Johannes 17:11-16
Na de algemene pleitgronden, waarop Christus Zijne discipelen in de hoede Zijns Vaders heeft aanbevolen, volgen nu de bijzondere beden voor hen.
1. Zij hebben allen betrekking op geestelijke zegeningen in hemelse zaken. Hij bidt niet, dat zij rijk zullen zijn en groot in de wereld, dat zij grote goederen zullen bezitten, en hoge ambten zullen verkrijgen, maar dat zij bewaard mogen worden voor zonde, toegerust zullen zijn voor hun plicht, en veilig naar den hemel zullen gebracht worden. De voorspoed der ziel is de beste voorspoed, Christus is gekomen om hetgeen daar betrekking op heeft te verkrijgen en te schenken, en Hij leert ons dit in de eerste plaats te zoeken voor ons zelven en voor anderen.
2. Het waren zegeningen, die gepast waren voor hun tegenwoordigen staat en toestand, en hun verschillende noden en behoeften. Christus' voorbede is altijd gepast. Onze Voorspraak bij den Vader is bekend met al de bijzonderheden van hetgeen wij nodig hebben, en van hetgeen ons drukt, met onze gevaren en onze moeilijkheden, en Hij weet Zijne voorbede daarnaar in te richten, zoals Petrus' gevaar, waarvan deze zich zelven niet bewust was, Lukas 22:32, Ik heb voor u gebeden.
3. Hij is ruim en vol in Zijne gebeden, ordent ze voor Zijn Vader, en "vult Zijn mond met argumenten" om ons te leren vurig en dringend te zijn in ons gebed, ruim, veelomvattend te zijn in ons bidden, er over uit te weiden voor den troon der genade, worstelende, zoals Jakob: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. De eerste zaak nu, waarom Christus voor Zijne discipelen bidt, is hun bewaring, en te dien einde geeft Hij hen allen over in de hoede en zorg des Vaders. Bewaring onderstelt gevaar, en hun gevaar ontstond uit de wereld, de wereld waarin zij zich bevonden, voor het boze waarvan Hij bidt, dat zij bewaard zullen worden. Merk nu op:
1. Het verzoek zelf: Bewaar hen van de wereld. Er was tweeërlei wijze, waarop zij van de wereld verlost kunnen worden.
1. Door hen er uit weg te nemen, en Hij bidt niet, dat zij er op deze wijze van verlost zullen worden: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, dat is:
a. "Ik bid niet, dat zij spoedig door den dood zullen weggenomen worden." Indien de wereld kwellend voor hen zijn zal, dan zal het gereedste middel om hen te beveiligen wezen, hen er spoedig uit heen te doen gaan naar een betere wereld, waar zij een betere behandeling zullen ondervinden. Zend vurige wagens en paarden voor hen om hen naar den hemel te halen. Job, Elia, Jona, Mozes hebben, toen zij grievende kwellingen ondervonden, gebeden, dat zij uit de wereld weggenomen zouden worden, maar Christus heeft daar niet om willen bidden voor Zijne discipelen, en wel om twee redenen: a. Omdat Hij gekomen is om den toorn en de hartstochten te overwinnen, waardoor de mensen ongeduldig worden onder het leven en aandringen op den dood, maar niet om die hartstochten te ondersteunen. Hij wil, dat wij ons kruis op ons nemen, niet, dat wij het zullen ontlopen. b. Omdat Hij werk voor hen te doen had in de wereld. De wereld, die hen moede was, Handelingen 22:22, en hen dus niet waardig was, Hebreeën 11:38, kon hen echter niet missen. Uit medelijden dus met deze duistere wereld, wilde Christus deze lichten er niet uit verwijderd hebben, maar er hen in laten blijven, inzonderheid om den wille van diegenen in de wereld, die door hun woord in Hem zullen geloven. Dat zij niet weggenomen worden uit de wereld, wanneer hun Meester er uit heengaat, ieder hunner op zijne wijze zal als martelaar sterven, maar niet voordat zij hun getuigenis voleindigd hebben. Het wegnemen van Godvruchtigen uit deze wereld is volstrekt geen begerenswaardige zaak, maar moet veeleer gevreesd worden, Jesaja 57:1. Hoewel Christus Zijne discipelen liefheeft, laat Hij hen toch niet terstond naar den hemel halen nadat zij krachtdadig geroepen zijn, maar laat hen nog enigen tijd in deze wereld, opdat zij er goed doen en God verheerlíjken op de aarde, en rijp worden voor den hemel. Het leven van vele Godvruchtigen wordt gespaard, omdat zij nog niet van de aarde gemist kunnen worden.
