3. En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, om Hem eens te zien en Hem gelijk te worden, die reinigt zichzelf van al wat onheilig en zondig is (
2 Corinthiërs 7:1.
2 Petrus 3:14), zoals Hij, op wie hij zijn hoop gevestigd heeft en die hij in het Evangelie volgens Zijn leven in het vlees altijd voor zich heeft, ook rein is (
Hoofdstuk 2:6,
29 Mattheus 5:8 Hebreeën 12:14). Ook in het woord van de Heere
Johannes 5:39 : "Onderzoek de schriften, want u meent in deze het eeuwige leven te hebben en die zijn het die van Mij getuigen", wordt in de grondtekst het die" door een ander voornaamwoord (eceinai) uitgedrukt, dan te voren het "deze" (en autaiv). Blijkbaar heeft de verwisseling van de pronomina niet haar oorzaak in een verwisseling van de subjecten, maar in het sterker op de voorgrond plaatsen van een en hetzelfde subject. Men zal dus op onze plaats, waar dezelfde afwisseling van de pronomina voorkomt: "die deze hoop op Hem (en autw) heeft" en: "zoals Hij (eceinov) rein is", niet mogen beweren, zoals de meeste uitleggers dat doen, dat hier twee verschillende subjecten voorkomen, de eerste maal God, de tweede keer Christus. Beide keren wordt van Christus gesproken; dezelfde wordt nu de tweede keer sterker op de voorgrond geplaatst. Men wachte zich echter het "reinigt zichzelf, zoals Hij rein is", als een zelfde zaak op te vatten als het "Hem gelijk zijn" in het vorige vers. Dat is werkelijk de eis van zondeloosheid, die als doel van de aardse ontwikkeling van de Christen wordt voorgesteld; maar denk ik mij deze eis ook vervuld, dan is daarmee het "Hem Gelijk zijn" of "zijn, zoals Hij is", nog lang niet gegeven. Ook Christus was zondeloos hier op aarde, maar daarmee nog niet de verheerlijkte, die wij gelijk moeten worden. De zwakheid, waarvan de apostel Paulus met het oog op Christus' aardse leven spreekt (
2 Corinthiërs 10:4). de gebondenheid en velerlei beperktheid, waaraan Hij Zich had onderworpen, bleef, ook al waren wij volkomen zondeloos. Met recht ziet dus Johannes het rein worden naar het voorbeeld van het rein zijn van Christus slechts aan als een voorportaal en een voorwaarde voor het gelijk worden aan Hem, dat eens komen zal.
Hij neemt echter de eis veel strenger dan die gewoonlijk wordt opgevat; hij laat alleen dat als wezenlijk Christelijk gelden wat op de absolute volmaking van de reinheid ziet en met geen andere bevredigd is dan met die, die de heiligheid van de Verlosser gelijkt. Elke minder zedelijke ernst is ook uit de aard van de zaak onverenigbaar met de Christelijke heiligmaking. Deze gaat uit van het zedelijk beeld van de Verlossers en wat aan dit beeld een zo eigenaardig krachtige indruk geeft is juist de vlekkeloze heiligheid. Ook elders vinden wij openbaringen van zedelijkheid, die eerbied eisen, maar aan het licht van deze is altijd nog een schaduw verbonden. Een volkomen menselijke deugd vinden wij in niemand en alleen de volmaakte deugd kan een menselijk hart met geestdrift vervullen. De Christen kan zich daarom bij zijn streven naar heiligheid alleen dat volmaakte als doel stellen.
Evenals het oog geen stofje kan verdragen, maar zo lang traant tot het weer rein is, zo verdraagt ook het oog van de Christen, dat vol hoop op die heerlijkheid ziet, geen stof van de wereld en vliegt er een stofje in, dan wordt met ernst en nauwgezetheid gezocht en God geeft tranen van berouw, die het stof uitwassen.
