1 Samuël 2:27-36
Eli heeft zijn zonen te zacht bestraft, hen niet gedreigd, zoals hij had behoren te doen, en daarom zond God hem een profeet, om hem scherp te bestraffen en hem te dreigen, omdat hij door zijn toegevendheid hun handen gesterkt had in hun goddeloosheid. Indien Godvruchtige mensen tekortkomen in hun plicht, door hun onverschilligheid en nalatigheid bijdragen tot de zonde van de zondaren, dan moeten zij verwachten er van te zullen horen en er voor te zullen boeten. Eli's geslacht was toen nader bij God dan al de geslachten van de aarde, daarom zal Hij al hun ongerechtigheden over hen bezoeken, Amos 3:2. De boodschap wordt aan Eli zelf gezonden, omdat God hem tot berouw wilde brengen en hem wilde behouden, niet aan zijn zonen, die Hij besloten had te verderven. En het zou een middel hebben kunnen zijn om hem op te wekken om eindelijk zijn plicht te doen, en aldus het oordeel te voorkomen, maar wij bevinden niet dat het een grote uitwerking op hem had.
De boodschap, die deze profeet brengt van God, is zeer ernstig.
I. Hij herinnert hem aan de grote dingen, die God gedaan had voor het huis van zijn vaderen, en voor zijn geslacht. Hij is aan Aaron verschenen in Egypte, Exodus 4:27, in het diensthuis, als een teken van verdere gunsten die Hij voor hem bestemd heeft, vers 28. Hij bevorderde hem tot het priesterschap, maakte dit erflijk in zijn geslacht, en eerde dat hierdoor boven al de geslachten Israëls. Hij heeft hem eervol werk toevertrouwd, op Gods altaar te offeren, reukwerk aan te steken, en de efod te dragen, waarop de borstlap des gerichte was bevestigd. Hij heeft hem een goed en eervol onderhoud toegekend, een deel van al de vuurofferen, vers 28. Wat had Hij meer voor hen hebben kunnen doen om hen tot getrouwheid aan Hem op te wekken? Door de onderscheidende gunsten, die wij van God ontvangen hebben, inzonderheid die van het geestelijk priesterschap, wordt onze zonde grotelijks verzwaard, en zij zullen tegen ons gedacht worden ten dage van de verantwoording, als wij onze kroon ontheiligen en het in ons gestelde vertrouwen verraden, Deuter. 32:6, 2 Samuël 12:7, 8.
II. Hij brengt een zware beschuldiging in tegen hem en zijn geslacht, zijn kinderen handelden goddelooslijk, en hij liet het oogluikend toe, zodat hij medeplichtig werd aan hun zonde, de beschuldiging wordt derhalve tegen hen ingebracht, vers 29.
1. Zijn zonen hadden goddelooslijk de heilige dingen Gods ontwijd: "gijlieden slaat achteruit tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn spijsoffer, hetwelk Ik geboden heb, gij vertreedt de inzetting niet slechts als iets gemeens, maar gij slaat er tegen achteruit als het hatende om er aan gebonden te zijn." Zij deden de offeranden des Heeren de grootst-mogelijke smaadheid aan, toen zij al dat geweld en die roof er aan pleegden, waarvan wij lezen, de potten en pannen plunderden, waarop zo goed als "heiligheid des HEEREN" geschreven stond, Zacheria 14:20, en het vet voor zich namen, dat God geboden had op Zijn altaar te verbranden.
2. Eli had hen hierin geschraagd door hun onbeschaamdheid en goddeloosheid niet te straffen. "Wat u betreft, gij eert uw zonen meer dan Mij", dat is: gij wilt veeleer Mijne offeranden onteerd zien door hun ontwijding er van, dan uw zonen onteerd te zien door een wettelijke censuur over hen wegens dit hun doen, en die censuur had op hen toegepast moeten worden zelfs met schorsing en ontzetting "ab officio et beneficio uit hun ambt en bezolding". Zij, die hun kinderen steunen in een bozen weg, en hun gezag niet aanwenden om hen te beteugelen en te straffen, eren hen meer dan God, daar zij meer zorgzaam zijn voor hun goede naam dan voor Zijn eer, en meer begerig om hun toe te geven in hun luimen dan om Hem te eren.