b. "Ik bid niet, dat zij geheel en al vrijgesteld zullen worden van de wederwaardigheden dezer wereld, weggenomen zullen worden van de moeite en de verschrikking er van, en heengevoerd naar ene plaats van rust en veiligheid, om daar ongestoord te kunnen leven. Dat is niet de bewaring, die Ik voor hen begeer. "Niet dat zij, bevrijd van alle moeite en onrust, zich aan weelderig gemak kunnen overgeven, maar dat zij temidden van het gevaar door Gods hulp bewaard zullen worden", zegt Calvijn. Niet dat zij bewaard zullen worden voor allen strijd met de wereld, maar dat zij niet door haar overwonnen zullen worden, niet dat zij, gelijk Jeremia wenste, hun volk mochten verlaten, en van hen trekken, Jeremia 9:2, maar dat gelijk Ezechiël, hun aangezicht stijf gemaakt zal worden tegen het aangezicht der bozen, Ezechiël 3:8. Het is voor een Christen-krijgsknecht meer eer om de wereld te overwinnen, dan om er zich door een kloostergelofte uit terug te trekken, en meer tot eer van Christus om Hem te dienen in ene stad, dan om Hem te dienen in ene cel.
2. Een andere wijze van hen te verlossen van de wereld is hen te bewaren voor het bederf, dat in de wereld is, en Hij bidt, dat zij aldus bewaard mogen worden, vers 11, 15. Deze bede omvat drie zaken:
a. Heilige Vader! bewaar hen, die Gij Mij gegeven hebt. a. Christus ging hen nu verlaten, maar laat hen niet denken, dat hun bescherming hun ontnomen is, neen, zij horen hoe Hij hen overgeeft in de hoede van Zijn Vader en hun Vader. Het is het onuitsprekelijk voorrecht van alle gelovigen, dat Christus zelf hen aan de zorg Gods heeft overgegeven. Diegenen moeten wel veilig wezen, die door den almachtigen God worden bewaard, en Hij zal voorzeker hen bewaren, die door den Zoon Zijner liefde aan Hem worden overgegeven en toevertrouwd. Uit kracht hiervan kunnen wij door het geloof Gode de bewaring onzer ziel overgeven, 1 Petrus 4:19, 2 Timotheus 1:12. Ten eerste. Hij stelt hen hier onder de Goddelijke bescherming, opdat zij door de boosaardigheid hunner vijanden niet terneder geworpen zullen worden, en zij met al hun belangen de bijzondere zorg zullen zijn der Goddelijke voorzienigheid. "Bewaar hun leven, totdat hun werk volbracht is, bewaar hun vertroostingen, en laat die niet verstoord worden door de ongemakken en bezwaren, die zij zullen ontmoeten, bewaar hun invloed in de wereld, en laat dien niet teloorgaan. Aan dit gebed zijn wij de wondervolle bewaring van de Evangeliebediening en de Evangeliekerk in de wereld verschuldigd tot op den huidigen dag. Indien God beiden niet genadiglijk had bewaard en staande gehouden, zij zouden reeds voorlang teniet gegaan zijn. Ten tweede. Hij stelt hen onder het Goddelijk opzicht, opdat zij zelven hun plicht niet verlaten, of door de arglistigheid van hun eigen hart niet ter zijde worden afgeleid. "Bewaar hen in hun oprechtigheid, bewaar hen als discipelen, bewaar hen bij hun plicht". Wij hebben de kracht Gods nodig, niet alleen om ons in een staat van genade te brengen, maar om ons er in te houden. Zie Hoofdstuk 10:28, 29, 1 Petrus 1:5. b. De titel, dien Hij geeft aan Hem, tot wie Hij bidt, en aan hen, voor wie Hij bidt, zet kracht bij aan de bede. Ten eerste. Hij spreekt God aan als Heilige Vader. Als wij ons zelven en anderen der Goddelijke zorg aanbevelen, kunnen wij bemoediging ontvangen: 1. Uit de eigenschap Zijner heiligheid, die Hij als het ware verpand heeft, om Zijne heiligen te bewaren, Hij heeft gezworen bij Zijne heiligheid, Psalm 89:36. Indien Hij een heilig God is en de zonde haat, dan zal Hij de Zijnen heilig maken en hen voor zonde bewaren, die ook zij haten en vrezen als het grootste kwaad.
