Johannes 15:1-8
Christus spreekt hier van vrucht, van de vruchten des Geestes, die Zijne discipelen moesten voortbrengen, en Hij spreekt er van onder de gelijkenis van den wijnstok. Merk hier op:
I. De leer van deze gelijkenis, welk denkbeeld wij er van moeten hebben.
1. Dat Jezus Christus de wijnstok, de ware wijnstok is. Het is een voorbeeld voor Christus' nederigheid, dat het Hem behaagt om van zich zelven onder geringe beelden of vergelijkingen te spreken. Hij, die de Zon der gerechtigheid en de blinkende Morgenster is, vergelijkt zich bij een wijnstok. Ook de kerk wordt bij een wijnstok vergeleken, Psalm 80:9. a. Hij is de wijnstok, geplant in den wijngaard, geen vanzelf groeiend voortbrengsel, geplant in de aarde, want Hij is het Woord, dat vlees is geworden. De wijnstok heeft een onooglijk voorkomen, en Christus had gene gedaante noch heerlijkheid, Jesaja 53:2. De wijnstok is ene plant die zich uitbreidt, en Christus zal bekend worden als heil tot aan de einden der aarde. De vrucht van den wijstok eert God en vervrolijkt den mens, Richteren 9:13, dat doet ook de vrucht van Christus' Middelaarschap, zij is beter dan goud, Spreuken 8:9.
b. Hij is de ware wijnstok, zoals waarheid staat tegenover hetgeen slechts voorgewend of nagemaakt wordt, Hij is wezenlijk een vruchtbare plant, ene plant van naam. Hij is niet als die wilde wijnstok, die hen teleurstelde, die er van plukten, 2 Koningen 4:39, maar een ware wijnstok. Van onvruchtbare bomen wordt gezegd, dat zij liegen, Habakuk 3:17, maar Christus is een wijnstok, die niet bedriegen zal, Welke voortreffelijkheid er in enig schepsel zij, dat den mens dienstbaar is, zij is slechts de schaduw van de zegening, die in Christus is ten goede van Zijn volk. Hij is de ware wijnstok, afgeschaduwd door Juda's wijnstok, die hem verrijkte met druivebloed, Genesis 49:11, door Jozefs wijnstok, welks takken over den muur lopen, Genesis 49:22, door Israël's wijnstok, onder welken hij zeker woonde, 1 Koningen 4:25.
2. Dat de gelovigen ranken zijn van dien wijnstok, hetgeen veronderstelt, dat Christus de wortel is van den wijnstok. De wortel wordt niet gezien, en ons leven is met Christus verborgen, de wortel draagt den boom, Romeinen 11:18, doet er sappen doordringen, en is alles in alles voor zijn bloei en vruchtbaarheid, en in Christus is alle ondersteuning en alle voorziening. De takken of ranken van den wijnstok zijn vele, sommigen aan de ene zijde van het huis of den muur, anderen aan de andere zijde, daar zij elkaar echter allen in den wortel ontmoeten, maken zij allen tezamen slechts een wijnstok uit, evenzo zullen alle goede Christenen, hoewel in plaats en denkwijze op een afstand van elkaar, zich in Christus, als het middelpunt hunner eenheid, ontmoeten. Evenals de ranken van den wijnstok, zijn ook de gelovigen zwak, en kunnen niet op zich zelven staan, maar moeten ondersteund en gedragen worden, zie Ezechiël 15:2.
3. Dat de Vader de landman is, geoorgos -de landarbeider. Hoewel de aarde des Heeren is, levert zij Hem gene vruchten op, tenzij Hij haar bearbeide. God heeft niet slechts eigendomsrecht in, maar ook zorg over, den wijnstok en al de ranken. Hij heeft geplant en natgemaakt en den wasdom gegeven, want wij zijn Gods akkerwerk, 1 Corinthiërs 3:9. Zie Jesaja 5:1, 2, 27:2, 3. Hij had het oog op Christus, den wortel, en ondersteunde Hem, en deed Hem groeien uit een dorre aarde. Hij heeft het oog op al de ranken, en snoeit ze, en waakt er over, opdat niets ze zal schaden. Nooit was een landman zo wijs en zo werkzaam over zijn wijngaard, als God over Zijne kerk, die dus voorspoedig moet zijn en bloeien.
