Spreuken 6:20-35
I. Hier is een algemene vermaning om het Woord van God getrouw aan te kleven en het tot onze gids te nemen voor al onze handelingen.
1. Wij moeten het Woord van God beschouwen, beide als een licht, vers 23, en als een wet, vers 20, 23..
a. Door zijn argumenten is het een licht, waaraan wij met ons verstand moeten toegeven, het is een lamp voor onze ogen ter ontdekking, en aldus voor onze voeten om ons te leiden. Het Woord van God openbaart ons waarheden van eeuwige zekerheid, en is gegrond op de hoogste rede. Het licht van de Schrift is zeker licht.
b. Door zijn gezag is het wet, waaraan onze wil zich moet onderwerpen. Gelijk zo'n licht nooit uit de scholen van de philosophen heeft geschenen, zo is nooit zo'n wet van de troon van enige vorst gekomen, zo goed ontworpen en zo bindend. Het is zo'n wet, dat zij een lamp en een licht is, want het draagt het bewijs van zijn voortreffelijkheid in zich.
2. Wij moeten het ontvangen als het gebod onzes vaders, en de wet onzer moeder, vers 20. Het is Gods gebod en Zijn wet. Maar:
a. Onze ouders hebben er ons op gewezen, hebben het ons in handen gegeven, hebben ons opgevoed in de kennis en waarneming ervan, daar zijn oorsprong en verplichting in de hoogste mate heilig zijn. Wij geloven in waarheid, niet vanwege hun zeggen, want wij hebben zelf het beproefd en bevonden, dat het van God is, en nu zien wij er alle reden toe om te blijven in hetgeen wij geleerd hebben, wetende van wie we het geleerd hebben.
b. De waarschuwingen, raad en bevelen, die onze ouders ons gegeven hebben, komen overeen met het Woord van God, en daarom moeten wij ze vasthouden. Als kinderen volwassen zijn, moeten zij zich de wet van een goede moeder herinneren zowel als het gebod van een goede vader. Ecclesiasticus 3:2. De Heere heeft de vader eer gegeven over de kinderen, en het gezag van de moeder bevestigd over de zonen.
3. Wij moeten het Woord van God vasthouden en het goede onderwijs, dat onze ouders ons er uit gegeven hebben.
a. Wij moeten het nooit van ons afwerpen, nooit denken dat het een grote heldendaad is (zoals sommigen dit denken) om zich van het bedwang van een goede opvoeding te ontslaan, Bewaar het gebod uws vaders, bewaar het, en laat het noodt varen.
b. Wij moeten het nooit ter zijde leggen, neen zelfs niet voor een tijd, vers 21 Bind ze steeds, niet alleen op uw hand, (zoals Mozes had geboden, Deuteronomium 6:8), maar aan uw hart. Gedenkcedels op de hand waren van geen waarde, behalve in zover zij Godvruchtige gedachten opwekten in het hart. Daarin moet het Woord geschreven zijn, daarin moet het verborgen wezen, en aan de consciëntie worden gelegd. Hecht ze aan uw hals als een sieraad, een gouden keten om uw hals dat is het Woord, laat ze daar een wacht zijn, bind ze om uw hals, opdat geen verboden vrucht er doorga, en geen boos woord er uit gelaten wordt, aldus zou zeer veel zonde voorkomen kunnen worden. Laat ons het Woord van God altijd gereed bij de hand hebben, en laat ons er de indrukken van gewaar worden, als hetgeen op ons hart gebonden en aan onze hals gehecht is.
4. Wij moeten gebruik maken van het Woord van God, en van het voorrecht, de weldaad, die er voor ons mee bedoeld is. Als wij het voortdurend op ons hart binden,
a. Dan zal het onze gids zijn, en wij moeten zijn aanwijzingen volgen. "Als gij wandelt, zal dat u geleiden, vers 22, het zal u geleiden op de goede en rechte weg, u wegleiden van ieder zondig gevaarlijk pad. Als gij gereed zijt om u ter zijde af te wenden, dan zal het tot u zeggen: Dit is de weg, wandel in hen zelf. Het zal voor u wezen wat de wolk- en vuurkolom was voor Israël in de woestijn. Laat u daardoor leiden, laat het uw regel wezen, dan zult gij geleid worden door de Geest, Hij zal uw waarschuwer en steun zijn."
