3. Onder welke kinderen van het ongeloof of van de ongehoorzaamheid (volgens andere verklaring waarin overtredingen
Vers 1) ook wij Christenen uit de Joden (
Romeinen 2:17, ;
3:9 vv.), allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden van ons vlees, doende de wil van het vlees, dat naar genot zoekt en van de eigenwillige gedachten; en wij waren van nature, naar onze eigen en persoonlijke toestand (
Galaten 4:8), als wij afzien van hetgeen Gods genade aan ons gedaan had, kinderen van de toorn een prooi van Gods toorn (
Romeinen 1:18;
2:8 v. 2 Sam. 12:5 a), zoals ook de anderen, die zondaars uit de heidenen zijn (
Galaten 2:15.
Romeinen 3:9).
De vorige woorden waren tot de Christenen uit de heidenen gericht. Hier gaat Paulus tot de Christenen uit de Joden over en zegt van hen, dat zij vóór hun bekering ook onder de kinderen van de ongehoorzaamheid gewandeld hadden in de boze begeerlijkheden van het vlees. Hiermee is, evenals vroeger met het "wandelen naar de eeuw van deze wereld" enz., de voortdurende levensrichting beschreven in tegenstelling tot geïsoleerde zondige handelingen.
Het "verkeren" wijst meer op een onrustig, strijdlustig rondgaan, het "wandelen" meer op een gewoon voortleven. Ook de nadere aanwijzing "in de begeerlijkheden van ons vlees" verscherpt de gezegden. Daar (Vers 2) wordt meer gesproken over de uitwendige invloed, hier over inwendige begeerte.
De wil van het vlees en de wil van het verstand verenigen zich bij hen, die verkeren in de begeerlijkheden van hun vlees, tot een boze zweer. In de aanvang kunnen wel vlees en verstand een poos met elkaar in strijd zijn; het verstand klaagt de lusten van het vlees aan als laag en de mens vernederend, maar geeft geen kracht om zelf vrij te worden; en het vlees verwijt aan het verstand dit zijn onkunnen doen en de daaruit voortvloeiende valsheid van zijn aangematigde deugden. Zo maken deze beiden liever vrede met elkaar, het verstand verzoent zich met het vlees en helpt zijn lusten rechtvaardigen en verontschuldigen, geeft er een betere schijn aan en het vlees kruipt ook terwille van het verstand soms in een gedaante, die niet al te lomp er uitziet. Dat levert de mensen af, die beiden de wil van het vlees en van het verstand of van de gedachten doen.
Alleen van het heidendom zegt de apostel, dat het zich bevindt onder de invloeden van de duivel en van demonische machten; daarentegen is ook de Jood onder de macht van het vlees met zijn lusten en begeerlijkheden, onder de vleselijke neigingen van zijn wil en de bewegingen van de gedachten gevangen. Ook hij staat, wat zijn natuurlijke toestand aangaat, onder het goddelijk oordeel en heeft geen voorrang boven de heiden, die van het rijk van de duivel een onderdaan is.
De algemene parallel in het "kinderen van de toorn" tussen Joden en heidenen getrokken, zou in zich en ook in verhouding tot de verdere ontwikkeling van Vers 11 af iets onjuist, iets ongepast hebben. Het komt de apostel voor, dat de algemene gedachte ten opzichte van hen en zijn volk moet worden beperkt en hij doet dit door de bijvoeging "van nature", omdat hij denkt aan iets, dat de Joden is gegeven, volgens hetwelk zij geen kinderen van de toorn hadden hoeven te zijn. En dat is de toestand, die zij bezaten als een door God gestichte staat met zijn verbonden van de belofte en de daaruit voor hen voortkomende hoop van de Verlosser een bezitting, die hen van de heidenen scheidde, waarin zij een werkelijke voorrang bezaten en waardoor zij iets anders konden en moesten zijn dan kinderen van de toorn, dat zij zeker van nature waren evenals de anderen.
De vroegere farizeeër Paulus, die naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, onstraffelijk was (Filippenzen 3:6), plaatst zich gewillig naast de mannen van Efeze, die vroeger tovenarij bedreven (Handelingen 19:19). Bij al het grote onderscheid tussen de vroegere wandel van hem en van hen, vindt hij toch tussen zichzelf en hen geen onderscheid daarin, dat zij beiden de wil van hun vlees en van hun gedachten deden - bij in het voeden van zijn zelfzucht met de onverstandigen roem van wettische gerechtigheid, zij in het mesten van hun zelfzucht met de schandelijke eer van een echt Efezische aard.
