1 Corinthiërs 15:20-34
In deze afdeling stelt de apostel in het licht de waarheid van de opstanding der doden, de heilige doden, de gestorvenen in Christus. Hij grondt die:
I. Op de opstanding van Christus.
1. Omdat Hij inderdaad is de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, vers 20. Hij zelf is waarlijk opgewekt, en Hij is opgewekt geheel in deze hoedanigheid, als de eersteling van degenen, die in Hem ontslapen zijn. Indien Hij waarlijk opgewekt is, dan is in Zijne opstanding een waarborg gegeven dat de doden opgewekt zullen worden, evengoed als het offeren en aannemen van het offer der eerste vruchten een waarborg was, dat de gehele oogst der Joden zou gezegend worden. Het gehele deeg was geheiligd door de wijding der eerstelingen, Romeinen 11:16, en het gehele lichaam van Christus, allen die door het geloof met Hem verenigd zijn, worden door Zijne opwekking verzekerd van de hun. Zoals Hij is opgestaan zullen zij opstaan, juist zoals het deeg heilig is, omdat de eerste vruchten heilig zijn. Hij is niet bloot voor zich zelven opgestaan, maar als hoofd van het lichaam, de gemeente, en God zal degenen, die ontslapen zijn in Hem, weder brengen met Hem, 1 Thessalonicenzen 4:14. Christus' opwekking is het bewijs en onderpand van de onze, indien wij Zijn ware gelovigen zijn, omdat Hij is opgestaan, zullen wij opstaan. Wij zijn een deel van het geheiligde deeg, en zullen deelhebben aan de aanneming en zegen den eersteling geschonken. Dit is de eerste bewijsgrond van den apostel om die waarheid te bevestigen. En:
2. Hij licht het toe door een vergelijking van den eersten met den tweeden Adam. Want, gelijk door een mens de dood kwam, zo is het vanzelfsprekend dat ook door een mens de vrijmaking uit den dood komen zou, of, wat hetzelfde is, de opstanding, vers 21. En dus gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden, gelijk allen door de zonde van den eersten Adam sterflijk gemaakt werden, omdat ze van hem allen de zondige natuur erfden, alzo zullen door de verdienste en opstanding van Christus, allen, die deelgenoten gemaakt zijn van Zijn Geest en Zijn geestelijke natuur, met Hem herleven en onsterfelijk worden. Allen, die sterven, sterven door de zonde van Adam, allen, die opstaan in den zin door den apostel bedoeld, staan op door de verdienste en macht van Christus. Maar de bedoeling is niet, dat gelijk alle mensen in Adam sterven, alzo ook alle mensen, zonder uitzondering, door Christus levend gemaakt worden, want de gang van des apostels redenering strijdt tegen deze algemene opvatting. Christus verrees als de eersteling, daarom zullen allen, die van Christus zijn, vers 23, ook verrijzen. Hieruit volgt nog niet dat alle mensen, zonder uitzondering, ook zullen verrijzen, er volgt alleen uit, dat allen, die zo opstaan, het doen door kracht van Christus' opstanding, en zo is hun opstanding te danken aan den mens Jezus Christus, gelijk de sterflijkheid van de mensheid te wijten was aan den mens Adam. En zo kwam door den mens de dood, en door den mens de verlossing. Het betaamde der goddelijke wijsheid dat, gelijk de eerste Adam zijn nakomelingschap ongelukkig maakte door zijne zonde, de tweede Adam Zijn zaad zou verheffen tot heerlijke onsterflijkheid.