3. Zij hadden allen gedeeld in het gewin van de heiligschennis. Het is te vrezen dat Eli zelf, hoewel hem de misbruiken waaraan zij zich schuldig maakten, mishaagden en hij ze bestrafte, toch niet nagelaten heeft om van het gebraad te eten, dat zij op zo heiligschennende wijze verkregen hebben, vers 15, hij was een zwaar-of vet-man, Hoofdstuk 4:18, en daarom wordt dit aan de gehele familie ten laste gelegd, (ofschoon Hofni en Pinehas de voornaamste schuldigen waren) gijlieden mest u van het voornaamste aller spijsofferen. God heeft hun genoeg gegeven om van te leven, maar dat voldeed hen niet, zij mestten zich en dienden hun lusten met hetgeen, waarmee God gediend moest worden. Zie Hosea 4:8.
III. Hij kondigt aan dat het erfrecht van het hogepriesterschap aan zijn geslacht ontnomen zal worden, vers 30. "De Heere de God Israëls, die ijvert voor Zijn en Israels eer, zegt en doet het u weten, dat het ambt ulieden ontnomen wordt." Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders (Ithamars) huis, (want van die jongere zoon van Aaron is Eli afgestamd) zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid. Bij welke gelegenheid de waardigheid van het hogepriesterschap is overgegaan van het geslacht van Eleazar in dat van Ithamar blijkt niet, maar dit schijnt geschied te zijn, en Eli had het vooruitzicht dat die eer bestendigd zou worden in zijn geslacht. Doch merk op: de belofte ging vergezeld van haar voorwaarde: zij zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid, dat is: Zij zullen die eer hebben, mits zij getrouwelijk de dienst doen, wandelen voor Gods aangezicht is de grote voorwaarde van het verbond, Genesis 17:1. Laat hen Mij voor hun aangezicht stellen, dan zal Ik hen voor Mijn aangezicht stellen in eeuwigheid, Psalm 41:13, maar anders niet. Maar nu spreekt de Heere: Dat zij verre van Mij, " Nu gij Mij verlaat, kunt gij niets anders verwachten, dan dat Ik u zal verstoten, gij wilt niet voor Mijn aangezicht wandelen, zoals het behoort, en daarom zult gij het niet, " zulke boze en beledigende dienstknechten zal God afdanken en uit Zijn dienst wegzenden. Sommigen denken dat er in deze herroeping van de schenking nog een verdere strekking is, en dat zij niet slechts binnenkort ten uitvoer zal gebracht worden in het ontzetten van Eli's nakomelingen, toen Zadok, die van Eleazar afstamde, in Abjathar plaats gesteld werd, maar ten laatste volkomen ten uitvoer gelegd zou worden in de algehele afschaffing van het Levietische priesterschap door Christus.
IV. Hij geeft een goede reden voor deze herroeping, ontleend aan een vastgestelden regel voor Gods regering, naar welke allen moeten verwachten behandeld te zullen worden (zoals die, naar welke ook met Kaïn gehandeld werd, Genesis 4:7), "Die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden".
Merk op, in het algemeen:
1. Dat God de bron is van eer en van oneer, Hij kan de geringste verhogen, en verachting brengen over de grootsten.
2. Naar wij met God handelen, moeten wij verwachten dat Hij met ons zal handelen, maar toch nog altijd meer gunstig dan wij verdienen, Psalm 18:26, 27. Laat dit inzonderheid gesproken worden: a. Tot eeuwige eer van de Godsdienst en van ernstige Godsvrucht, namelijk dat God er door geëerd wordt en eer gelegd wordt op de mensen. Daardoor zoeken en dienen wij de heerlijkheid Gods, en Hij zal bij niemand van hen, die dit doen, achterblijven, maar hier en hiernamaals hem eren. Zie Johannes 12:26.
b. Zij het gezegd tot eeuwige versmaadheid van goddeloosheid en onheiligheid, dat dit God onteert (het grootste en beste wezen veracht, dat door engelen wordt aangebeden) en schande zal brengen over de mensen, want die dit doen zullen licht geacht worden, niet alleen zullen zij licht geacht worden door God (daar zullen zij wellicht niet zoveel om geven, als zij er om geven, die Hem eren, Zijn eer waarderen, en van wie daarom gezegd wordt: zal hen eren), maar zij zullen ook licht geacht worden door geheel de wereld, die eer waarop zij zo hovaardig zijn, zal in het stof worden gelegd, zij zullen zich door geheel het mensdom veracht zien, hun naam zal een smaad wezen, als zij heengegaan zijn zal hun gedachtenis vergaan, en als zij wederopstaan, zal het wezen tot versmaadheden en eeuwige afgrijzing. De smaad, die hun machteloze boosheid God en Zijn almachtige gerechtigheid aandoen, zal op hun eigen hoofd wederkeren, Psalm 79:12.