Dit is een hoofdplaats tegen allen, die de erfzonde loochenen. Wat van nature in ons is, dat is toch zeker overgeërfd. Maar nu zegt Paulus, dat wij van nature allen aan het oordeel onderworpen zijn. Zo hebben wij dan ook allen van nature zonde, want onschuldigen veroordeelt God niet. Wie dus beweert dat de erfzonde niet wezenlijk zonde is, die weerspreekt de woorden van Paulus. Ook is het niet te verwonderen dat God de ons van anderen aangeboren verdorvenheid ons als zonde toerekent. Hij ziet de nog verborgen zonde en spreekt daarover zijn vonnis. Ook dit kan niet bevreemden, dat hij de Joden zoals de overigen kinderen van de toorn noemt, ofschoon zij het gezegende volk waren. De natuur is in allen dezelfde, slechts daarin onderscheiden zich de Joden, dat God hen uit kracht van Zijn belofte van het verderf redt. Dit echter is de daarbij komende genezing en niet de oorspronkelijke toestand. Voorts, omdat toch onze natuur door God is geschapen, hoe komt het dan, dat wij van nature kinderen van de toorn zijn? Er is een tweevoudige natuur: de eerste is de oorspronkelijk door God geschapen, de tweede is de verdorvene. De verdoemenis gaat dus niet van God uit, maar van de verdorven natuur, omdat wij nu niet geboren worden zoals Adam geschapen werd, maar als een verdorven zaad uit een verbasterde mens.
Het zij dus verre, dat het tot een verwijt tegen de Schepper zou wezen, wanneer wij zeggen: wij zijn van nature kinderen van de toorn, zoals het evenmin een verwijt tegen Hem is, wanneer wij de ene van natuur doof, een ander blind, een derde onnozel of vergeetachtig, of driftig noemen. Die allen zijn gebreken van het lichaam of van de ziel, die beiden goed door God waren geschapen, maar die naar Gods verborgen maar rechtvaardig gericht verdorven zijn geworden. God is dus niet de oorzaak van het verderf, maar van de natuur en zeggen wij ook met recht, dat de duivel de oorzaak van de zonde is, dan zou de mens, een redelijk wezen, Gods evenbeeld, toch nooit aan zijn heerschappij zijn prijs gegeven, was het niet geschied door Gods rechtvaardig gericht, wegens de aangeboren zonde. God schept niet de opeenvolgende geslachten van de mensen telkens opnieuw naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis. God heeft de mens, in de mens de mensheid, naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen. God heeft de mens en in hem de mensheid ten goede beproefd, opdat zijn ingeschapen heiligheid zich tot gehoorzaamheid ontwikkelen zou. De mens en in hem de mensheid is ongehoorzaam geworden en heeft zo Gods rechtvaardige toorn zich over het hoofd gehaald. Onder deze toorn ligt de mensheid, komen natuurlijk ook haar nieuwe geslachten tot het aanzijn, leeft elk zich in haar ontwikkelend persoon, die niet of nog niet heeft aangegrepen het door God gegeven middel om met God verzoend te worden. Hij is een kind van de toorn, die niet of nog niet met God verzoend en zo opnieuw een kind van God is. De tegenwerpingen tegen deze leer zijn voornamelijk gezocht in de eigenschappen en het wezen van God, zoals men zich die voorstelt. In de eerste plaats zegt men: God kan niet boos zijn! God is liefde! Wij laten daar de klare en elke lezer zonder twijfel voor de geest komende uitspraken van de Schrift, waarin van de toorn van God gewaagd wordt. Voor ditmaal onderzoeken wij slechts in hoeverre het denkbeeld van Gods toorn met een waardige voorstelling van Zijn wezen voor het eerbiedig verstand verdraaglijk is en zijn uitdrukking heeft in geschiedenis, natuur en ervaring. Zeker, als het denkbeeld van Gods toorn noodzakelijk met zich bracht het begrip van een in God heftige, woeste, onaangename gemoedsbeweging, een hartstochtelijke opwelling of uitbarsting, die de vrede inwendig verstoort en als de toorn van zondige mensen meestal onevenredig is aan het voorwerp, dat de ergernis opwekt, dan kunnen wij ons in de allervolmaaktste, onveranderlijke en volkomen zalige God volstrekt geen toorn voorstellen. Maar het zal toch wel niet anders dan voor God beledigend zijn, als wij de heidense leer omhelzen, die bij het verdwijnen van de Christelijke ernst zich ook in de Christenheid weer heeft ingedrongen, volgens welke elke aandoening van buiten aan het goddelijk Wezen vreemd moest zijn en daarom de verhevenste en Gode behagelijkste toestand in een volkomen onverschilligheid gezocht werd; een leer, die haar schadelijke gevolgen rijkelijk heeft uitgebreid over al die betrekkingen, waarin mensen Gods plaats bekleden. In God is liefde, voor alles wat door Hem geschapen is en in Hem blijft, of, met Hem verzoend zijnde, tot Hem terugkeert. In God is een heilige afkeer van al wat zich buiten en tegenover Hem plaatst. Zijn heilig wezen is tegen de zonde en de zondaar als zodanig gekeerd, zoals Zijn liefde toegekeerd is aan de goede en de met Hem verzoende. Gods liefde is een