De herinnering is niet overbodig. Zij was nodig voor de gemeenten, ter wier behoeve de brief van Johannes in de eerste plaats geschreven is. Want deze waren onder de invloed van leraren, die haar leerden tussen zonde en zonde onderscheid te maken, op een wijze dat niet alle zonde "ongerechtigheid", niet alle zonde wetsovertreding scheen en door wie tussen de werken van God en de werken van de boze een zeker middengebied werd aangewezen, waarop de overgebleven zwakheid van het vlees zich met een zekere mate van zorgeloosheid bewoog. Maar is de apostolische herinnering niet heilzaam voor alle belijders? Of zijn niet allen maar al te zeer geneigd te vergeten, dat de kracht van het geloof, de blijdschap van de hoop zich in het werk van de heiligmaking openbaren moet? En schoon zij ook deze waarheid gedenken, zijn zij niet doorgaans veel te lauw en te onstandvastig in haar beoefening? Laat ons zien wat tot haar juiste behartiging behoort. Dit is wel het eerste, dat wij niet beginnen de indruk van deze apostolische herinnering voor ons geweten te verlammen door een ontijdig, een ongeoorloofd beroep op ons zedelijk onvermogen, dat wij niet beginnen te zeggen: "Zeker, maar de Christen staat daar altoos niet. Hij moet er al juist bij bepaald, hij moet ertoe gebracht worden. Het zal alsmede een Godswerk in hem moeten zijn. Anderszins. " Wat anderszins"? Zult u zich uw blijvende onreinheid moeten of mogen getroosten? Helaas, waar op deze wijze de waarheid van God misbruikt wordt om de geboden van God te ontzenuwen, daar is drie vierde deel van de apostolische schrift zo goed als tevergeefs geschreven. Zeker, al het goede komt van God en onze inwendige reiniging is een arbeid, waartoe wij de invloeden van Zijn Heilige Geest volstrekt nodig hebben; maar het is die Heilige Geest bedroeven, als wij onder schijn van Hem te meerder te eren, het woord, waardoor Hij tot ons geweten spreekt, ontwijken, van ons afkaatsen en zo, Zijn eerste werking wederstaande, alle volgende verbeuren. In de tweede plaats bedenkt een ieder in het bijzonder, waarin bij hem deze reiniging naar het goddelijk voorbeeld vooral bestaan moet. De mens van God moet volmaakt zijn, tot alle goed werk volkomen toegerust en wij allen struikelen in velen. Maar niet in alles evenveel. Waarin het meest? en uit welke oorzaak? Is het door liefdeloosheid? Is het door begeerlijkheid, hoogmoed, mensenvrees, ongeduld, hartstochtelijkheid, traagheid? Dit bedenkt een ieder bij zichzelf, dit onderzoekt hij, opdat het werk van de zelfreiniging op zelfkennis gegrond is en met de meeste ernst en de meeste kracht aan de zwakste zijde van het hart wordt ondernomen en voortgezet. Deze wordt, helaas, maar al te vaak juist het meest gespaard en als overblijvende, bijna noodwendige zwakheid, met gestel, bloedsmenging, opvoeding, vroegere weg in verband, verschoond en vergoelijkt. En toch is die zonde, die ons makkelijk omringt, wier overwinning ons de meeste moeite kost, voor ons de verderfelijkste. Toch houdt deze een zonde ons meer terug van de gelijkvormigheid aan de Heilige Geest dan al onze overige deugden ons daartoe kunnen doen naderen. Voorts, als het ons ernst is met de betrachting van het heilig gebod van de reiniging van onszelf, zoals Hij rein is, dan betaamt ons in de derde plaats een nauwgezette opmerkzaamheid op alles, wat in ons dit heilig werk of verstoren of bevorderen kan en een gedrag, naar onze toestand en ondervinding ingericht. Aan elke leeftijd, elke kunne, elke levenskring, aan elke roeping, iedere lotsbedeling zowel als aan ieders persoonlijke aanleg, gaven, vatbaarheden, zijn eigenaardige gevaren en verzoekingen verbonden. Goed begrepen en goed gebruikt kan het echter alles meewerken tot dat goede, waarover wij nu spreken. Dit wel in te zien, die overeenkomstig onze maatregelen te