3. Alvorens van deze redenering af te stappen, merkt hij aan, dat er volgorde in de opstanding zijn zal. Hoe dat nauwkeurig zijn zal, wordt ons nergens meegedeeld, maar hier in het algemeen dat er volgorde zijn zal. Mogelijk zullen eerst opstaan zij, die den hoogsten rang bekleedden, de uitnemendste diensten bewezen hebben, de zwaarste vervolgingen of den wreedsten dood om Christus' wil geleden hebben. Hier wordt alleen gezegd dat de eersteling het eerst opstond, en daarna allen die van Christus zijn, in Zijne toekomst. Niet omdat de opstanding van Christus in werkelijkheid aan de opstanding der zijnen moest voorafgaan, maar zij moest den grond daarvoor leggen, zo was het niet noodzakelijk dat zij, die verwijderd van Jeruzalem woonden, daarheen moesten gaan en de eerstelingen offeren alvorens ze het gehele deeg voor heilig konden houden, maar zij moesten de eersteling afzonderlijk houden voor dat doel, tot zij ze konden offeren, hetgeen geschieden kon te allen tijde tussen Pinksteren en het feest der toewijding, Numeri 26:2. De offerande van de eerstelingen maakte het deeg heilig, en het deeg werd door die offerande geheiligd ofschoon ze niet gebracht werd voordat de oogst was binnengehaald, indien ze maar met dat doel afgezonderd en later gebracht werden. Zo moest de opwekking van Christus naar haar natuur, aan die van Zijne heiligen voorafgaan, ofschoon sommigen hunner in tijdsorde voor Hem konden verrijzen. Alleen omdat Hij opstond, stonden zij op. Zij, die van Christus zijn, moeten opstaan uit kracht van hun eenheid met Hem.
II. Hij betoogt de voortduring van het middelaarschap van Christus tot al Zijn vijanden zullen vernietigd zijn, waarvan de laatste is de dood, vers 24-26. Hij was opgewekt en door Zijne opstanding begiftigd met oppermacht.
Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde, Mattheus 28:18. Hem is een naam gegeven boven allen naam, opdat alle knie voor Hem zich buige en alle tong Hem belijde de Heere te zijn, Filippenzen 2:9-11. Dit koninkrijk blijft het Zijne tot Hij alle Hem vijandige heerschappij, en macht en kracht teniet gedaan heeft, vers 24, alle vijanden onder Zijne voeten gelegd heeft, vers 25, en de laatste vijand, de dood, teniet gedaan is, vers 26.
1. Dit houdt de volgende bijzonderheden in.
A. Onze Zaligmaker verrees van den dood opdat alle macht in Zijne handen gesteld zou worden, en Hij als Middelaar een koninkrijk hebben en regeren zou. Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weer levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou, Romeinen 14:9.
B. Dat dit koninkrijk van Zijn middelaarschap een einde zal hebben, tenminste in zoverre als het strekken moet om Zijn volk veilig in de heerlijkheid te brengen, en al Zijne en hun vijanden teniet te doen. Daarna zal het einde zijn, vers 24.
C. Dat het geen einde neemt, alvorens alle zich verzettende macht onderworpen is en alle vijanden onder Zijne voeten gebracht zijn, vers 24, 25.
D. Dat, onder andere vijanden, ook de dood moet worden teniet gedaan, vers 26, diens macht over Christus' leden moet worden vernietigd. Tot zoverre spreekt de apostel met zekerheid, maar hij laat in het midden dat daarom de heiligen moeten opstaan, omdat anders dood en graf macht over hen zouden hebben, ook zou anders het koninkrijk van onzen Zaligmaker Zijn volk niet beschermen tegen den laatsten vijand en diens macht niet teniet doen. Wanneer de heiligen weer leven zullen om niet meer te sterven, dan en niet vroeger, zal de dood teniet gedaan zijn, en dat moet geschied zijn alvorens onze Zaligmaker Zijn middelaars-koninkrijk overgeeft, hetgeen te zijner tijd gebeuren zal. Daarvoor zullen de heiligen leven en niet meer sterven. Dit is het doel van de redenering, maar: 2. De apostel vlecht er verscheidene wenken tussen, waarvan het goed is kennis te nemen.