b. Het zal onze wachter zijn, en wij moeten ons onder de bescherming ervan stellen. "Als gij nederligt, open en bloot zijt voor de boze machten van de duisternis, zal het over u de wacht houden, gij zult veilig zijn en u veilig weten." Als wij ons over dag laten regeren door de geboden van het Woord, en nauwgezet de plicht betrachten, die God ons opgelegd heeft, dan kunnen wij ons bij nacht beschutten onder de beloften van het Woord, en de vertroosting smaken van de uitreddingen, die God voor ons gebiedt en zal gebieden.
c. Het zal onze metgezel zijn, en wij moeten er mee spreken. "Als gij in de nacht wakker wordt, en niet weet hoe uw slapeloze ogenblikken door te brengen, dan zal het, zo dit u gevalt, met u spreken, u onderhouden met lieflijke overdenkingen in de nachtwaken. Als gij wakker wordt in de morgen en het werk van de dag beraamt, dan zal het met u er over spreken, en u helpen om het op de beste manier te regelen", Psalm 1:2. Het Woord van God heeft ons iets te zeggen voor alle gelegenheden, zo wij er slechts in gesprek mee willen komen, willen vragen wat het ons te zeggen heeft, en er gehoor aan geven. En het zou er toe bijdragen dat wij de gehele dag gestadig met God wandelen, als wij met Hem wilden beginnen in de morgen en Zijn woord het onderwerp lieten zijn van onze eerste gedachten. Word ik wakker zo ben ik nog bij U, dat zijn wij, als het Woord nog bij ons is.
d. Het zal ons leven zijn want gelijk de wet een lamp en een licht is voor heden, zo zijn de bestraffingen van de tucht de weg des levens. Die bestraffingen des Woords die ons niet alleen onze fouten tonen, maar ons leren om beter te doen, zijn de weg, die ten leven leidt, ten eeuwigen leven. Zo laat dan getrouwe bestraffingen, die zo'n onmiddellijke strekking hebben om ons gelukkig te maken, ons nooit lastig zijn of ongerust maken.
II. Hier is een bijzondere waarschuwing tegen de zonde van de ontucht. Als wij bedenken hoe veelvuldig deze ongerechtigheid bedreven wordt en hoe verderflijk haar gevolgen zijn, en hoe verwoestend voor al de zaden van het geestelijk leven in de ziel, dan zal het ons niet verwonderen, dat de waarschuwingen er tegen zo dikwijls herhaald worden.
1. Een grote vriendelijkheid, die God voor de mens bestemde in hem Zijn wet te geven was, hem voor deze zonde te bewaren, vers 24. "De bestraffingen van de tucht zijn u daarom de weg des levens, omdat zij bestemd zijn u te bewaren voor de kwade vrouw, die gewis de dood voor u zijn zal, u er voor te bewaren om verlokt te worden door gevlei van de tong van de vreemde vrouw, die voorgeeft u lief te hebben maar het voornemen heeft u te verderven." Zij die door vleierij op zich laten werken, maken zich tot een zeer gemakkelijke prooi van de verzoeker, en zij, die deze strik willen vermijden, moeten de bestraffingen van de tucht als een grote vriendelijkheid beschouwen en aannemen, en dankbaar zijn aan hen, die getrouwelijk met hen handelen, Spreuken 27:5, 6.
2. De grootste vriendelijkheid, die wij onszelf kunnen bewijzen, is: ons op een afstand te houden van deze zonde, en er met de uiterste vrees en afschuw op te zien, vers 25. Begeer haar schoonheid niet, neen, niet in uw hart, want zo gij het doet, dan hebt gij reeds overspel met haar bedreven. Spreek niet van haar bekoorlijkheden, wees niet getroffen door haar verliefde blikken, het zijn alle strikken en netten, laat haar u niet vangen met haar oogleden. Haar blikken zijn vurige pijlen, zij wonden, zij doden, in een andere zin dan die door minnaars bedoeld wordt, zij noemen het een aangename gevangenschap, maar zij is verwoestend, erger dan de Egyptische slavernij.
Salomo voert hier onderscheidene argumenten aan, om aan deze waarschuwing tegen de zonde van de hoererij kracht bij te zetten.
A. Het is een zonde, die de mensen verarmt, hun bezittingen verteert, en hen tot de bedelstaf brengt, vers 26. Door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods, met menige man is dit zo geweest, die het verderf van zijn lichaam en zijn ziel gekocht heeft ten koste van zijn rijkdom. De verloren zoon had zijn goed met hoeren doorgebracht, zodat hij er zich toe gebracht had om het voedsel van de zwijnen te moeten begeren. En die armoede moet wel zeer zwaar drukken, die de mensen door hun eigen dwaasheid over zich gebracht hebben, Job 31:12.
