5. Die ons bij Zijn verkiezing van te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen (
Galaten 4:5), welk kindschap Hij wilde teweeg brengen door Jezus Christus in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil (vgl. 9, 1
1 Johannes 6:40).
Alle zegeningen van het verleden, het heden en de toekomst schenkt Christus aan Zijn volk. In de geheimnisvolle eeuwen van het verleden was de Heere Jezus van Zijn Vaders eerste uitverkorene en in Zijn verkiezing gaf Hij ons een deel, want wij werden uitverkoren in Hem van vóór de grondlegging van de wereld. Hij had van alle eeuwigheid de voorrechten van het kindschap als van Zijn Vader eniggeboren en geliefde Zoon en Hij heeft ons in de rijkdom van Zijn genade door aanneming en herschepping insgelijks tot het kindschap verheven, zodat Hij ons macht heeft gegeven om kinderen van God te worden. Het enig verbond, gegrond op borgtocht en door eedzwering bevestigd, is het onze, ons tot krachtige troost en zekerheid. In de eeuwige bepalingen van de voorbeschikte wijsheid en van het almachtige besluit was het oog in de Heere Jezus immers op ons gevestigd en wij kunnen verzekerd zijn, dat er in de hele boekrol van onze bestemming geen regel is, die strijdt tegen de belangen van Zijn verlosten. De grote bruiloft van de Vorst der heerlijkheid is de onze, want Hij heeft Zich ons ondertrouwd en eerlang zal zij aan het hele heelal verkondigd worden. De wondervolle vleeswording van de God van de hemel met al de aanbiddelijke neerbuiging en vernedering, die haar wachtte, behoort ons. Het bloedige zweet, de geselslagen, het kruis zijn ons eigendom voor eeuwig. Welke gezegende gevolgen ook voortvloeien uit de volmaakte gehoorzaamheid, uit de volbrachte verzoening, opstanding, hemelvaart of voorspraak, zij allen behoren ons door Zijn eigen gaven. Hij draagt nu onze namen op Zijn borstlap en in Zijn alles kunnen doende smeekgebeden voor de troon gedenkt Hij onze personen en bepleit Hij onze zaak. Zijn heerschappij over de overheden en machten en Zijn volstrekte majesteit in de hemelen wendt Hij aan ten nutte van hen, die in Hem geloven. Zijn verhoging staat evenzeer ten onze dienste als Zijn staat van vernedering. Hij, die zichzelf voor ons in de diepten van de ellende en van de dood overgaf, onthoudt Zijn gaven niet, nu Hij in de hoogste hemelen ten troon zit.