nemen is blijk van een wijsheid, welker betrachting voor God gevallig, van die versmading of veronachtzaming zonde is. Menig oprecht Christen is in dit opzicht niet dan door schade wijs geworden. Zij dan een ieder gewaarschuwd! Kent een ieder zichzelf, doorgrondt hij de zwakheid hem eigen, doorziet hij de gevaren, die hem omringen; bedient hij zich van de hulpmiddelen, die hem gegeven zijn! Zonder bedachtzaamheid, waakzaamheid, leerzaamheid geen vorderingen in heiligmaking. Geef ook vooral acht op hetgeen van Godswege met u plaats heeft, opdat het werk van uw reiniging bevorderd wordt. Neem ter harte de kastijdingen van God. Opdat de vruchtbare rank meer vrucht draagt, snoei haar de goddelijke Landman. Laat u dit welgevallig zijn. Alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn, maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht van de gerechtigheid degenen, die door haar geoefend zijn. Ja, kruis en lijden, goed verstaan, goed gedragen, goed gebruikt, is een oefening in de heiligmaking. Daarom wordt in de Heilige Schrift kruis en lijden doorgaans in verband beschouwd met die heerlijkheid, waarop de hoop van de kinderen van God gericht is. De wijze Vader zendt het toe om voor die heerlijkheid vatbaar, om voor haar genot geschikt te maken. Wend het dan overeenkomstig Zijn heilige bedoeling tot uw reiniging aan. En meen niet dat ander lijden en een ander kruis dan het uwe nog geschikter zou zijn om de bedoeling van God bij u te bereiken. Wees niet wijzer dan God. Geen lijden, geen kruis dan juist het uwe is in staat om u in ootmoed, in geduld, in zachtmoedigheid te oefenen, om de zonde van uw hart te bestrijden, om u los van de aarde te maken, om u nader te brengen en meer te verbinden aan die God, aan wie men gelijkvormig wordt naarmate men zich dichter aan Hem aansluit en meer in Zijn gemeenschap leeft. Zeker, niets reinigt zozeer als het verkeer met de Reine. Daarom moet onder alle omstandigheden niets zozeer gezocht, niets zo vlijtig onderhouden worden als dit verkeer. O u, die uzelf reinigen wilt zoals Hij rein is! wandel met God. Laat God tot u spreken, spreek tot Hem, zoek Zijn verborgen omgang. Wandel in het licht, van Zijn woord. Houd uw hart open en gevoelig voor de heilzame kracht aller goddelijke vermaningen. Laat er u gedurig en altijd opnieuw bij bepalen, er door besturen en bestraffen. Gedenk uw Heiland. Zoek Zijn gemeenschap. Verkeer altijd in uw gedachten met Hem als het uitgedrukte beeld van Godsheiligheid en liefde. De bewerker van uw geluk, het voorwerp van uw hoogste dankbaarheid zij uw bestendig voorbeeld. Vergelijk uzelf niet met uzelf, niet met anderen, maar steeds met Hem. En bedenk hoeveel beminnelijker u zijn zou, als u meer op Hem leek. Onderhoud de geest van het gebed. Deze breekt de kracht van de verzoekingen en God verhoort. Hij wil Zijn Heilige Geest geven aan die, die Hem van Hem vragen. Hij, die tot heiligheid geroepen heeft, Hij zal het aan de kracht tot heiliging, als die ootmoedig en gelovig bij Hem gezocht wordt, geenszins laten ontbreken. Het geloof zal Hij versterken, de hoop zal Hij verhelderen, de liefde zal Hij aanvuren. Met de dankstof zal Hij de dankbaarheid vermeerderen en te voorspoediger zal het werk van de heiligmaking in de vrees van God volbracht worden. O zalig werk, o heilrijke vorderingen! Men werkt aan Zijn geluk, men bevordert zijn aanstaande heerlijkheid. Want heiligheid is inwendige heerlijkheid en de reinheid is reeds hier op aarde de gelukkigste. Welke wortelen schiet de hoop van een Christus neerwaarts bij het voortbrengen van deze vruchten opwaarts! De volmaakt reinen zullen God zien. Deze aanschouwing zal het toppunt van de gelukzaligheid zijn. Maar hoe blijmoedig is reeds de wandel in geloof van hem die deze hoop op Hem hebbend, zichzelf reinigt zoals Hij rein is.