A. Onze Zaligmaker heeft als mens en als Middelaar Gods en der mensen, een Hem opgedragen macht, een gegeven koninkrijk. Alle dingen heeft Hij Zijnen voeten onderworpen, uitgenomen Hij, die Hem alle dingen onderworpen heeft, vers 27. Als mens is al Zijn gezag hem verleend. En, ofschoon Zijn middelaarschap Zijn goddelijke natuur onderstelt, draagt Hij als Middelaar toch niet zo uitsluitend het karakter van God, maar is een middel-persoon tussen God en mens, in beide naturen, de goddelijke en menselijke, delende, omdat Hij beide partijen, God en den mens met elkaar te verzoenen had, en Hij om dat te volbrengen opdracht en macht van God den Vader ontvangen heeft. De Vader verschijnt in deze gehele zaak, in de majesteit en met het gezag van God, de Zoon, mens geworden, verschijnt als de dienstknecht des Vaders, ofschoon Hij God is zowel als de Vader. Wat de apostel zegt moet dus niet verstaan worden van Christus' eeuwige heerschappij over al Zijn schepselen, welke Hem als God toekomt, maar van het koninkrijk Hem als Middelaar en Godmens opgedragen, en zulks voornamelijk na Zijne opstanding, toen Hij, hebbende overwonnen, met den Vader is gezeten in Zijnen troon, Openbaring 3:21. Toen was de voorzegging vervuld: Ik heb Mijn Koning gezalfd over Zion, den berg Mijner heiligheid, Psalm 2:6, Hem op Zijn troon geplaatst. Dit wordt bedoeld met de uitdrukking, die zo dikwijls in het Nieuwe Testament voorkomt: zittende ter rechterhand Gods, Mark16:19, Romeinen 8:34, Colossenzen 3:1, enz., aan de rechterhand Zijner macht, Markus 14:62, Lukas 22:69, aan de rechterhand der majesteit in de hoogste hemelen, Hebreeën 1:3, aan de rechterhand van den troon der majesteit in de hemelen, Hebreeën 8:1. Zich op dien zetel zetten is op zich nemen de uitoefening van Zijn middelaarsmacht en koningschap, hetwelk geschiedde door Zijne hemelvaart, Markus 16:19. En daarvan wordt in de Schrift gesproken als van een beloning voor Zijn diepe zelfvernedering en zelfverloochening, door mens te worden en voor de mensen den vloekdood aan het kruis te sterven, Filippenzen 2:6-12. Na Zijne hemelvaart werd Hij gesteld tot een hoofd over alle dingen in Zijne gemeente, werd Hem macht gegeven om haar te regeren en te beschermen tegen al haar vijanden, en ten laatste hen te vernietigen en de zaligheid van allen, die in Hem geloven, te volmaken. Dit is gene macht, die tot Zijne Godheid als zodanig behoort, het is geen oorspronkelijke en onbegrensde macht, maar macht gegeven en beperkt tot bepaalde doeleinden. En ofschoon Hij, die haar bezit, God is, toch, voorzover Hij nog behalve God iets anders is, en in deze gehele zaak niet handelt als God maar als Míddelaar, niet als de beledigde majesteit, maar als een die tussen treedt ten gunste van de beledigende schepselen, en zulks uit kracht van Zijn toestemming en zending, welke altijd in dat karakter handelt en optreedt, kan gezegd worden dat deze macht Hem gegeven is, Hij regeert als God met onbegrensde macht, en daarnevens als Middelaar, met ontleende macht, welke met bepaald doel beperkt is.
B. Dat dit verleende koningschap ten laatste aan den Vader moet overgegeven worden, van wie Hij het ontvangen heeft, vers 24, want het is een macht, ontvangen voor bepaalde doeleinden, een macht om Zijne gemeente te besturen en te beschermen tot al haar leden vergaderd zijn en al haar vijanden teniet gedaan, vers 25, 26, en wanneer deze doeleinden bereikt zijn, behoeven die macht en dat gezag niet verlengd te worden. De Verlosser moet regeren tot al Zijn vijanden teniet gedaan zijn, en de verlossing van Zijn gemeente en volk voltooid is, en wanneer dit doel bereikt is, zal Hij het koninkrijk overgeven, dat Hij alleen voor dat doel ontvangen had ofschoon Hij in den hemel over Zijn verheerlijkte gemeente, Zijn lichaam, blijft regeren. En het is in dezen zin dat van Hem gezegd wordt: Hij zal als koning heersen in alle eeuwigheid, Openbaring 11:15, Hij zal over het huis Jakobs koning zijn in eeuwigheid, en Zijns koninkrijks zal geen einde zijn, Lukas 1:33, Zijne heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden, Daniël 7:14. Zie ook Micha 4:7.
