Spreuken 3:7-12
Wij hebben hier drie vermaningen voor ons, en aan ieder ervan wordt kracht bijgezet door een goede reden.
I. Wij moeten leven in nederige, gehoorzame onderworpenheid aan God en Zijn regering, vers 7. Vrees de Heere, als uw soevereine Heer en Meester, laat u in alles besturen en regeren door uw Godsdienst, en wees onderworpen aan de wil van God. Dit moet:
1. Een nederige onderworpenheid wezen, Wees niet wijs in uw ogen. Er is geen groter vijand van de macht van de Godsdienst en de vreze Gods in het hart, dan waanwijsheid, een hoge dunk van onze eigen wijsheid. Zij die veel op hebben met hun eigen genoegzaamheid, achten het beneden zich en een verkleining van zichzelf, om hun maatregelen te nemen in overeenstemming met de Godsdienst, en nog veel meer om zich door de regelen van de Godsdienst te laten belemmeren of binden.
2. Een gehoorzame onderworpenheid zijn, Vrees de Heere en wijk van het kwade, wacht u van iets te doen om Hem te beledigen en Zijn zorg te verbeuren. De Heere te vrezen, zodat men afwijkt van het kwade, is ware wijsheid en verstand, Job 28:28. Zij, die deze vreze hebben, zijn waarlijk wijs, maar geen waanwijzen, zij zijn niet wijs in hun ogen.
Ten einde ons aan te moedigen om in de vreze Gods te leven, wordt hier beloofd, vers 8, dat dit even dienstig zal wezen voor de uitwendige mens, als ons noodzakelijk voedsel, het zal voedzaam zijn, het zal een medicijn wezen voor uw navel, het zal versterkend wezen, het zal merg zijn voor uw beenderen, vers 8. De voorzichtigheid, matigheid en soberheid, de kalmte en de gemoedsrust en het goede heersen over neigingen en hartstochten, die door de Godsdienst geleerd worden, zijn zeer bevorderlijk, niet alleen aan het welvaren van de ziel, maar ook aan een goede gesteldheid van het lichaam, die zeer begerenswaardig is, en zonder welke onze andere genietingen in deze wereld smakeloos zijn. Nijd is verrotting van de beenderen, de droefheid van de wereld droogt ze uit, maar hoop en blijdschap in God zijn merg er voor.
II. Wij moeten een goed gebruik maken van onze bezittingen, en dat is het middel om ze te vermeerderen, vers 9, 10, Hier is:
1. Een bevel, dat het ons ten plicht stelt om God te dienen met ons goed: Eer de Heere met uw goed. Het is het doel onder schepping en verlossing om God te eren, Hem te wezen tot een naam en een lof, op geen andere wijze zijn wij in staat Hem te dienen dan in Zijn eer. Zijn eer moeten wij bekend maken, en ook de eer, die wij Hem toebrengen. Wij moeten Hem eren, niet alleen met ons lichaam en onze geest, die Zijner zijn, maar ook met onze bezittingen, want ook die zijn Zijne, wij en alles wat ons toebehoort, moeten gewijd zijn aan Zijn eer. Wereldse rijkdom is slechts armzalig goed, maar, zoals die dan is, moeten wij er God mee eren en dan indien ooit wordt hij iets wezenlijks. Wij moeten God eren:
a. Met onze inkomst. Als het vermogen toeneemt, dan zijn wij in verzoeking om onszelf te eren, Deuteronomium 8:17, en ons hart op de wereld te zetten, Psalm 62:11, maar hoe meer God ons geeft, hoe meer wij er naar moeten streven om Hem te eren. Het is bedoeld van de inkomst van de aarde, want wij leven van jaarlijkse voortbrengselen, opdat wij in voortdurende afhankelijkheid leven van God.
b. Met al onze inkomst, naar God ons in alles voorspoedig heeft gemaakt, zo moeten wij Hem eren.
c. Met de eerstelingen van alles, zoals Abel, Genesis 4:4. Dat was de wet. Exodus 23:19, en de profeten, Maleachi 3:10. God, die de eerste en de beste is, moet van alles het eerste en het beste hebben Zijn recht gaat voor dat van ieder ander, en daarom moet Hij het eerst bediend worden. Het is onze plicht om onze wereldlijke bezittingen dienstbaar te maken aan onze Godsdienst, deze en de invloed, die wij er door hebben, te gebruiken ter bevordering van de Godsdienst, met hetgeen wij hebben goed te doen aan de armen, en overvloedig te zijn in alle werken van de Godsvrucht en van de barmhartigheid, milddadigheden beraadslagende.
