1 Corinthiërs 6:12-20
Het twaalfde vers en het eerste gedeelte van het dertiende schijnen betrekking te hebben op die vroegere twistvraag onder de Christenen omtrent het onderscheid in de spijzen, en toch den voorrang te hebben boven de waarschuwing tegen hoererij, die dan volgt. Deze volgorde is duidelijk genoeg wanneer wij letten op het bekende besluit van de apostelen, Handelingen 15, waar het verbod van zekere spijzen samengaat met dat van hoererij. Het schijnt dat sommige Corinthiërs zich hebben ingebeeld, dat ze op het punt van hoererij dezelfde vrijheid hadden als op dat der spijzen, vooral omdat die zonde niet door de wetten van hun land veroordeeld werd. Zij waren geneigd te zeggen, zelfs ten opzichte van hoererij: Alle dingen zijn mij geoorloofd. Deze verderfelijke zienswijze wordt hier door Paulus bestreden, hij zegt hun, dat onderscheidene dingen, oorbaar op zich zelve, op bepaalde tijden en onder bepaalde omstandigheden niet kunnen toegelaten worden. Christenen behoren niet alleen op te merken wat op zich zelve vergund is te doen, maar wat hun past met het oog op hun belijdenis, karakter, betrekkingen en hoop. Zij moeten zeer zorgvuldig zijn dezen stelregel niet zover te drijven, dat ze tot losbandigheid voert, of tot ongeoorloofde verdediging van vleselijke lust. Alle dingen zijn mij geoorloofd, zegt hij, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen, vers 12. Zelfs in geoorloofde dingen wil hij niet onderworpen zijn aan de misleiding van een aangematigd gezag, zover was hij er van af om te beweren dat in de dingen Gods enige macht op aarde haar eigen gevoelens mag laten gelden. Er is ene vrijheid, met welke ons Christus heeft vrijgemaakt, en daarin moeten wij standvastig zijn. Maar nooit mag iemand deze vrijheid zo ver drijven, dat hij daardoor zich zelven overlevert in de macht van enige vleselijke begeerte. Ofschoon alle spijzen geoorloofd zijn, mag de Christen geen gulzigaard of dronkaard worden. En nog veel minder mag hij het beginsel der wettelijke vrijheid misbruiken om de zonde der hoererij aan de hand te houden, welke, ofschoon toegelaten door de wetten der Corinthiërs, ene verkrachting van de wetten der natuur en bovenmate onwelvoegelijk voor den Christen is. Deze mag niet toelaten, dat het beginsel der vrijheid in spijs en drank hem aanmoedige tot onmatigheid, of vleselijke lusten aanwakkere. Ofschoon de spijzen zijn voor den buik, en de buik voor de spijzen, vers 13, ofschoon de buik gemaakt is om de spijzen te ontvangen en de spijze om den buik te vullen, toch zal ik mij onthouden, indien het voor mij niet geschikt is en zou kunnen brengen tot slaafse gehechtheid en ik gevaar loop de knecht van buik en spijze te worden. Maar God zal beide deze en die teniet doen, tenminste hun onderlinge verhouding. Er komt een tijd, dat het menselijk lichaam geen behoefte aan voedsel meer zal hebben. Sommigen der ouden verstaan dit zo, dat zowel de buik als de spijze teniet gedaan worden, dat het lichaam, ofschoon ten jongsten dage opgewekt, niet al zijn tegenwoordige leden hebben zal, maar alleen die, welke in den toekomenden toestand nodig zijn, zo is de buik, wanneer de mens geen honger of dorst meer voelt en dus niet meer eet en drinkt, overbodig. Hoe dit zij: er komt een tijd waarin het gebruik van en de behoefte aan voedsel teniet gedaan zullen zijn. De verwachting, dat ons lichaam in het toekomend leven geen voedsel meer verlangen zal, is een zeer goede reden om in dit leven niet onder zijn macht te geraken. Dit schijnt de bedoeling van des apostels bewijsvoering te zijn en op die wijze kan deze uitspraak goed verenigd worden met zijne waarschuwing tegen de hoererij, ofschoon sommigen er een deel in zien van zijn waarschuwing tegen rechtsgedingen, bepaaldelijk voor heidense overheden, die vijanden van den waren godsdienst waren. Zij onderstellen dat de apostel bedoelt, dat ofschoon het wettig moge zijn onze rechten te handhaven, het niet altijd oorbaar is, en dat het zeer oneigenaardig is voor Christenen om zich ter wille van zulke redenen over te leveren in de handen van ongelovige rechters en pleitbezorgers. Maar deze overgang schijnt niet geleidelijk te zijn. Doch de overgang tot hoererij, als ik hierboven uiteenzette, is geleidelijk. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere, en de Heere voor het lichaam, vers 13. Spijze en buik zijn voor elkaar, maar het lichaam en de hoererij zijn niet voor elkaar.
