onze beschouwing er van, namelijk dat het zeer goed is, vers 9, beter dan dit bergachtig land, waarin wij hier door de Filistijnen samengedrongen zijn. Gij behoeft er niet aan te twijfelen dat gij er genoegelijk en in overvloed zult leven, want het is een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding dat op de aarde is," vers 10. Zie, welk een goed land Kanaän was, dat deze stad, die het verst van allen noordwaarts lag, in de verste uithoek van het land, op zo'n vruchtbare plek gronds stond.
2. Zij stellen het voor als uitvoerbaar, zij twijfelen volstrekt niet, of zij zullen er, met Gods zegen, spoedig in het bezit van zijn, want het volk is zorgeloos, vers 10. En hoe geruster zoveel minder veilig God heeft het in uw hand gegeven, en gij hebt het maar voor het nemen." Zij wekken hen op tot de onderneming. "Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken laat ons het spoedig en met vastberadenheid doen. Zij verwijten hun hun talmen en uitstellen, berispen hen om hun luiheid. Zoudt gij dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken. De mensen hebben het nodig om aldus, zelfs om hun eigen belangen te behartigen, opgewekt te worden. De hemel is een zeer goed land, waar geen gebrek is van enig ding, onze God heeft het door de belofte in onze hand gegeven, laat ons dan niet traag zijn om ons er van te verzekeren en het eeuwige leven aan te grijpen, maar strijden om in te gaan.
III. De veldtocht van de Danieten tegen Laïs. Het geslacht van hun stam, waaraan deze stad ten deel was gevallen, maakt zich nu eindelijk op om er bezit van te gaan nemen, vers ll-13. Het aantal krijgslieden bedroeg slechts zes honderd, geen honderdste deel dus van die stam want toen zij Kanaän binnentrokken waren de getelden van de Danieten meer dan vier en zestig duizend, Numeri 26:43. Het was vreemd dat geen van hun broederen uit hun eigen stam veel minder nog van die uit andere stammen hun te hulp kwam, maar het was lang nadat Israël in Kanaän was gekomen, eer zich onder hen zorg of belangstelling openbaarde voor het algemene welzijn, hetgeen de reden was waarom zij zich zelden onder één hoofd verenigden, en hierdoor bleven zij zwak en onbeduidend. Uit vers 21 blijkt dat deze zeshonderd man het totale aantal uitmaakten van hen, die zich daar vestigden, want zij hadden hun gezinnen en hun goederen medegenomen, de kinderen en het vee, zo zeker waren zij van voorspoed. De andere stammen gaven hun vrije doortocht door hun grondgebied, hun eerste dagreis bracht hen naar Kirjath-Jearim, vers 12, en zo zeldzaam waren militaire kampementen thans in Israël geworden, dat de plaats, waar zij die nacht verbleven, daarnaar Machane-Dan, het kamp van Dan, genoemd werd, en waarschijnlijk is de plaats, vanwaar zij hun tocht begonnen, tussen Zora en Esthaol, naar dezelfde naam genoemd, en bedoeld in Hoofdstuk 13:25. Hun tweede dagreis bracht hen naar het gebergte van Efraïm, nabij het huis van Micha, vers 13, en daar moeten wij een wijle blijven.