II. De plicht, die ons door deze gelijkenis wordt geleerd, de plicht namelijk van vrucht voort te brengen, en om dit te kunnen, in Christus te blijven.
1. Wij moeten vruchtbaar wezen. Van een wijnstok verwachten wij druiven, Jesaja 5:2, en van een Christen verwachten wij Christendom, dat is de vrucht, een Christelijken aard en gezindheid, een Christelijk leven en wandel, Christelijke Godsvrucht en Christelijke bedoelingen. Wij moeten God eren en goed doen, de reinheid en de kracht van den Godsdienst, dien wij belijden, door voorbeelden staven, en dat is vrucht voortbrengen. De discipelen hier moeten vruchtbaar wezen, als Christenen in alle vruchten der gerechtigheid, en als apostelen in het verspreiden van den reuk van de kennis van Christus. Om hen hiertoe te bewegen, wijst Hij:
a. Op het oordeel der onvruchtbaren, vers 2:zij worden weggenomen. Hier wordt te kennen gegeven, dat er velen zijn, die voor ranken in Christus worden gehouden, maar geen vruchten dragen. Indien zij wezenlijk door het geloof met Christus waren verenigd, zij zouden vrucht dragen, maar slechts aan Hem verbonden zijnde door den draad ener uitwendige belijdenis, schijnen zij wel ranken te zijn, maar zullen spoedig verdorde ranken wezen. Onvruchtbare belijders zijn ontrouwe belijders, belijders, maar ook niets meer, maar het moet een vrucht dragen zijn in Christus, want zij, die geen vrucht dragen in Christus en in Zijn Geest en genade, zijn alsof zij in het geheel geen vrucht dragen, Hosea 10:1. Wij hebben hier de bedreiging, dat zij weggenomen zullen worden, in gerechtigheid over hen, en in vriendelijkheid jegens de overige ranken. Van hem, die geen wezenlijke eenheid heeft met Christus, en daardoor ook geen vruchten voortbrengt, "zal weggenomen worden ook hetgeen hij meent te hebben", Lukas 8:18. Sommigen denken dat dit in de eerste plaats op Judas ziet.
b. De belofte aan de vruchtbaren: Hij reinigt ze, opdat zij meer vrucht dragen. Meerdere vruchtbaarheid is de gezegende beloning van vroege vruchtbaarheid. De eerste zegen luidde: Zijt vruchtbaar, en nog is dit een grote zegen. Zelfs vruchtbare ranken hebben, om meer vrucht te kunnen dragen, het nodig om gereinigd en gesnoeid te worden, kaphairei -Hij neemt weg wat overtollig en weelderig is, den groei en de vruchtbaarheid belemmert. Ook de besten hebben iets zondigs in zich, iets dat weggenomen moet worden, denkbeelden, hartstochten of neigingen, die uitgezuiverd moeten worden, hetgeen Christus belooft te zullen doen door Zijn woord en Geest, en voorzienigheid, en ter bestemder tijd zullen zij ook weggenomen worden. De reiniging van vruchtbare ranken ten einde ze nog vruchtbaarder te maken, is de zorg en het werk van den groten Landman, tot Zijn eigen eer en heerlijkheid.