2. Uit deze betrekking van Vader, waarin Hij door Christus tot ons staat. Indien Hij een Vader is, dan zal Hij zorgen voor Zijne kinderen, hen onderwijzen en bewaren, wie anders zou het doen? Ten tweede. Hij spreekt van hen als van degenen, die de Vader Hem had gegeven. Wat wij als gave onzes Vaders ontvangen, kunnen wij gerust en getroost in de zorg onzes Vaders overgeven. "Vader, bewaar de genade, die gij mij hebt gegeven, de kinderen, die Gij mij hebt gegeven, de bediening des Evangelies, die ik ontvangen heb,'.
b. Bewaar ze in Uwen naam. a. Dat is volgens sommigen: Bewaar ze om Uws naams wil. "Uw naam en Uwe eer zijn gemoeid in hun bewaring, zowel als de Mijne, want beiden zullen er door lijden, indien zij er tegen opstaan of afvallig worden." De Oud Testamentische heiligen hebben dikwijls gepleit om Uws naams wil, en diegenen kunnen daar getroost op pleiten, die in waarheid Gods eer meer ter harte nemen dan hun eigen belangen. b. Bewaar hen in Uwen naam, dat is, volgens anderen: "Bewaar hen in de kennis en vreze van Uwen naam, bewaar hen in de belijdenis en den dienst van Uwen naam, wat het hun ook moge kosten. Bewaar hen in het belang van Uwen naam, en laat hen er steeds getrouw aan blijven, bewaar hen in Uwe waarheid, in Uwe inzettingen, in den weg Uwer geboden". c. Bewaar hen door Uwen naam, volgens nog anderen. "Bewaar hen door Uw eigen kracht, in Uw eigen hand, bewaar Gij zelf hen, wees borg voor hen, sta voor hen in, laat hen het voorwerp wezen van Uw eigen, onmiddellijke zorg. Bewaar hen door die middelen van bewaring, die Gij zelf aangewezen hebt, en door welke Gij U bekend gemaakt hebt. Bewaar hen door Uw woord en Uwe inzettingen, laat Uw naam hun een sterke toren wezen,'.
c. Bewaar hen van den boze, of voor het boze. Hij had hen geleerd dagelijks te bidden: Verlos ons van den boze, en dit zal hen aanmoedigen tot gebed. a. "Bewaar hen van den boze, den duivel en al zijne werktuigen, den boze en al zijne kinderen. Bewaar hen van Satan als een verleider, dat hem niet toegelaten worde hen te ziften, of wel dat hun geloof niet moge ophouden. Bewaar hen van hem als een verderver, opdat hij hen niet tot wanhoop brenge." b. "Bewaar hen van het boze, dat is, van de zonde, van alles, dat er den schijn van heeft, of dat er heen leidt. Bewaar hen van kwaad te doen", 2 Corinthiërs 13:7. Zonde is het kwaad, dat wij boven alle andere kwaad moeten vrezen en afbidden. c. "Bewaar hen van het boze der wereld, en van hun verdrukking er in, zodat er geen angel in is, gene boosheid", niet dat zij voor beproeving of benauwdheid zullen bewaard worden, maar dat zij er in bewaard zullen worden, dat de hoedanigheid hunner beproeving zo veranderd moge worden, dat er geen kwaad in is, niets, dat hen zou kunnen schaden.
