Colossenzen 3:5-7
De apostel wekt de Colossenzen op tot doding van de zonden, de grote hinderpalen voor hen, die de dingen zoeken welke boven zijn. Nu het onze plicht is onze liefde aan den hemel te geven, is het onze plicht onze leden te doden, die op de aarde zijn, en die ons uit den aard der zaak naar de aarde neigen. Doodt die, dat is: onderwerpt uw boze gewoonten, die u uit uw heidensen toestand bijbleven. Doodt die, onderdrukt ze, zoals gij zaden van vergif doet, die alles om hen heen zouden verwoesten, of zoals gij een vijand doet, die u bestrijdt en wondt. Uwe leden, die op de aarde zijn, hetzij de leden van ons lichaam, die ons aardse deel zijn, en die als een borduursel gewrocht werden in de nederste delen der aarde, Psalm 139:15, hetzij de verderfelijke aandoeningen der ziel, welke ons tot aardse dingen leiden, de leden van het lichaam des doods, Romeinen 7:24. Hij onderscheidt:
I. De lusten des vlezes, voor welke zij vroeger zo toegankelijk waren: Hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, de verschillende werkingen van vleselijke lusten en onreinheid, welke zij aankweekten in hun vroegeren levensstaat, en welke zo het tegendeel zijn van Christelijk leven en hemelse hoop.
II. De liefde voor de wereld. En de gierigheid, welke is afgodendienst, dat is een onevenredige liefde voor tijdelijke goederen en uitwendige vermaken, welke voortspruit uit te hoge waardering, drijft tot te hittiger najagen, hindert in het behoorlijk gebruik en genot, en angstige vrees en onmatige zorg tegen het verliezen wekt. Merk op: Gierigheid is geestelijke afgoderij, zij is het geven van liefde en eerbied aan werelds goed, die alleen Gode toekomen, zij heeft een grotere mate van kwaad en verwekt God meer tot toorn, dan men gewoonlijk denkt. En het is zeer merkwaardig, dat onder al de zonden, waarvan de Schrift meldt dat heiligen in gevallen zijn (en er is bijna geen zonde of er wordt van meegedeeld dat deze of gene heilige haar beging) geen enkel geval wordt genoemd van een heilige die gierigaard was. Hij gaat voort met aan te tonen hoe noodzakelijk het is de zonden te doden, vers 6, 7.
1. Omdat, indien wij de zonden niet doden, zij het ons zullen doen. Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid, vers 6. Ziehier wat wij allen van nature in meerdere of mindere mate zijn, wij zijn kinderen der ongehoorzaamheid, niet slechts ongehoorzame kinderen, maar onder de macht der zonde en van nature geneigd tot alle kwaad.
De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan, de leugensprekers dolen van moeders buik aan, Psalm 58:4. En daar we kinderen der ongehoorzaamheid zijn, zijn we ook kinderen des toorns, Efeze 2:3. De toorn Gods komt over alle kinderen der ongehoorzaamheid. Zij, die niet aan de geboden der wet gehoorzamen, brengen haar straffen over zich. De zonden, die hij opnoemt, waren hun zonden in hun toestand van heidendom en afgodsdienst, en toen waren zij bepaaldelijk kinderen der ongehoorzaamheid, en deze zonden brachten Gods oordeel en toorn over hen.
2. Wij moeten deze zonden doden omdat zij in ons geleefd hebben. In dewelke gij ook eertijds hebt gewandeld toen gij in dezelve leefde, vers 7. De overweging, dat wij vroeger in de zonden geleefd hebben, is een goede reden om die voortaan te verzaken. Wij hebben kromme wegen bewandeld, laat ons daarom dat niet verder doen. Heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen, Job 34:32. De vorige tijd van ons leven moet voldoende geweest zijn om den wil der heidenen te werken, toen wij in de onreinheid wandelden, 1 Pet. 4:3. Toen gij onder hen leefde, lezen sommigen, namelijk onder hen die zulke dingen doen, toen wandelde gij ook in zulke boze praktijken. Het is een harde zaak te leven onder hen, die de werken der duisternis verrichten en gemeenschap met hen te hebben, het is wandelen in den modder zonder grond te voelen. Laat ons den boosdoeners uit den weg blijven!