C. De Verlosser zal zeker regeren totdat de laatste vijand van Zijn volk teniet gedaan is, tot de dood zelf zal zijn teniet gedaan, tot al Zijne heiligen ten nieuwen leven zijn opgewekt, om nooit weer in vrees of gevaar of stervensnood te komen. Hij zal alle macht in hemel en op aarde hebben, tot dien tijd, Hij-die ons heeft liefgehad en zich zelven voor ons heeft overgegeven, en ons van onze zonden gewassen in Zijn eigen bloed -Hij, die zo nauw met ons verbonden is en zoveel voor ons betekent. Welk een steun is dat voor Zijn heiligen in elk uur van droefheid en verzoeking! Hij leeft, die dood geweest is en leeft in alle eeuwigheid, en Hij regeert en zal blijven regeren, tot de verlossing van Zijn volk volkomen is en de gehele vernietiging van hun vijanden volbracht.
D. Wanneer dat geschied is, wanneer alle dingen Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen, vers 28. De bedoeling is, dat dan de mens Christus Jezus, die in zoveel majesteit had geschitterd tijdens den gehelen duur van Zijn koninkrijk, dit overgeeft om zelf ook een onderdaan van den Vader te zijn. In de Schrift worden de dingen meermalen gezegd te zijn, wanneer zij zullen openbaar worden en verschijnen. En dit overgeven van Zijn koninkrijk zal openbaar maken, dat Hij die de majesteit van een vrijmachtigen koning toonde, gedurende Zijne regering, een onderdaan van God was. De verheerlijkte mensheid van onzen Heere Jezus Christus, met al de waardigheid en macht, die er toe behoorde, was niet meer dan een heerlijk schepsel. Dit zal openbaar worden wanneer Hij het koninkrijk zal overgeven, en het zal openbaar worden tot de goddelijke heerlijkheid, opdat God zij alles in allen, opdat de voltooiing van onze verlossing blijke geheel goddelijk te zijn, en Gode alleen de eer er voor gebracht worde. Ofschoon de menselijke natuur in het werk onzer verlossing moest gebruikt worden, was God daarin alles in allen. Het was het werk des Heeren en het is wonderlijk in onze ogen.
III. Hij gewaagt van de opstanding in het geval van hen, die voor de doden gedoopt werden, vers 29. Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? waarom worden zij voor de doden ook gedoopt? Wat zullen zij doen indien de doden niet opgewekt worden? Wat hebben zij te doen? Hoe ijdel een ding is hun doop dan geweest! Moeten zij er bij blijven, of er afstand van doen? Waarom zijn zij voor de doden gedoopt, indien de doden niet opgewekt worden? huper toon nekroon. Maar wat is de doop voor de doden? Ten einde de redenering van den apostel te begrijpen is het nodig te weten, of het een redenering alleen ad hominem, of adrem is, dat wil zeggen, of hij over de zaak in het algemeen oordeelt, dan wel over bepaalde personen, die voor de doden gedoopt waren. Maar wie zal deze zeer duistere plaats uitleggen, welke uit slechts drie woorden bestaat, maar waaruit de uitleggers zeker drie maal drie, en meer, betekenissen gevonden hebben! Men is het niet eens over wat door dopen bedoeld wordt, of dat in den eigenlijken dan wel in figuurlijken zin genomen moet worden, en indien in eigenlijken zin, of daarmee de Christelijke doop dan wel enige andere reiniging bedoeld wordt. En even weinig is men het eens wie de doden zijn, of in welken zin het voorzetsel huper moet opgevat worden. Sommigen verstaan er den dood van onzen Zaligmaker zelf door. Waarom zouden mensen gedoopt worden in den naam van een doden Verlosser, die onder de doden gebleven is, indien de doden niet opstaan? Maar het zou naar mijn gevoelen, een geheel afzonderlijk geval zijn om met hoi nekroi niet meer dan een dode te bedoelen, die betekenis heeft deze uitdrukking