II. De redenen, waarmee Hij deze beden om hun bewaring versterkt, het zijn er vijf:
1. Hij pleit er op, dat Hij hen totnutoe bewaard heeft, vers 12. Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik hen in Uwen naam, in het ware geloof aan het Evangelie en den dienst van God, hen, die Gij Mij tot voortdurende volgelingen en metgezellen hebt gegeven, heb Ik bewaard, zij zijn allen veilig, geen van hen ontbreekt, geen van hen kwam in opstand, of ging verloren, dan de zoon der verderfenis, hij is verloren, opdat de Schrift zou vervuld worden". Merk op:
a. Hoe Christus zich getrouw gekweten heeft van Zijne onderneming ten opzichte van Zijne discipelen: Toen Hij met hen was heeft Hij hen bewaard, en Zijne zorg over hen was niet tevergeefs. Hij bewaarde hen in den naam van God, bewaarde hen van in enigerlei gevaarlijke dwaling of zonde te vervallen, van zich te schikken naar, of zich te verenigen met, de Farizeeën, die zee en land omreisd zouden hebben om proselieten van hen te maken. Hij bewaarde hen van Hem te verlaten, en terug te keren tot hun weinigje alles, dat zij verlaten hadden om Hem te volgen. Hij hield hen nog onder Zijn oog en Zijne zorg, toen Hij hen uitzond om te prediken. Ging niet Zijn hart met hen? Velen, die Hem voor een wijle volgden, hadden zich aan het een of ander geërgerd en gingen heen, maar de twaalven heeft Hij bewaard van heen te gaan. Hij heeft hen bewaard van in de handen te vallen van vervolgende vijanden, die hun naar het leven stonden, Hij heeft hen bewaard, toen Hij zich zelven aan Zijne vijanden heeft overgegeven, Hoofdstuk 18:9. Toen Hij met hen was heeft Hij hen op zichtbare wijze bewaard door onderricht, dat hun nog in de oren klonk, door wonderen, gedaan voor hun ogen. Toen Hij van hen weggegaan was, moesten zij op meer geestelijke wijze bewaard worden. Voelbare en zichtbare vertroostingen en ondersteuningen worden soms gegeven, en soms onthouden, maar als zij onttrokken worden, blijven wij daarom niet troosteloos. Wat Christus hier zegt van Zijn onmiddellijke volgelingen, is waar van al de heiligen terwijl zij in deze wereld zijn, Christus bewaart hen in den naam Gods. Hierin ligt opgesloten: a. Dat zij zwak zijn, en zich zelven niet kunnen bewaren, hun eigen handen zijn ongenoegzaam. b. Dat zij in Gods schatting van waarde zijn, en wel waardig om bewaard te worden, dierbaar en kostelijk in Zijne ogen, Zijn schat, Zijne juwelen. c. Dat hun zaligheid bedoeld is, want daarvoor is het, dat zij bewaard worden, 1 Petrus 1:5. Gelijk de bozen bewaard worden tot den dag des kwaads, zo worden de rechtvaardigen bewaard voor den dag der zaligheid. d. Dat zij de beschermelingen zijn van den Heere Jezus, want als de zodanige bewaarde Hij hen, en stelde zich zelven, als de goede Herder, bloot aan gevaar, ten einde Zijne schapen te bewaren.
b. Het troostrijke bericht, dat Hij geeft van Zijne onderneming: Niemand uit hen is verloren gegaan. Jezus Christus zal voorzeker allen bewaren, die Hem gegeven zijn, zodat niemand hunner geheel en voor altijd verloren gaat. Zij kunnen denken verloren te zijn (in dreigend, nakend gevaar), maar het is de wil des Vaders, dat Hij niemand zal verliezen van die Hij Hem gegeven heeft, Hoofdstuk 6:39. En dat zal blijken, als zij allen tezamen komen en geen hunner gemist zal worden.