V. Hij voorzegt de bijzondere oordelen, die tot haar eeuwige schande over zijn familie komen zullen. Een vloek zal rusten op zijn nageslacht, en het is een ontzettende vloek, en toont hoe God een ijverig God is in de zaken van Zijn aanbidding, en hoe euvel Hij het opneemt als zij, die door hun ambt en belijdenis verplicht zijn de belangen van Zijn heerlijkheid te bevorderen, hun roeping ontrouw zijn en die belangen verraden. Als Gods dienstknechten slecht en onheilig zijn, hoeveel te zwaarder straf zullen zij waardig geacht worden, hier en voor eeuwig, dan andere zondaren! Laat dezulken hier het oordeel lezen over Eli's huis, en beven. Zij worden er mee bedreigd:
1. Dat hun macht zal verbroken worden, vers 31, Ik zal uw arm afhouwen, en de arm van uws vaders huis. Zij zullen van al hun gezag worden beroofd, ontzet worden uit hun ambt, en geen invloed meer hebben op het volk: zij zullen `verachtelijk en onwaardig gemaakt worden". Zie Maleachi 2:8, 9. De zonen hadden hun macht misbruikt om het volk te verdrukken en inbreuk te maken op zijn rechten, en de vader had geen gebruik gemaakt van zijn macht, zoals hij had behoren te doen, om hen in bedwang te houden en te straffen, en daarom wordt rechtvaardiglijk gedreigd dat de arm afgehouwen zal worden, die niet uitgestrekt was zoals hij uitgestrekt had moeten wezen.
2. Dat hun leven verkort zal worden. Hij was zelf een oud man, maar instede van de wijsheid, de ernst, de ervaring en het gezag van zijn leeftijd te gebruiken voor de dienst van God en tot steun van de Godsdienst, had hij zich door de gebreken en zwakheden van zijn leeftijd laten beheersen, zodat hij koel en nalatig is geworden in de vervulling van zijn plicht, en daarom wordt hier gedreigd dat geen van zijn nakomelingen oud zon worden, vers 31, 32. Tweemaal wordt het gezegd: er zal geen oud man in uw huis wezen, en wederom vers 33. Al de menigte uws huizes, van geslacht tot geslacht, zal sterven, mannen geworden zijnde, als zij in het midden van de jaren zijn van hun dienst, zodat het geslacht wel niet uitgeroeid zal zijn, maar het zal onaanzienlijk wezen, en niemand van hen zal zich onderscheiden. Bisschop Patrick deelt ons een verhaal mede, dat hij bij een van de Joodse schrijvers gevonden heeft, volgens hetwelk er lang daarna een familie te Jeruzalem woonde, waarvan geen lid ouder werd dan achttien jaren, en dat, na gedaan onderzoek is gebleken, dat zij van het huis van Eli afstamde, waarover dit oordeel is uitgesproken.
3. Dat al hun genot en lieflijkheid in bitterheid zal verkeerd worden. a. Hun genot in het heiligdom, in zijn rijkdom en voorspoed: gij zult een vijand in Mijne woning zijn, vers 32. Dit werd vervuld bij de invallen van de Filistijnen en het kwaad, dat zij aan Israël deden, waardoor het land verarmd werd, Hoofdst 13:19, en ongetwijfeld werd het inkomen van de priesters hierdoor zeer verminderd. De wegvoering van de ark was zo'n daad van vijandschap, gepleegd tegen Gods woning, dat Eli's hart er van brak. Gelijk het een zegen is voor een gezin om vrede te zien over Israël, Psalm 128:5, 6, zo is het tegenovergestelde hiervan een zwaar oordeel over een gezin, inzonderheid over een gezin van priesters.
b. De vertroosting, het lieflijke van hun kinderen. "Doch de man dien Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven, en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde." Door een ontijdige dood, zal leven om een blaam en een last te zijn voor de familie, een ergernis en kwelling voor zijn bloedverwanten, hij zal zijn om uw ogen te verleren en uw ziel te bedroeven, hetzij om zijn dwaasheid, of zijn slechtheid, of zijn armoede." Droefheid om een gestorven kind is groot, maar om een slecht kind dikwijls veel groter.