nergens elders. En de woorden hoi baptizomeno (de gedoopten) bedoelen duidelijk naar het schijnt, enige bepaalde personen, niet de Christenen in het algemeen, dat evenwel de betekenis moest zijn indien hoi nekroi (de dode) van onzen Zaligmaker moest verstaan worden. Sommigen passen de uitspraak op de martelaars toe. Waarom ondergaan zij het martelaarschap voor hun godsdienst? Dat werd soms door de ouden een bloeddoop genoemd, en ook door onzen Zaligmaker zelf als een doop aangewezen, Mattheus 20:22, Lukas 12:50. Maar in welk opzicht kan van de martelaars gezegd worden dat zij, door voor hun geloof te sterven voor de doden gedoopt werden? Sommigen verstaan het van een toen in zwang zijnd gebruik, naar getuigenis der ouden, volgens hetwelk onder de Christenen van den eersten tijd, sommigen zich lieten dopen in naam en plaats van leerlingen, die ongedoopt wegstierven. Maar dit getuigt van zo grof bijgeloof, dat, indien deze gewoonte reeds zo vroeg in de kerk bestaan had, de apostel haar zeker niet zou vermeld hebben zonder haar af te keuren. Sommigen verstaan er onder een doop over de doden, dat, naar zij zeggen, een gewoonte van de vroegste tijden was, waardoor de hoop op de opstanding werd te kennen gegeven. Deze bedoeling zou in des apostels redenering passen, maar het blijkt nergens dat het in zijn dagen de gewoonte was. Anderen verstaan het van hen, die gedoopt werden om de zaak van de martelaren, dat is bij gelegenheid van hun martelaarschap, daartoe gebracht door de standvastigheid, waarmee zij in den dood gingen. Sommigen werden zonder twijfel tot het Christendom bekeerd door het zien daarvan, en het zou vergeefs geweest zijn voor hen, die daardoor Christenen werden, indien de martelaren' door ter wille van hun belijdenis het leven te geven, geheel vernietigd werden en niet herleven zouden. Maar, naar alle waarschijnlijkheid had de gemeente te Corinthe toen nog niet veel vervolging ondergaan, en waren er dus niet veel gevallen van martelaarschap onder hen voorgekomen, zodat er niet veel bekeerlingen konden gemaakt zijn door de standvastigheid en kalmte, welke de martelaren betoonden. Neem daarbij in aanmerking dat de uitdrukking hoi nekroi veel te algemeen schijnt te zijn om alleen de gestorven martelaren te bedoelen. De uitlegging, die mij de eenvoudigste en het meest passend bij de redenering voorkomt, is dat hoi nekroi doelt op sommigen onder de Corinthiërs, die door Gods hand weggenomen waren. Wij lezen dat velen hunner zwak en ziek waren en velen sliepen, Hoofdstuk 11:30, als gevolg van hun wangedrag bij des Heeren avondmaal. Deze bezoeking kan sommigen voor het Christendom verschrikt gemaakt hebben, gelijk de stokbewaarder verschrikte door de wonderdadige aardbeving, Handelingen 16:29, 30, enz. Mensen, naar aanleiding daarvan gedoopt, konden gezegd worden gedoopt te zijn voor de doden, dat is, door hun toedoen. En hoi baptizomenoi (de gedoopten) en hoi nekroi (de doden) slaan op elkaar, en bij deze onderstelling konden de Corinthiërs de bedoeling des apostels niet misverstaan. "Nu,', zegt hij, "wat zullen zij doen en waarom werden zij gedoopt, indien de doden niet opstaan?" Gij hebt algemeen de overtuiging, dat deze mensen recht gehandeld en bij die gelegenheid verstandig gedaan hebben, maar waarom, indien de doden niet opgewekt worden, en zij wellicht hun dood verhaast hebben, door een ijverig God tot ijver te verwekken zonder hoop hiernamaals? Maar hetzij het een of ander door den apostel bedoeld is, zonder twijfel was zijn redenering voor de Corinthiërs verstaanbaar en aannemelijk. En wat hij volgen laat is ook voor ons duidelijk.