c. Een brandmerk op Judas, als niet behorende tot hen, die Hij op zich heeft genomen te bewaren. Hij was onder degenen, die aan Christus gegeven waren, maar hij was niet van hen. Hij spreekt van Judas als reeds verloren zijnde, want hij had het gezelschap zijns Meesters en zijner medediscipelen verlaten, en zich aan de leiding des duivels overgegeven, en weldra zal hij heengaan naar zijn eigen plaats, hij is reeds zo goed als verloren. Maar de afval en het verderf van Judas waren geen smaad voor zijn Meester, of voor Zijn gezin, want: a. Hij was de zoon der verderfenis, en dus niet een dergenen, die aan Christus gegeven waren, om door Hem bewaard te worden. Hij verdiende de verderfenis, en God heeft hem overgelaten om er zich zelven in te storten. Hij was de zoon van den verderver, zoals Kaïn, die uit den boze was. De grote vijand, dien de Heere verdoen zal, wordt de zoon des verderfs genoemd, 2 Thessalonicenzen 2:3. Het is een ontzettend denkbeeld, dat een der apostelen een zoon des verderfs is gebleken. Niemands naam of plaats in de kerk, niemands voorrechten of gelegenheden om genade te verkrijgen, niemands belijdenis of uitwendige handelingen zal hem bewaren van het verderf, als zijn hart niet recht staat voor God, en van gene personen is het meer waarschijnlijk dat zij, na een schoonschijnende belijdenis, toch zonen des verderfs blijken te zijn, dan van hen, die evenals Judas de beurs liefhebben, maar dat Christus Judas onderscheidt van hen, die Hem gegeven waren, duidt aan, dat de waarheid en de ware Godsdienst niet moeten lijden om het verraad van hen, die er ontrouw aan zijn, 1 Johannes 2:19. b. De Schrift was vervuld, de zonde van Judas was voorzien in Gods raad, en voorzegd in Zijn woord, en de gebeurtenis zou gewis volgen op de voorzegging als een gevolg, hoewel niet gezegd kan worden, dat zij er noodzakelijk op volgen moest als uitwerksel er van. Zie Psalm 41:10. Wij zouden verbaasd zijn over het verraad der afvalligen, indien het ons niet tevoren gezegd ware.
2. Hij voert aan in Zijn gebed, dat Hij nu in de noodzakelijkheid was van hen te verlaten, en dus niet over hen kon waken op de wijze, zoals Hij het totnutoe gedaan heeft, vers 11. "Bewaar hen thans, opdat Ik den arbeid niet verlieze, dien Ik aan hen besteed heb toen Ik met hen was. Bewaar hen, opdat zij een zijn met ons, gelijk als wij een zijn met elkaar". Wij zullen gelegenheid hebben hiervan te spreken bij vers 21. Maar zie hier:
a. Met welk een genoegen Hij spreekt van Zijn heengaan. Hieromtrent drukt Hij zich uit met gejuich, als het ware, zowel ten opzichte der wereld, die Hij ging verlaten, als van de wereld, waar Hij heenging. a. Ik ben niet meer in de wereld. "Vaarwel nu aan deze ergerlijke, beroering en moeite veroorzakende wereld. Ik heb er genoeg van gehad, en nu is de welkome ure nabij, wanneer Ik er niet meer in zijn zal. Nu Ik het werk, dat Ik er in te doen had, volbracht heb, heb Ik er mede afgedaan, er blijft Mij nu niets meer te doen overig, dan er Mij uit weg te spoeden". Het moet voor hen, die hun tehuis hebben in de andere wereld, een groot genot wezen te denken, dat zij niet meer in deze wereld zijn, want als wij, hetgeen wij te doen hadden in de wereld, gedaan hebben, en geschikt gemaakt zijn voor de andere, wat is er dan hier nog, dat ons tot blijven zou