I. Het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere. Dat is de eerste bewijsgrond tegen deze zonde, voor welke de heidense inwoners van Corinthe berucht waren, en waarvan de bekeerde Corinthiërs veel te vergoelijkende gedachten bleven koesteren. Daardoor zouden de dingen in bedoeling en gebruik ontaarden. Het lichaam is niet voor de hoererij, het is niet tot dat doel geschapen, maar voor den Heere, ten dienste en ter ere Gods. Het moet een werktuig zijn voor de gerechtigheid tot heiligmaking, Romeinen 6:19, en mag daarom nooit tot werktuig der onreinheid gemaakt worden. Het moet een lid van Christus zijn en mag daarom niet gemaakt worden tot het lid ener hoer, vers 15. En de Heere is voor het lichaam, dat wil zeggen, dat Christus de Heere van het lichaam is, om het in eigendom te hebben en het regeren, aangezien Hij een lichaam en de menselijke natuur aangenomen heeft om hoofd Zijner kerk en hoofd van alle dingen te zijn, Hebreeën 2:5, 18. Wij moeten zorgen dat we niet hetgeen Christus toebehoort gebruiken als ons eigendom en nog veel minder tot Zijn oneer.
II. Doch sommigen leggen die uitdrukking aldus uit: De Heere is voor het lichaam, Hij is voor de opstanding en verheerlijking van het lichaam, zie vers 14. Dan is de tweede bewijsgrond tegen deze zonde, de eer welke voor onze lichamen bestemd is, God heeft ook den Heere opgewekt en zal ons opwekken door Zijne kracht, vers 14, door de werking van Hem, die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen zich zelven kan onderwerpen, Filippenzen 3:21. Het is een eer, aan het lichaam bewezen, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, en het zal een ere zijn voor onze lichamen, dat zij opgewekt worden. Laat ons dus onze lichamen niet vernederen door de zonde en ze onrein maken, want ze zullen, heilig gehouden, ongeacht hun tegenwoordige onreinheid, gelijk gemaakt worden aan het verheerlijkte lichaam van Christus. De hope der opstanding in heerlijkheid moet de Christenen weerhouden van ontering hunner lichamen door vleselijke lusten.
III. Een derde bewijsgrond is ontleend aan de eer, welke nu reeds op onze lichamen gelegd is: Weet gij niet, dat uwe lichamen leden van Christus zijn? vers 15. Wanneer de ziel door het geloof met Christus verenigd is, dan is de gehele mens een lid geworden van Zijn mystieke lichaam. Het lichaam is met Christus verenigd zowel als de ziel. Hoe eervol is dit voor de Christenen! Zijn vlees is een deel van het mystieke lichaam van Christus. Het is goed te weten in welke heerlijke betrekking wij gekomen zijn, opdat we ons benaarstigen om die te verwezenlijken. Zal ik dan, vraagt de apostel, de leden van Christus nemen en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre! Of: Christus Zijn leden ontnemen? Zou dat niet een zware zonde, de grievendste belediging zijn? Zou dat niet Christus èn ons zelven tot in den hoogsten graad onteren? Wat, de leden van Christus tot leden van ene hoer maken, hen overgeven tot zulk een schandelijk doel? De gedachte alleen is afschuwelijk. Dat zij verre! Weet gij niet dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, heeft God gezegd, zullen een vlees zijn. Maar die den Heere aanhangt, is een geest met Hem, vers 16, 17. Niets staat zo lijnrecht tegenover de eervolle betrekkingen en verwantschap van den Christen, dan deze zonde. Hij is door den Heere een gemaakt met Christus, en door het geloof deelgenoot van Zijn Geest. Eenzelfde geest leeft, ademt en werkt in het hoofd en in de leden. Christus en Zijn gelovige discipelen zijn een, Johannes 17:21, 22. Hij, die de hoer aanhangt, is een lichaam met haar door de vleselijke samenvoeging, welke God alleen voor den huwelijken staat beschikt heeft. Welnu, zal iemand, die in zo nauwe vereniging met Christus kwam, dat hij een geest met Hem werd, nu zo met ene hoer verenigd worden, dat hij een lichaam met haar wordt? Zou dat niet een snode poging zijn om Christus en de hoeren een te maken? En kan Hem en ons groter belediging aangedaan worden? Kan enig ander ding meer onbestaanbaar zijn met onze belijdenis en betrekking? De zonde der hoererij in een Christen is een grote belediging van zijn Heere en Hoofd, en een grote schande en smet op zijn belijdenis. Het is derhalve geen wonder dat de apostel zegt: Vliedt de hoererij! vers 18, vermijdt haar, blijft buiten bereik van hare verzoeking en van hen die haar voorstaan. Richt ogen en hart op andere dingen. Onze vaderen zeiden: Andere zonden kunnen door strijd, deze slechts door de vlucht overwonnen worden.