B. Zij dreigt de dood, zij doodt de mensen. De overspeelster jaagt de kostelijke ziel misschien wel met voorbedachten rade, zoals Delila het op Simsons leven gemunt had, of ten minste eventueel, de zonde tast het leven aan. Naar de wet van Mozes was overspel een halsmisdaad, en werd als zodanig gestraft, de overspeler en de overspeelster zullen zeker gedood worden, iedereen wist dit, diegenen dus, die ter bevrediging van een lage lust zich blootstelden aan de strengheid van de wet, kunnen niet anders dan als zelfmoordenaars beschouwd worden.
C. Zij brengt schuld op het geweten en verderft het.
a. Wie zijns naasten huisvrouw met een onkuise aanraking aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden, vers 29. Hij is in onmiddellijk gevaar van overspel, zoals hij, die vuur in zijn boezem neemt, of die op kolen gaat in gevaar is van zich te branden. De weg aller zonde loopt bergafwaarts, en zij, die zich in de verzoeking ervan wagen, zullen nauwelijks aan de zonde zelf ontkomen. De vlieg verspeelt haar leven door in de vlam te dartelen. Het is een diepe afgrond, en het is waanzin om er zich op de rand van te wagen. Hij, die in het gezelschap is van hen, die ter slechter naam en faam bekend staan, die met hen omgaat en hen aanraakt, kan niet lang zijn onschuld behouden, hij stort zich in verzoeking, en zo werpt hij zich buiten de bescherming Gods.
b. Hij, die overspel bedrijft, is op de grote weg naar het verderf. De trotse, vermetele zondaar zegt: "Ik kan mij wel aan de zonde wagen en toch aan de straf ontkomen ik zal vrede hebben, al ga ik ook voort op die weg." Hij kon evengoed zeggen: ik zal vuur in mijn boezem nemen en mijn klederen niet branden, of, ik zal op hete kolen gaan en mijn voeten niet branden. Hij, die tot zijns naasten huisvrouw ingaat, kan zichzelf wel onschuldig achten, maar God zal hem niet onschuldig houden. Het vuur van de lusten ontsteekt het vuur van de hel.
D. Zij ruïneert de goede naam, en legt er eeuwigdurende schande op. Het is een veel ergerlijker zonde dan stelen, vers 30-33, misschien niet in de schatting van de mensen, ten minste niet in die van onze tijd. Een dief wordt naar de gevangenis gezonden, of naar de galg terwijl de overspeler ongestraft blijft, ja in het oog van velen zonder smet of vlek is. Hij durft zich beroemen op zijn schurkerij, en men beschouwt haar als een grap, men lacht en schertst er mede, maar in het oog van God en van Zijn wet was dit een verreweg grotere misdaad, en indien God de fontein is van de eer, dan moet Zijn Woord er de maatstaf van zijn.
a. Wat betreft de zonde van diefstal, als iemand er door de uiterste nood toe komt dat hij steelt, spijs steelt om zijn ziel te vullen dewijl hij honger heeft, zal dit hem wel niet vrijpleiten van schuld, maar toch zo'n verzachtende omstandigheid zijn van zijn misdaad, dat men hem geen verachting aandoet, hem niet aan smaad en schande blootstelt, maar medelijden met hem heeft. Honger zal door stenen muren heenbreken, en de schuld zal gelegd worden op hen, die hem tot armoede brachten, of hem niet ter hulp zijn gekomen, ja al kan hij dat niet tot zijn verontschuldiging aanvoeren, als hij gevonden wordt te hebben gestolen, en het bewijs duidelijk en onmiskenbaar tegen hem is, zal hij toch slechts zevenvoudige vergoeding moeten doen. De wet van Mozes bepaalde dat hij, die een schaap stal viervoudige, en die een os stal, vijfvoudige vergoeding moest doen Exodus 22:1. Dienovereenkomstig heeft David uitspraak gedaan, 2 Samuël 12:6. Maar wij kunnen onderstellen dat ten opzichte van de gevallen, waarin de wet niet had voorzien, de rechters later de strafverordening bepaald hebben naar evenredigheid van de misdaad en overeenkomstig de billijkheid van de wet. Indien nu hij, die uit iemands weide een os stal, vijfvoudig moest wedergeven, dan was het redelijk, dat wie iemands goed stal uit zijn huis zevenvoudig moest wedergeven, want er was geen wet om hem ter dood te brengen, zoals bij ons voor huisbraak bij nacht en voor roof op de grote weg. En het is van deze ergste soort van diefstal, dat Salomo hier spreekt. De grootste straf bestond daarin, dat iemand genoodzaakt kon worden al het goed van zijn huis te geven om aan de wet te voldoen, maar zijn bloed werd niet geëist. Maar,
b. Overspel te bedrijven is een veel erger misdaad, Job noemt haar aldus, het "is een schandelijke daad, een misdaad bij de rechters," Job 31:11. Toen Nathan David wilde overtuigen van het kwaad van zijn overspel, deed hij het door een gelijkenis betreffende een diefstal onder de meest verzwarende omstandigheden, die in Davids tijd verdiende om met de dood te worden gestraft, 2 Samuël 12:5, en toen toonde hij hem dat zijn zonde uitermate meer zondig was dan die.