c. Het voordeel, dat de gelovigen hebben van de leer van Christus, waarvan zij de kracht behoren aan te tonen in een vruchtbaren levenswandel: Gijlieden zijt nu rein, vers 3. Hun gezelschap was rein, nu Judas door dat woord van Christus: Wat gij doet, doe het haastelijk, was uitgeworpen, maar zolang zij niet van hem ontslagen waren, waren zij niet allen rein. Het woord van Christus is een onderscheidend woord, en zondert het kostelijke af van het snode. Het zal in den groten dag de gemeente der eerstgeborenen reinigen. Zij waren, een iegelijk hunner, rein, dat is: geheiligd door de waarheid van Christus, Hoofdstuk 17:17, het geloof, waardoor zij het woord van Christus hadden ontvangen, had hun harten gereinigd, Handelingen 15:9. De Geest der genade heeft hen door het woord gelouterd van het schuim der wereld en van het vlees, den zuurdesem der schriftgeleerden en Farizeeën van hen uitgezuiverd, en daarvan waren zij, nadat zij hun ingewortelde vijandschap en woede tegen hun Meester gezien hadden, nu ook tamelijk wel gereinigd. Pas dit toe op alle gelovigen. Het woord van Christus wordt tot hen gesproken, er is reinigende kracht in dat woord, daar het genade werkt en bederf uitwerpt. Het reinigt, zoals vuur het goud reinigt van het schuim, en zoals geneesmiddelen het lichaam reinigen van zijne ziekte. Als wij vrucht tot heiligmaking voortbrengen, dan geven wij het bewijs, dat wij door het woord zijn gereinigd. Wellicht is hier ene toespeling op de wet betreffende wijngaarden in Kanaän, gedurende de eerste drie jaren nadat zij geplant werden, was hun vrucht als onrein en onbesneden, maar in het vierde jaar was zij een heilig ding ter lofzegging voor den Heere, Leviticus 19:23, 24, en dan was zij rein. De discipelen hadden nu gedurende drie jaren het onderwijs van Christus genoten, en gij zijt nu rein.
d. Hoe onze vruchtbaarheid strekken zal tot eer van God, en tot vertroosting en eer voor ons zelven, vers 8. Indien wij veel vrucht dragen, zal hierin onze Vader verheerlijkt worden. De vruchtbaarheid der apostelen, als zodanig, in het naarstige volbrengen van hun ambt, zal strekken tot heerlijkheid Gods in de bekering van zielen, en in de offerande van hen, Romeinen 15:9, 16. De vruchtbaarheid van alle Christenen in een nederiger en enger kring, is tot heerlijkheid Gods. Door uitnemende, goede werken van Christenen worden velen er toe gebracht onzen Vader, die in den hemel is, te verheerlijken. Aldus zullen wij in waarheid Christus' discipelen zijn, en ons dit betonen te zijn, als het blijkt, dat wij wezenlijk zijn wat wij ons noemen. Zo zullen wij ons discipelschap tonen en het versieren, en voor onzen Meester zijn tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid, dat is tot ware discipelen, Jeremia 13:11. Zo zullen wij door onzen Meester erkend worden in den groten dag, en het loon van discipelen hebben, deel in de vreugde onzes Heeren. En hoe meer vrucht wij voortbrengen, hoe overvloediger wij zijn in het goede, hoe meer Hij verheerlijkt wordt.
2. Om vruchtbaar te zijn, moeten wij in Christus blijven, moeten wij door het geloof onze eenheid met Hem bewaren, en alles wat wij in den Godsdienst doen in de kracht dier eenheid doen. Hier is:
a. De opgelegde plicht, vers 4:Blijft in Mij, en Ik in u. Het is het grote belang van al de discipelen van Christus om afhankelijk van Christus te blijven en gemeenschap met Hem te onderhouden, Hem steeds aan te kleven, en van Hem al wat zij nodig hebben te ontvangen. Zij, die tot Christus zijn gekomen, moeten in Hem blijven: "Blijft in Mij door het geloof, en Ik in u door Mijn Geest, blijft in Mij, en vreest dan niet, dat Ik niet in u zal blijven", want de gemeenschap tussen Christus en de gelovigen faalt nooit van Zijne zijde. Wij moeten in Christus, woord blijven door er acht op te slaan, en het moet in ons blijven als een licht op ons pad. Wij moeten blijven in Christus' verdienste als onze gerechtigheid en onzen pleitgrond, en zij moet in ons blijven als onzen steun en troost. De vezelknoop van de rank blijft in den wijnstok, en het sap van den wijnstok blijft in de rank, en zo is er een voortdurende gemeenschap tussen hen.