IV. Hij toont de ongerijmdheid aan van zijn eigen gedrag en van dat der andere Christenen, indien deze onderstelling juist ware.
1. Het zou een dwaasheid van hen zijn om zoveel gevaar te lopen, vers 30. Waarom zijn wij ook alle uur in gevaar? Waarom stellen wij ons zelven onophoudelijk aan allerlei gevaren bloot-wij Christenen en vooral wij apostelen? Ieder wist dat het in dien tijd gevaarlijk was Christen te zijn, en vooral prediker of apostel. Nu, zegt de apostel, welke dwazen zijn wij toch, dat we al deze gevaren lopen zonder enige hoop na den dood, wanneer wij geheel wegsterven en niet weer levend worden? Het Christendom zou een dwaze belijdenis zijn, indien het geen hoop na dit leven stelde, vooral in zulke gevaarlijke tijden als van zijn eerste optreden, want dan eiste het van de mensen alle wereldse zegeningen en gemakken er aan te wagen en alle onheilen van dit leven tegemoet te gaan en door te staan, zonder enig vooruitzicht voor de toekomst. En is dit een trek van zijn godsdienst, die een Christen bekwaam maakt om alles te verdragen? En moet hij niet dezen trek handhaven, indien hij zijn hoop op de toekomst opgeeft door de opstanding der doden te loochenen? Deze redenering past de apostel op zich zelven toe. Ik betuig, zegt hij, bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere, bij al de zegeningen van het Christendom, bij al den bijzonderen steun en hulp van ons heilig geloof, dat ik allen dag sterf, vers 31. Hij was onophoudelijk in doodsgevaar en had, gelijk men het noemt, zijn leven in zijn hand. En waarom zou hij toch zich zelven zo blootstellen, indien hij geen hoop na dit leven had? Te leven in dagelijks uitzicht en verwachten van den dood en toch daarna geen toekomst te zien, moet zeer hard en troostloos zijn, en in dat geval was zijn lot zeer ellendig. Hij had er behoefte aan vast overtuigd te zijn van de opstanding der doden, of hij zou schuldig staan aan buitengewone zwakheid, door al wat hem in de wereld dierbaar was te wagen en zijn leven op het spel te zetten. Hij had zeer grote gevaren en grimmige vijanden ontmoet, hij had te Efeze tegen de beesten gevochten, vers 32, hij had daar gevaar gelopen in stukken gescheurd te worden door een woedende menigte, opgehitst door Demetrius en andere handwerkers, Handelingen 19:24 enz., ofschoon sommigen het letterlijk opvatten en menen dat Paulus, bij een Romeins schouwspel in het amfitheater, aan een gevecht met wilde dieren is blootgesteld geworden. Nicephorus doet daarvan een geregeld verhaal, en vermeldt dat de leeuwen, door wonderdadige tussenkomst des Heeren, hem vriendelijk naderden. Maar mij dunkt, zulk een merkwaardige gebeurtenis in zijn leven zou door Lukas niet verzwegen zijn en nog minder door hem zelven, wanneer hij ons zulk een lange en nauwkeurige opsomming van al zijn lijden geeft in 2 Corinthiërs 11:24 enz. Daar zegt hij vijf malen door de Joden gegeseld te zijn, driemaal met roeden gegeseld, eens gestenigd, driemaal schipbreuk geleden te hebben, en dan is het vreemd, dat hij daarbij niet zou noemen: eens ben ik blootgesteld aan een gevecht met wilde beesten. Ik meen derhalve dat dit gevecht met wilde beesten figuurlijk opgevat moet worden en dat bedoeld worden mensen met kwaadaardige bedoelingen, en dat het door mij aangehaalde geval er door aangewezen wordt. Nu, zegt