4. Dat hun goed, hun bezitting verteerd zal worden, en zij tot de uiterste armoede zullen vervallen, vers 36. wie van uw huis zal overig zijn, zal weinig genot hebben in zijn leven, vanwege gebrek aan het levensonderhoud, hij zal onderdanig tot de opvolgende familie komen om een bestaan te verlangen.
a. Hij zal om de kleinste aalmoes bedelen, een beetje geld en een bolle broods. Zie hoe dit beantwoordt aan de zonde. Eli's zonen moesten de beste stukken hebben, maar hun zonen zullen blij zijn met een bolle broods. Gebrek is de rechtvaardige straf voor overdaad en brooddronkenheid. Zij, die niet tevreden konden zijn zonder lekkernijen en afwisseling in hun spijzen, zullen-zij zelf of de hunnen-er toe gebracht worden om gebrek te hebben aan het nodige, en de Heere is er rechtvaardig in.
b. Hij zal om het geringste ambt vragen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, maak mij als een van de huurlingen, de meest gepaste, de voegzaamste plaats voor de doorbrengen Overvloed en macht worden verbeurd als zij misbruikt worden. Zij zullen naar generlei bevordering kunnen staan, naar geen plaats aan het altaar, maar zullen dingen naar een lage plaats, al is het werk ook nog zo zwaar, en het loon ook nog zo klein, zo zij slechts brood krijgen. Waarschijnlijk is dit vervuld geworden, toen Abjathar, die van Eli's geslacht was, door Salomo wegens verraad uit zijn ambt ontzet werd, en uit de tempel verdreven, 1 Koningen 2:26, 27, waardoor men gemakkelijk denken kan, dat zijn nakomelingen tot die uiterste armoede zijn vervallen, welke hier beschreven wordt.
5. Dat God weldra beginnen zal deze oordelen uit te voeren in de dood van Hofni en Pinehas, Eli zelf zal het nog beleven, dat de treurige tijding daarvan komen zal: dit zal u een teken zijn, vers 34 Als gij haar hoort, zult gij zeggen: "Nu begint het woord des Heeren te werken, hier is een bedreiging vervuld, waaruit ik afleid dat alle anderen naar haar orde ook vervuld zullen worden." Hofni en Pinehas hadden menigmaal tezamen gezondigd, en hier wordt voorzegd, dat beide tezamen op een dag zullen sterven. Het werd vervuld, Hoofdstuk 4:11. Eindelijk. In het midden van al deze bedreigingen tegen het huis van Eli wordt hier genade beloofd aan Israël, vers 35. Ik zal Mij een getrouwe priester verwekken.
1. Dit werd vervuld in Zadok, van het geslacht van Eleazar, die in de plaats kwam van Abjathar in het begin van de regering van Salomo, en getrouw was aan zijn roeping, en zolang het Levietische priesterschap duurde waren de hogepriesters uit zijn geslacht. De goddeloosheid van de bedienaren van de Godsdienst zal wel henzelf ten verderve brengen maar de bediening zal er niet door tenietgaan. Hoe slecht de dienaren ook zijn, de dienst zal in stand blijven tot aan het einde van de wereld. Indien sommigen ontrouw zijn aan hun roeping, anderen zullen verwekt worden, die er getrouw aan zullen wezen. Gods werk zal nooit ter aarde vallen uit gebrek aan handen om het voort te zetten. De hogepriester wordt hier gezegd te wandelen voor het aangezicht van Gods gezalfde, dat is: David en zijn zaad omdat hij de borstlap des gerichts droeg, die hij moest raadplegen, niet in gewone gevallen, maar voor de koning in staatszaken. In weerwil van de ontaarding, die wij in vele geslachten zien en betreuren, zal God toch voor een opvolging voor zich zorgen. Indien sommigen erger worden dan hun voorouders, staat hier tegenover dat anderen beter zullen worden.
2. Het werd volkomen vervuld in het priesterschap van Christus, de barmhartigen en getrouwen Hogepriester, die God verwekt heeft, toen het Levietische priesterschap weggedaan werd, die in alles Zijns Vaders welbehagen heeft gedaan, en wie God een bestendig huis zal bouwen, gebouwd op een rots zodat de poorten van de hel niet tegen hetzelve zullen overmogen.