1 Corinthiërs 6:9-11
Hier waarschuwt hij hen tegen verschillende snode ondeugden, waaraan ze vroeger overgegeven waren.
I. Hij noemt het een onder hen bekende waarheid, waarvan zij niet onwetend zijn konden, dat zulke zondaren het koninkrijk Gods niet zullen beërven. De minsten onder hen konden weten, dat de onrechtvaardigen het koninkrijk Gods niet zullen beërven, vers 9, niet erkend worden als ware leden Zijner kerk op aarde of toegelaten als verheerlijkte leden Zijner kerk in de hemelen. Alle ongerechtigheid is zonde, en alle heersende zonde, ja, elke moedwillig-bedreven zonde, die niet berouwd wordt, sluit buiten het koninkrijk der hemelen. Hij onderscheidt verschillende zonden, volgens de beide tafelen der wet: afgodendienaars, hoereerders, overspelers, ontuchtigen en die bij mannen liggen, zevende gebod, dieven en gierigaards, die door geweld of bedrog hun naasten benadelen, achtste gebod, lasteraars, negende gebod, dronkaards en rovers, tiende gebod, en allen die op weg zijn de overige geboden te overtreden. Ieder, die iets van godsdienst af weet, weet ook dat de hemel voor dezulken niet bestemd is. Het schuim der aarde is in geen geval geschikt om de hemelse woningen te vullen. Zij, die des duivels werk doen, kunnen Gods bezoldiging niet ontvangen, tenzij de bezoldiging der zonde, dat is de dood, Romeinen 6:23.
II. Hij waarschuwt hen tegen dwaling: Dwaalt niet! Zij, die de vorengenoemde waarheid niet ontkennen kunnen, zijn slechts al te veel geneigd er niet op te letten. De mensen zijn zeer geneigd te denken, dat God is als een hunner, en dat ze kunnen leven in de zonde en toch sterven in Christus, leven als kinderen des duivels en den hemel binnenkomen als kinderen Gods. Maar dat is een grote dwaling. Het is dikwijls de grote dwaling van velen, dat ze menen hun eigen zielen niet te kunnen benadelen. Wij kunnen echter niet zaaien in het vlees en toch het eeuwige leven oogsten.
III. Hij herinnert hun welke verandering het Evangelie en Gods genade in hen teweeggebracht hebben. En dit waart gij sommigen. vers 11. Zulke ergerlijke zondaars als hij opgenoemd had. Het Griekse woord betekent zulke dingen, eer monsters dan mensen. Sommigen, die na hun bekering buitengewoon goed werden, waren tevoren ongemeen kwaad. Welk een heerlijke verandering bewerkt de genade! Hij verandert de slechtste mensen in heiligen en kinderen Gods. Zulke waart gij sommigen, maar gij zijt niet wat gij waart. Maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods. De boosheid der mensen voor hun bekering is geen beletsel voor hun wedergeboorte en verzoening met God. Het bloed van Christus en het bad der wedergeboorte kunnen alle schuld en onreinheid wegnemen. Hier is een redekunstige verandering van de gewone orde. Gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd. Heiliging wordt voor rechtvaardigmaking genoemd, en toch wordt de naam van Christus, door wie we gerechtvaardigd zijn geplaatst voor den Geest van God, door wie we geheiligd worden. Onze rechtvaardigmaking danken we aan de verdiensten van Christus, onze heiligmaking is het werk des Geestes, maar beide gaan samen. Niemand wordt van de schuld der zonde gereinigd en met God verzoend door Christus, dan alleen hij, die ook geheiligd wordt door Zijn Geest. Allen, die voor Gods oog rechtvaardig gemaakt zijn, worden door Gods genade heilig gemaakt.