b. De noodzakelijkheid van ons blijven in Christus om vruchtbaar te zijn, vers 4, 5. Gij kunt gene vrucht voortbrengen, zo gij in Mij niet blijft, maar zo gij in Mij blijft, zult gij veel vrucht dragen, want- in een woord-zonder Mij kunt gij niets doen. Vruchtbaar te zijn is zo noodzakelijk voor ons welzijn en geluk, dat de beste reden om ons tot het blijven in Christus aan te sporen, is, dat wij anders niet vruchtbaar kunnen zijn. In Christus te blijven is ons nodig om veel goed te kunnen doen. Hij, die standvastig is in de oefening van geloof in Christus en in de liefde tot Hem, die leeft en teert op Zijne beloften, en geleid wordt door Zijn Geest, die draagt veel vrucht, hij is zeer dienstig aan Gods heerlijkheid. Eenheid met Christus is een edel beginsel, vruchtbaar in alle goed. Een leven van geloof in den Zone Gods is, zonder vergelijking, het voortreffelijkste leven, dat de mens in deze wereld leiden kan, het is kalm en geregeld, rein en hemels, het is nuttig en genoegelijk, en alles wat aan het doel des levens beantwoordt. Het is ons nodig ten einde goed te kunnen doen. Het is niet slechts een middel om wat er reeds goed in ons is te ontwikkelen en te vermeerderen, maar het is de bron en oorsprong van alle goed. Zonder Mij kunt gij niets doen, niet alleen niets groots: de kranken genezen, of de doden opwekken, maar niets. Wij zijn voor al de werkingen van het geestelijk en Goddelijk leven even afhankelijk van de genade van den Middelaar, als wij voor de werkingen en daden van het natuurlijk leven van de voorzienigheid van den Schepper afhankelijk zijn, want voor beiden is het in de kracht Gods, dat wij leven, ons bewegen en zijn. Zonder de verdienste van Christus kunnen wij niets doen ter onzer rechtvaardigmaking, en zonder den Geest van Christus niets ter onzer heiligmaking. Zonder Christus kunnen wij niets recht doen, niets, dat ene vrucht zal wezen, welbehaaglijk aan God of nuttig voor ons zelven, 2 Corinthiërs 3:5. Wij zijn voor steun van Christus afhankelijk, niet slechts zoals de wijnstok van den muur, maar zoals de rank voor sap afhankelijk is van den wortel.
c. Het noodlottig gevolg van Christus te verlaten, vers 6: Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank. Dat is ene beschrijving van den ontzettenden staat van geveinsden, die niet in Christus zijn, en van afvalligen, die niet in Christus blijven. Zij worden buiten geworpen als dorre ranken, die afgerukt worden, omdat zij den stam hinderen. Het is rechtvaardig, dat diegenen gene nuttigheid van Christus hebben, die denken Hem niet nodig te hebben, en dat zij, die Hem verwerpen, door Hem verworpen worden. Zij, die niet in Christus blijven, zullen door Hem worden verlaten, zij worden aan zich zelven overgelaten, om in ergerlijke zonde te vallen, en dan worden zij terecht van de gemeenschap der gelovigen buitengesloten. Zij zijn verdord, als een tak, die van den boom afgebroken wordt. Zij, die niet in Christus blijven, kunnen voor een tijd nog wel bloeien, in een schoonschijnende, of tenminste tamelijk schoonschijnende belijdenis, maar weldra ver- dorren zij en vergaan. Hun gaven en talenten verdorren, hun goede naam en roem verdorren, hun hoop en vertroosting verdorren, Job 8:11-13. Zij, die gene vrucht dragen, zullen na een wijle ook gene bladeren dragen. Hoe spoedig is de vijgenboom verdord, die door Christus vervloekt werd! Men vergadert dezelve. Satans agenten en afgezondenen rapen ze op, en maken ze tot hun gemakkelijke prooi. Zij, die van Christus weggaan, zullen zich spoedig tot de zondaren begeven, en de schapen, die van Christus' kudde weg dwalen, zullen den duivel ten prooi worden, die reeds gereed staat ze te grijpen en voor zich te bemachtigen. Toen de Geest des Heeren van Saul was geweken, is een boze geest tot hem ingegaan.