hij, welk voordeel heb ik van zulke beproevingen, indien de doden niet opgewekt worden? Waarom zal ik alle dagen sterven, mij dagelijks aan een gewelddadigen dood blootstellen, indien de doden niet opgewekt worden? Zich ten dood te begeven zonder enig uitzicht hiernamaals, is grote zwakheid. Was Paulus zo dwaas? Had hij den Corinthiërs enige aanleiding gegeven om zo iets van hem te denken? Indien hij er niet volkomen verzekerd van geweest ware, dat de dood voor hem voordelig zou zijn, zou hij dan op die dwaze wijze zijn leven weggeworpen hebben? Zou iets anders dan de zekere verwachting van een beter leven na den dood, de liefde tot het leven in zo hoge mate in hem uitgeblust hebben? Wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Het is volkomen geoorloofd en geschikt voor een Christen nuttigheid te verwachten van zijn getrouwheid aan God. Dat deed Paulus. Dat deed onze gezegende Verlosser zelf, Hebreeën 12:2. En ons wordt gezegd hetzelfde te doen volgens zijn voorbeeld, en de vrucht te plukken van onze heiligheid, zodat ons doel het eeuwige leven is. Dat is het doel van ons geloof: de zaligheid onzer zielen, 1 Petrus 1:9, niet alleen het doel dat er uit voortvloeit, maar dat wij zullen najagen.
2. Het zou dan veel verstandiger zijn de genoegens van dit leven te genieten. Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, vers 32, laat ons epicuristen worden. In den zin door Jesaja bedoeld, 22:13. Laat ons leven gelijk de beesten, want we moeten sterven gelijk zij. Dat zou een veel verstandiger gedrag zijn, indien er geen opstanding, geen leven na dit leven was, dan het verwaarlozen van alle genoegens des levens, het zich blootstellen en overgeven van alle ellenden des levens, en het voortleven in voortdurend gevaar van om te komen door wilde woede en wreedheid. Dit woord toont duidelijk aan, dat diegenen onder de Corinthiërs, welken de opstanding der doden loochenden, volslagen Sadduceeën waren, van wier beginselen wij in de Schrift deze mededeling hebben, dat zij zeggen: dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, Handelingen 23:8, met andere woorden: De mens is alleen lichaam, er is niets in hem dat het lichaam overleeft, en dat lichaam zal, eens gestorven, niet herleven. Zulke Sadduceeën waren de mannen, tegen welken de apostel hier waarschuwde, anders zou zijn bewijsvoering geen kracht op hen gehad hebben, want, al zou het lichaam niet opstaan, toch zou hij veel nuttigheid hebben gehad van al de gevaren, die hij om Christus' wil doorstond, indien de ziel voortleefde. Zelfs is het wel zeker dat de ziel de voornaamste zetel en genieter van de hemelse heerlijkheid en zaligheid is. Maar indien er geen hoop na den dood was, dan zou ieder verstandig man een gemakkelijk, genoeglijk leven de voorkeur geven boven zulk een ellendig bestaan als de apostel leidde, zelfs zou hij alle krachten inspannen om zoveel van het leven te genieten als mogelijk was, omdat het zo kort is. Niets dan de hoop op een beteren toestand hiernamaals kan een man in staat stellen alle gemakken en genoegens hier te laten varen en armoede, verachting, ellende en dood te omhelzen. Dat deden de apostelen en de eerste Christenen, maar hoe ellendig was hun lot en hoe dwaas hun gedrag, indien zij zich zelven bedrogen en de wereld met ijdele en valse hoop misleidden!