Ten eerste. Het is een groter smaad voor het verstand van de mens, want hij kan haar niet verontschuldigen, zoals een dief zijn diefstal zou kunnen verontschuldigen door te zeggen dat het was om zijn honger te stillen, maar hij moet erkennen dat hij het deed om een vuile, dierlijke lust te bevredigen, dat hij door de heining van Gods wet heenbrak, niet uit gebrek, maar uit brooddronkenheid. Daarom, die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos, en verdient gebrandmerkt te worden als een aartsgek.
Ten tweede. Zij wordt strenger gestraft door de wet van God, een dief werd slechts met geldboete gestraft, maar de overspeler werd ter dood gebracht. De dief steelt om zijn ziel te vullen, maar de overspeler verderft zijn eigen ziel en valt als een onbeklaagd offer van de gerechtigheid beide van God en de mens. Zondaar, gij hebt uzelf in het verderf gestort. Dit kan toegepast worden op de geestelijke en eeuwige dood, die het gevolg is van de zonde, die het doet wondt zijn consciëntie, verderft zijn verstandelijk vermogens, dooft al de vonken uit van geestelijk leven en stelt zich bloot aan de eeuwige toorn van God, en aldus verderft hij zijn ziel.
Ten derde. De schandvlek ervan is onuitwisbaar, vers 33. Het zal een wonde zijn voor zijn goede naam, een ontering van zijn geslacht, en, ofschoon de schuld ervan weggedaan kan worden door berouw en bekering, de smaad erven kan nooit uitgewist worden, maar zal aan zijn nagedachtenis blijven kleven als hij heengegaan is. Davids zonde in de zaak van Uria was niet slechts een onuitwisbare vlek op zijn karakter maar gaf aan de vijanden des Heeren aanleiding om ook Zijn naam te lasteren.
E. Zij stelt de overspeler bloot aan de woede van de jaloerse echtgenoot, wiens eer hij zo vreeslijk beledigd heeft, vers 34, 35. Wie zijns naasten huisvrouw aanroert en gemeenzaam met haar is, geeft hem aanleiding om jaloers te zijn, en nog veel meer hij die haar verleidt, hetgeen, al is het ook nog zo in het geheim geschied, toen "ontdekt kon worden door het water van de ijveringen", Numeri 5:1-2. "Als het ontdekt wordt, zou het beter voor u zijn om een berin te ontmoeten, die van haar jongen beroofd is, dan de beledigde echtgenoot, die, in het geval van overspel een even strenge wreker zal zijn van zijn eer, als in het geval van manslag van het bloed zijn broeders. Indien gij niet bevreesd zijt voor de toorn van God, zo wees dan bevreesd voor de grimmigheid des mans, zoals de jaloersheid is, zij is sterk als de dood en hard als het graf. In de dag van de wraak, als de overspeler het verhoor ondergaat waarin het om zijn leven gaat, dan zal de vervolger geen moeite of kosten sparen in de vervolging, zal tot uw opzicht niet vermurwd worden zoals hij misschien zou zijn jegens iemand, die hem beroofd heeft, hij zal in geen schikking treden, hij zal geen verzoening aannemen, al zoudt gij hem willen omkopen, het geschenk vergroten, om hem tevreden te stellen, hij zal met niets minder tevreden zijn dan met de volvoering van de wet, gij moet gestenigd worden. Indien iemand al het goed van zijn huis zou geven, het zou een vergoeding kunnen zijn voor een diefstal, vers 31, maar niet voor overspel, in zo'n geval zou het ten enenmale veracht worden. Wees dan beroerd, en zondig niet, stel u niet bloot aan al die ellende voor een ogenblik van laag genot, dat in het einde bitterheid zijn zal.