Men werpt ze in het vuur, zij, die hen verleiden en tot zonde brengen, werpen ze in het vuur, want zij maken hen tot kinderen der hel. Het vuur is de geschikte plaats voor dorre ranken, want tot niets anders zijn zij nut, Ezechiël 15:2-4. Zij worden verbrand, dit volgt gans natuurlijk, maar het wordt er hier nadrukkelijk bijgevoegd, waardoor de bedreiging des te schrikkelijker wordt. Zij zullen niet in een ogenblik worden verteerd, zoals doornen onder een pot, Prediker 7:6, maar kaietai, zij branden voor eeuwig in een vuur, dat niet slechts niet uitgeblust kan worden, maar zich zelven nooit verteert. Dat komt van Christus te verlaten, dat is het einde van onvruchtbare bomen. Afvalligen zijn twee maal verstorven, Judas 12, en als er gezegd wordt: Men werpt ze in het vuur en zij worden verbrand, dan klinkt dit alsof zij tweemaal verdoemd waren. Sommigen denken dat dit: men vergadert ze, op de engelen ziet en hun bediening in den groten dag, wanneer zij uit Christus' koninkrijk zullen vergaderen al de ergernissen, en het onkruid in busselen zullen binden om het te verbranden.
d. Het zalig voorrecht van hen, die "in Christus blijven", vers 7. Indien gij in Mij blijft, en Mijne woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden. Zie hier: Hoe onze eenheid met Christus in stand wordt gehouden-door het woord: Indien gij in Mij blijft, had Hij tevoren gezegd, en Ik in u. Hier verklaart Hij zich nader, en Mijne woorden in u blijven, want het is het woord van Christus, dat ons wordt voorgesteld en aangeboden. Romeinen 10:6-8. Het is in het woord, dat wij Hem ontvangen en omhelzen, waar alzo het woord van Christus rijkelijk in ons woont, dáár woont Christus. Indien het woord onze voortdurende gids en vermaner is, indien het in ons als tehuis is, dan blijven wij in Christus, en Hij in ons. Hoe onze gemeenschap met Christus onderhouden wordt-door het gebed. Zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden. En wat kunnen wij meer begeren dan alles te verkrijgen, door er slechts om te vragen? Zij, die in Christus blijven als de verlustiging van hun hart, zullen door Christus de begeerte huns harten erlangen. Indien wij Christus hebben, dan zullen wij geen gebrek hebben aan iets, dat goed voor ons is. Er zijn in deze belofte twee dingen opgesloten: Ten eerste. Dat, zo wij in Christus blijven, en Zijn woord in ons blijft, wij niets zullen vragen, dat niet goed voor ons is. De beloften, in ons blijvende, liggen gereed om in gebeden verkeerd te worden, en het kan niet anders, of zulke gebeden moeten verhoring vinden. Ten tweede. Dat zo wij in Christus blijven en in Zijn woord, wij zulk een deel zullen hebben aan Gods gunst en Christus' middelaarschap, dat wij op al onze gebeden een antwoord des vredes zullen ontvangen.