bewegen? Als wij in ons zelven het vonnis des doods ontvangen hebben, met welk een heilig triomferen moesten wij dan niet zeggen: "Ik ben niet meer in de wereld, deze sombere, bedrieglijke wereld, deze verleidende en verontreinigende wereld, ik word niet langer gekweld door hare doornen en distels, ben niet meer in gevaar van hare netten en strikken, nu zal ik niet langer in deze huilende woestijn ronddwalen, niet meer op de baren dezer onstuimige zee heen en weer geschud worden, ik ben niet meer in deze wereld, maar kan haar blijmoedig verlaten en er voor goed vaarwel aan zeggen". Ik kom tot U. Van deze wereld af te komen, dat is slechts de ene helft der vertroosting van den stervenden Christus, van den stervenden Christen, de oneindig veel betere helft is de gedachte aan het heengaan tot den Vader, neer te zitten in de onmiddellijke, ongestoorde en eeuwige genieting van Hem. Zij, die God liefhebben, kunnen niet anders dan gelukkig zijn bij de gedachte van tot Hem te komen, al moeten zij daartoe dan ook door het dal van de schaduwen des doods heengaan. Als wij heengaan om uit het lichaam uit te wonen, dan is het om bij den Heere in te wonen, zoals kinderen die uit de school naar huis gehaald worden bij hun vader. "Nu kom ik tot U, dien ik heb verkoren en gediend, en naar wie mijne ziel dorst, tot U, de fontein van licht en leven, de kroon en het middelpunt van blijdschap en zaligheid, nu zal mijn verlangen worden bevredigd, mijne hoop worden verwezenlijkt, mijne zaligheid volkomen worden, want nu kom ik tot U".
b. Met welk een tedere bezorgdheid Hij spreekt van hen, die Hij achterliet. "Maar dezen zijn in de wereld. Ik heb bevonden welk een boze wereld het is, wat zal er worden van deze dierbare kleinen, die er in moeten blijven? Heilige Vader, bewaar hen, Mijne tegenwoordigheid zullen zij ontberen, laat hen de Uwe hebben. Het is hun thans meer dan ooit nodig bewaard te worden, want Ik ga hen verder de wereld inzenden dan zij nog geweest zijn. Zij moeten nu "afsteken naar de diepte", en handel doen op deze grote wateren, en zo Gij hen niet bewaart, zullen zij verloren gaan". Merk hier op: a. Dat onze Heere Jezus, toen Hij heenging tot den Vader, een tedere zorg bleef behouden voor hen, die de Zijnen in de wereld geweest zijn, en zich hunner bleef ontfermen. Hij draagt hun namen op Zijn borstlap, ja, op Zijn hart, en met de nagelen van Zijn kruis zijn zij in Zijne handpalmen gegraveerd, en als Hij buiten hun gezicht is, dan zijn zij niet buiten het Zijne, en nog veel minder buiten Zijn hart, Zijne gedachten. Zulk een medelijden behoren ook wij te koesteren voor hen, die afgaan in de wereld, wanneer wij er reeds bijna doorheen zijn, en voor hen, die wij er in achterlaten, als wij haar verlaten. b. Dat Christus, als Hij wil te kennen geven hoe hoog nodig het hun is, door God bewaard te worden, slechts zegt: Zij zijn in de wereld. Dit duidt gevaar genoeg aan voor hen, die naar den hemel op reis zijn, en die de vleiende wereld zal willen afleiden en verleiden, en een boosaardige wereld zal haten en vervolgen. Hij pleit op de geruststelling, die het hun zijn zou zich veilig te weten, en welk ene voldoening het Hem zijn zal hen gerustgesteld te zien: Ik spreek dit in de wereld, opdat zij Mijne blijdschap vervuld mogen hebben in zich zelven, vers 13.