IV. Een vierde bewijsgrond is, dat ze ene zonde tegen ons eigen lichaam is. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam, vers 18, elke zonde, dat is elke andere zonde, elke uitwendige daad van andere zonde, is buiten het lichaam. Ze is een misbruik van het lichaam, zoals de dronkaard den wijn misbruikt en de gulzigaard het voedsel. Ook geeft zij alleen aan anderen de macht over het lichaam. Geen andere zonde draagt er zoveel toe bij om het lichaam te verlagen en verachtelijk te maken. Deze zonde wordt in geheel bijzonderen zin onreinheid en bevlekking geheten, omdat geen zonde zo schandelijk is, vooral in een Christen. Hij zondigt tegen zijn eigen lichaam, hij onteert het, hij verlaagt het, door het een vlees te maken met het verachtelijke schepsel met hetwelk hij zondigt. Hij werpt verfoeilijke smetten op datgene, dat zijn Verlosser tot den hoogsten trap verheerlijkt heeft, door het een met zich te maken. Wij mogen onze vernederde lichamen niet nog dieper vernederen door er tegen te zondigen.
V. De vijfde bewijsgrond tegen deze zonde is, dat de lichamen der Christenen zijn tempelen van den Heiligen Geest, die in hen is en dien zij van God hebben, vers 19. Hij, die met Christus verenigd is, is een Geest met Hem. Hij is aan Hem afgestaan, werd daardoor gewijd, tot Zijn dienst afgezonderd, en is daarna in bezit genomen, gebruikt, bewoond door Zijn Heiligen Geest. Dat is de eigenlijke bestemming van een tempel, een plaats waar God woont, tot Zijn gebruik geheiligd, zowel door Zijn eigen recht als door de overgave van Zijn schepsel. Ware Christenen zijn zulke tempels van den Heiligen Geest. Is Hij dus niet God? Maar de gevolgtrekking ligt voor de hand, dat wij dus niet ons zelven toebehoren. Wij zijn aan God afgestaan, Zijne bezitting, ja zelfs Hij heeft ons gekocht: Gij zijt duur gekocht. In een woord, onze lichamen, voor God bestemd, zijn door Hem gekocht. Zo we waarlijk Christenen zijn, werden ze Hem geleverd, en Hij bewoont en gebruikt ze door Zijnen Geest, zodat onze lichamen niet ons eigendom zijn, maar het Zijne. En zullen wij dan Zijn tempel ontheiligen, verlagen, en aan den dienst en het gebruik van een hoer wijden? Schandelijke ontheiliging! Dat is in den ergsten zin God beroven. De tempel van den Heiligen Geest moet heilig gehouden worden. Onze lichamen moeten gehouden worden zoals Hij is, en bekwaam voor Zijn gebruik, geschikt voor Zijne inwoning.
VI. Nu wijst de apostel op onze verplichting om God te verheerlijken in onzen geest en ons lichaam, welke Godes zijn, vers 20. Hij schiep beide, Hij kocht beide, en daarom behoren ze Hem toe en moeten voor Hem aangewend en gebruikt worden, en niet door ons verlaagd, Hem ontnomen en vervreemd worden. Neen, zij moeten behandeld worden als vaten, bestemd tot des Meesters dienst. Wij moeten ons gehele wezen beschouwen als den Heere geheiligd, en onze lichamen gebruiken als Zijn eigendom, dat aan Zijn gebruik en dienst geheiligd is. Wij moeten Hem verheerlijken in ons lichaam en in onzen geest, welke Zijne zijn, en daarom beslist aflaten van hoererij, en niet alleen van de uitwendige daad, maar ook van het overspel in het hart, zoals de Heere het noemt in Mattheus 5:28. Lichaam en geest moeten beide rein gehouden worden, opdat God in beide verheerlijkt worde. Maar God wordt onteerd indien een van beide in zulk een beestachtige zonde besteed wordt. Daarom: vliedt de hoererij, en alle andere zonde. Gebruikt uw lichamen ter ere en ten dienste van uw Heere en Schepper. Wij zijn geen eigenaars van ons zelven, en hebben gene macht over ons zelven, en daarom zullen we ons zelven niet gebruiken tot ons eigen vermaak, maar naar Zijn wil en tot Zijne eer, wiens wij zijn en wie wij dienen, Handelingen 27:23.