werkzame, zich over alle voorwerpen uitstortende en die vervullende kracht; Gods heilige afkeer, Gods toorn, een werkzame, zich tegen haar voorwerpen straffend kerend. Het kan niet anders, als God niet slechts is, maar leeft, maar werkt en Zich openbaart. Dat God metterdaad werkzaam liefheeft, zien wij in de schepping, plaatsing, opvoeding van de mens allerbijzonderst. Dat God metterdaad werkzaam de zonde verafschuwt, zien wij in het vonnis, over de eerste zonde uitgesproken en voltrokken. De bezoldiging van de zonde is de dood: de mens zondigt, de mens sterft. De hele mensheid, die in de zonde één is, is het zo ook in de dood. De dood gaat zoals de zonde door tot alle mensen. Is zij met haar gehele spits en voorhoede van ziekten en kwalen een bewijs, dat de mensheid onder een toegevende liefde, of dat zij onder de heilige toorn van God verkeert? Ach, als wij al onder louter bewijzen van Zijn liefde konden gezegd worden te leven, niemand zal de profeet Mozes betwisten, dat ons sterven als zodanig een openbaring is van Zijn toorn. Maar ons gehele leven is voorbereiding tot sterven en de ellende niet aan ziekte en dood bepaald. God kan dus toornen, want Hij doet het metterdaad. Of, als Hij het niet doet, de zonde zelf, de natuur, de elementen, een wreedaardig noodlot, toornen Zijns ondanks en hij, die niet toornen kan over de zonde, kan niet genoeg liefhebben om de ellende te stuiten. Lasterlijk denkbeeld. Nee, Hij heeft te veel lief om slechts de ellende te stuiten; Hij heeft lief genoeg om ze te laten bestaan, om ze te regelen, om ze te leiden tot Zijn oogmerken en de prikkel eruit weg te nemen, totdat zij geheel opgeheven worden kan. Hij heeft ook lief genoeg om te toornen, om de vloek uit te spreken en te openbaren over enkele uitstekende ongerechtigheden niet slechts, maar over het wezen van de zonde en al wat om en aan haar is, opdat Zijn heelal niet een hel wordt van wanorde en kwaad, opdat Zijn mensheid zich bekeert en leeft en een paradijs zoekt, niet van onbeperkte zondenlust, maar van heiligheid en vrede! Maar als God toornen kan over daadzonde, hoe kan Hij het tegen de aangeboren, die naar alle uitspraken van onze rechtvaardigheid niet toerekenbaar is aan haar voorwerpen? Hoe kan Hij het laten? Zijn gehele wezen is getuigenis tegen alle zonden en van elke openbaring ervan; Zijn heiligheid straalt dreigend en bestraffend tegen haar wezen uit. Als u de geboorte in zonde, als wij de aangeërfde smet van de kleine kinderen zou willen loochenen, alle pijnlijke kinderkreten van de wereld verheffen zich om hun deel aan de schuld van de mensheid uit te roepen, alle kindertranen, kinderziekten, kindertranen brengen u tot zwijgen. De dood is niet dan de bezoldiging van de zonde en het derde deel van de mensheid sterft in de tederste leeftijd. Maar u moppert tegen uw bestaan en acht het onrechtvaardig in God, u met een zondige aanleg en met de zware last van een schuld te hebben doen geboren worden, op een aarde, die onder de vloek ligt, om niet verlost te worden van die schuld, dan door deze uw aangeboren aard te verfoeien, en niet redbaar te zijn dan door een vernieuwing, die van Hem moet komen en door een keuze, die Hij u stelt. Ongelukkige, met hetzelfde recht roept de blindgeborene God ter verantwoording, dat hij niet ziende, de zwak naar het lichaam, dat hij niet sterk, de kreupel, dat hij niet met het gebruik van de voeten begaafd is; klaagt de arbeidzame ploeg-os, tot medearbeid met u gedoemd, de hemel aan, dat hij geen ontembare woudezel is; beklaagt zich de rups, dat zij niet dan door gedaanteverwisseling als vlinder ten hemel kan stijgen. Vóór u geboren was had u geen recht en nu zich het bent, mag u dood of leven kiezen tot uw lot, dat geen noodlot is. Zeg niet, dat u liever niet was, een ernstige wenk van de dood zou zich logenstraffen. Zeg niet, dat u liever geen zondaar was, uw gehele zijn toont het tegendeel. Zeg niet dat God u geen bewustzijn van het goede gelaten heeft, dat Hij u niet gegeven heeft het te kennen en te erkennen; maar zeg dat uw hart ertegen opkomt het te kiezen ten koste van het kwade! Zeg niet, dat God u verlossing door Zijn Zoon en wedergeboorte door Zijn Geest weigert, maar zeg, dat u tot heden toe het offer van de begeerlijkheden, de verloochening van de wil van het vlees en van de gedachte geweigerd heeft! Zeg niet, dat het denkbeeld van een van nature een reeds door uw betrekking tot de mensheid op u rustende schuld, u de moed beneemt om uw verlossing en zaligheid bij het kruis te zoeken. Gedoopten in de naam van de Vader en van de Zoon en de Heilige Geest! zeg het niet. Belijdt veeleer dat u het bewustzijn van deze schuld wel behoeft, om u een gevoel van uw ellende te geven, krachtig genoeg dat het u zich drijft tot Hem, die daar roept: komt allen tot Mij, die vermoeid en belast bent en Ik zal u rust geven!