a. Christus begeert vuriglijk de volheid der blijdschap voor Zijne discipelen, want Hij wil, dat zij zich ten allen tijde zullen verblijden. Hij liet hen in tranen en ontroering, en toch droeg Hij er afdoende zorg voor om hun blijdschap te vervullen. Toen zij dachten, dat het met hun blijdschap in Hem gedaan was, was zij dichter bij de volkomenheid er van dan ooit tevoren, en waren zij er meer van vervuld. Hier wordt ons geleerd: a. Onze blijdschap te vinden in Christus: "het is Mijne blijdschap, blijdschap, die Ik gegeven heb, of liever: blijdschap, waarvan Ik het onderwerp ben". Christus is de blijdschap des Christens, zijn voornaamste blijdschap. Blijdschap in de wereld vergaat met de wereld, blijdschap in Christus, is, gelijk Hij, eeuwig. b. Naarstiglijk onze blijdschap op te bouwen, want dat is de plicht, zowel als het voorrecht van alle gelovigen, op geen deel van het leven des Christens wordt ernstiger bij ons aangedrongen, Filippenzen 3:1, 4:4. c. Te streven naar de volkomenheid dezer blijdschap, dat zij in ons vervuld worde, want zo wil het Christus.
b. Hiertoe heeft Hij hen aldus plechtig in de zorg en hoede Zijns Vaders overgegeven, en Hij nam hen tot getuigen, dat Hij dit gedaan heeft. Ik spreek dit in de wereld, terwijl Ik nog met hen in de wereld ben. Zijne voorspraak in den hemel voor hun bewaring zou, in zich zelve, even krachtig en afdoende geweest zijn, maar dit spreken in de wereld zal hun een grotere voldoening en bemoediging zijn en zal hen in staat stellen zich te verblijden in de verdrukking. Christus heeft niet slechts vertroostingen verzameld voor Zijn volk door te voorzien in hun toekomstig welzijn, maar hun reeds vertroostingen gegeven, en datgene gezegd wat tot hun voldoening en geruststelling kan dienen. Hier verwaardigde Hij zich, om in de tegenwoordigheid Zijner discipelen Zijn laatsten wil en testament bekend te maken, en hen te doen weten welke legaten Hij hun heeft vermaakt, en hoe goed er voor hen gezorgd was, opdat zij een sterke vertroosting zouden hebben. Christus' voorbede is genoeg om onze blijdschap in Hem te vervullen, er is niets dat krachtdadiger onze vreze en ons wantrouwen tot zwijgen brengt, en ons van sterke vertroostingen voorziet dan dit, dat Hij altijd voor ons voor God verschijnt, waarom de apostel dit door een: ja, wat meer is, versterkt, Romeinen 8:34, zie ook Hebreeën 7:25. 4. Hij voert de slechte behandeling aan, die zij waarschijnlijk in de wereld om Zijnentwil zullen ondervinden, vers 14:"Ik heb hun Uw woord gegeven, om aan de wereld bekend te maken, en zij hebben het ontvangen, hebben het zelven geloofd, en de opdracht aanvaard om het aan de wereld over te geven, en daarom heeft de wereld hen gehaat, alsmede, omdat zij van de wereld niet zijn, evenmin als Ik van de wereld ben." Hier hebben wij:
a. De vijandschap der wereld jegens Christus' volgelingen. Terwijl Christus met hen was, hebben zij der wereld nog weinig tegenstand geboden, en toch haat zij hen, hoeveel te meer zal zij hen dan niet haten, wanneer zij door een veel meer omvattende prediking van het Evangelie de wereld in rep en roer zullen brengen. "Vader, toon U hun vriend te zijn", zegt Christus, "want zij zullen waarschijnlijk vele vijanden hebben, laat hen Uwe liefde hebben, want de haat der wereld zal hun deel wezen. Laat hen, temidden van die vurige pijlen, door Uwe goedgunstigheid gekroond worden, als met een rondas." Het is Gods eer om voor de zwakken partij te trekken, en de hulpelozen te helpen. Heere, wees hun genadig, want de mensen zoeken hen op te slokken.