V. De apostel besluit zijn redenering met een waarschuwing, een vermaning en een bestraffing.
1. Een waarschuwing tegen den omgang met mensen van losbandig leven en beginselen, als zeer gevaarlijk. Dwaalt niet, zegt hij, kwade samensprekingen bederven goede zeden, vers 32. Waarschijnlijk waren sommigen van hen, die zeiden dat er geen opstanding der doden is, mensen van losse zeden, en trachtten zij hun verderfelijke levenswijze te verdedigen door die slechte stelling, terwijl ze de uitspraak: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, gedurig in den mond hadden. Nu stemt de apostel toe dat die stelregel zeer juist is, wanneer er geen toekomst bestaat. Maar nu hun beginsel weerlegd te hebben, waarschuwt hij de Corinthiërs thans hoe gevaarlijk de omgang met zulke mensen zou blijken te zijn. Hij zegt hun dat zij zeer waarschijnlijk daardoor verdorven zullen worden en hun levenswandel zullen gaan delen, wanneer zij hun verkeerde beginsel toelaten. Slecht gezelschap en slechte gesprekken zullen gemakkelijk slechte mensen maken. Zij, die hun onschuld bewaren willen, moeten goed gezelschap nemen. Dwaling en ondeugd zijn besmettelijk, en willen wij besmetting ontgaan dan moeten wij hen vermijden die de ziekte hebben. Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden, maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden, Spreuken 13:20.
2. Ene vermaning om hun zonden af te breken en op te waken ten einde een heiliger en rechtvaardiger leven te leiden, vers 34. Waakt op rechtvaardiglijk en zondigt niet, eknêpsate dikaioos, of zondigt niet meer. Wekt uzelven op, breekt uw zonden af door berouw, staat af van en verlaat elke verkeerden weg, herstelt wat verkeerd is, en begeeft u niet, door slordigheid en onwetendheid, in zulke omgang en zulke beginselen, die uw Christelijke hoop verzwakken en uw wandel verderven. Ongeloof in een leven na dit leven vernietigt alle deugd en godsvrucht. Maar de beste vordering, die de waarheid maken kan, is aflaten van de zonde en ons zelven in allen ernst te begeven tot het beoefenen der godzaligheid. Indien er een opstanding en een toekomstig leven bestaan, moeten wij leven en handelen als mensen, die daarin geloven, en ons niet overgeven aan zulke ijdele en dwaze redeneringen, welke onze zeden verderven en ons loszinnig en bandeloos van levenswijs maken.
3. Een verwijt, en wel een zeer scherp verwijt, althans voor sommigen hunner: Sommigen hebben de kennis van God niet, ik zeg het u tot schaamte. Het is beschamend voor Christenen de kennis van God niet te hebben. De Christelijke godsdienst geeft ons de beste mededelingen omtrent God, Zijn natuur, genade en bestuur. Zij, die dezen godsdienst belijden, moeten het zich zelven wijten indien ze zonder de kennis van God blijven, want dat is de schuld van hun eigen slordigheid en geringachting van God, indien ze omtrent Hem onwetend blijven. En het is niet de grootste schande voor een Christen God gering te achten, en zo jammerlijk onwetend te zijn omtrent dingen, die Hem zo van nabij betreffen? Merk op: Het is het gemis van de kennis van God, dat leidt tot de ontkenning van opstanding en toekomstig leven. Zij, die God kennen, weten dat Hij Zijn getrouwe dienaren niet zal verlaten, noch hen doen blootstaan aan zulke moeiten en lijden, zonder enige beloning of vergoeding. Zij weten dat Hij niet ontrouw en onvriendelijk is, en niet vergeet hun arbeid en geduld, hun trouwe diensten en gewillig lijden, en hen niet vergeefs laat arbeiden. Maar ik geloof dat deze uitdrukking nog ernstiger bedoeling heeft, er waren godloochenende mensen onder hen, die nauwelijks het bestaan van God erkenden als van iemand, die enige betrekking met of wetenschap had van menselijke zaken. Dat was inderdaad schande voor een Christelijke gemeente. Werkelijk ligt Godloochening ten grondslag aan het ongeloof aan een toekomstig leven. Zij, die een God en een voorzienigheid erkennen en opmerken hoe verschillend het lot in dit leven is, en hoe het den besten mensen dikwijls het slechtst gaat, kunnen moeilijk twijfelen aan een toekomstigen staat, waarin alle dingen tot hun recht zullen komen.