b. De redenen dezer vijandschap, waardoor aan den pleitgrond kracht wordt bijgezet. a. Een reden er van is, dat zij het woord Gods ontvangen hebben, zoals het hun door de hand van Christus was gezonden, toen het grootste deel der wereld het verwierp en zich stelde tegen hen, die er de predikers en belijders van waren. Zij, die Christus' goeden wil en goed woord ontvangen, moeten den kwaden wil en het kwade woord der wereld verwachten. Evangeliedienaren zijn zeer bijzonder door de wereld gehaat, omdat zij de mensen roepen uit de wereld, en hen er van afscheiden, en hen leren er niet aan gelijkvormig te worden, en aldus de wereld veroordelen. "Vader, bewaar hen, want het is om Uwentwil, dat zij aan gevaar zijn blootgesteld, zij lijden om Uwentwil." Zo pleit ook de psalmist: Om Uwentwil draag ik versmaadheid, Psalm 69:8. Zij, die het woord van Christus' lijdzaamheid verdragen, hebben recht op een bijzondere bescherming in de ure der verzoeking, Openbaring 3:10. De zaak, die een martelaar maakt, kan wel een blijmoedigen lijder maken. b. Een andere reden wordt meer uitdrukkelijk genoemd, de wereld haat hen, omdat zij van de wereld niet zijn. Zij, tot wie het woord van Christus komt met kracht, zijn niet van de wereld, want op allen, die het in de liefde er van ontvangen, heeft het deze uitwerking, dat het hen speent van den rijkdom der wereld, en hen keert tegen de boosheid der wereld, en daarom koestert de wereld wrok tegen hen. 5. Hij pleit op hun gelijkvormigheid met Hem in een heilige ongelijkvormigheid met de wereld, vers 16. Vader, bewaar hen, want zij zijn van Mijn geest en gezindheid, zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben. Diegenen kunnen zich in het geloof aan Gods bewaring overgeven:
a. Die in de wereld waren, gelijk Christus, en in Zijne voetstappen wandelden. God zal hen liefhebben, die als Christus zijn.
b. Die zich niet aan de belangen der wereld verbinden, noch zich aan haren dienst wijden. Merk op: a. Dat Jezus Christus niet van deze wereld was, Hij is er nooit van geweest, en het minst wel thans nu Hij haar ging verlaten. Dit geeft te kennen: Ten eerste. Zijn staat: Hij was geen der gunstelingen of lievelingen van de wereld, geen van hare vorsten of groten, wereldlijke bezittingen had Hij niet. Hij had zelfs niet, waar Hij het hoofd zou neerleggen, Hij had ook geen wereldlijke macht, Hij was geen rechter of scheidsman. Ten tweede. Zijn geest, Hij was der wereld volkomen gestorven, de overste dezer wereld had aan Hem niets, de dingen dezer wereld waren Hem niets. Gene eer was Hem iets, want Hij heeft zich zelven vernietigd, gene rijkdommen, want Hij is om onzentwil arm geworden, gene genoegens, want Hij was een man van smarten, zie Hoofdstuk 8:23. b. Dat ware Christenen dus niet van deze wereld zijn. De Geest van Christus in hen stelt zich tegenover den geest der wereld.
Ten eerste. Het is hun lot om door de wereld veracht te worden, zij zijn niet in gunst bij de wereld, evenmin als hun Meester dit geweest is. Ten tweede. Het is hun voorrecht verlost te zijn van de wereld, gelijk Abraham uit het land zijner geboorte. Ten derde. Het is hun plicht en hun kenmerkende eigenschap om der wereld gestorven te zijn. Hun lieflijkste gemeenschap is, en behoort te wezen, met een andere wereld, en hun grootste belangstelling moet in de zaken dier wereld zijn, en niet in de zaken van deze wereld. Christus' discipelen waren zwak en hadden vele gebreken, maar Hij kon dit voor hen zeggen: dat zij niet van deze wereld, niet van de aarde waren, en daarom beveelt Hij hen in de hoede en zorg des hemels.