2. Een belofte, waardoor het ons belang wordt God te dienen met onze bezittingen, het is de manier om van weinig veel te maken, en om van veel nog meer te maken, het is de zekerste en veiligste methode om tot welvaart te komen, zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden. Hij zegt niet uw buidels, of uw geldzakken, maar uw schuren, niet, dat uw kleerkast opnieuw gevuld zal worden, maar dat uw perskuipen van most zullen overlopen, God zal u zegenen met een toeneming van hetgeen nuttig is, niet van hetgeen tot staatsie of sieraad dient, voor hetgeen gebruikt en besteed moet worden, niet voor hetgeen tot ophoping en oplegging dient. Zij, die goeddoen met hetgeen zij hebben, zullen meer hebben om er goed mee te doen. Als wij onze wereldlijke bezittingen dienstbaar maken aan onze Godsdienst, dan zullen wij onze Godsdienst zeer dienstig bevinden voor de voorspoed van onze wereldlijke zaken. Godzaligheid heeft lde belofte des tegenwoordigen levens. Wij vergissen ons als wij denken dat geven ons zal ruineren, ons arm zal maken, neen, geven tot Gods eer zal ons rijk maken, Haggai 2:20. Wat wij gaven, hebben wij.
III. Wij moeten ons naar behoren gedragen onder onze beproevingen, vers 11, 12. Dit wordt aangehaald door de apostel, Hebreeën 12:5, en hij noemt het een vermaning, die tot ons spreekt als tot zonen, met het gezag en de liefde van een vader. Wij zijn hier in een wereld van moeite en benauwdheid. Merk nu op:
1. Wat onze zorg moet wezen als wij in beproeving zijn: er niet verdrietig onder te worden. Zijn vorige vermaning was gericht tot hen, die rijk en voorspoedig zijn, deze is gericht tot hen, die arm zijn en tegenspoed hebben.
a. Wij moeten geen beproeving verachten, al is zij ook nog zo gering, en al duurt zij ook nog zo kort, alsof zij niet de moeite waard was om er nota van te nemen, of alsof zij niet gezonden was met een doel, en er dus niet op behoeft geantwoord te worden. Wij moeten geen stokken en stenen zijn, geen Stoïcijnen onder onze beproevingen, wij moeten er niet ongevoelig onder zijn, er ons niet onder verharden, niet denken dat wij er gemakkelijk doorheen zullen komen zonder God.
b. Wij moeten niet verdrietig zijn onder een beproeving, al is zij ook nog zo zwaar, en al duurt zij ook nog zo lang, er niet onder bezwijken zoals de apostel het uitdrukt, niet ontmoedigd zijn niet tot wanhoop vervallen, noch er toe gedreven worden om onwettige middelen te gebruiken ten einde ons verlichting te verschaffen en herstel van onze grieven. Wij moeten niet denken dat de beproeving zwaarder drukt, of langer duurt, dan nodig of betamelijk is, noch tot de gevolgtrekking komen dat er nooit uitkomst of verlossing zal komen, omdat zij niet zo spoedig komt als wij verwachtten.
2. Wat onder beproeving onze vertroosting zal zijn.
A. Dat zij een Goddelijke kastijding is. Het is de kastijding des Heeren, en evenals dit een reden is waarom wij er ons aan moeten onderwerpen, (want het is dwaasheid te strijden met een God van onbetwistbare soevereiniteit en onweerstaanbare macht) zo is het ook een reden, waarom wij er tevreden onder moeten wezen, want wij kunnen er zeker van zijn, dat een God van vlekkeloze reinheid ons geen onrecht doet, en dat een God van oneindige goedheid geen kwaad voor ons bedoelt. Zij is van God, en daarom moet zij niet verworpen worden, want een geringschatting van de bode is een belediging van hem, die hem gezonden heeft. Zij is van God, en daarom moeten wij er niet verdrietig onder zijn, want Hij weet wat maaksel wij zijn, Hij weet, beide wat wij behoeven en wat wij kunnen dragen.
B. Dat het een vaderlijke kastijding is, zij komt niet van Zijn wraakdoende gerechtigheid als rechter, maar van Zijn wijze liefde als vader. De vader kastijdt de zoon, die hij liefheeft, ja omdat hij hem liefheeft en wenst dat hij wijs en goed zal zijn. Hij verlustigt zich in hetgeen beminnelijk en lieflijk is in zijn zoon, en daarom kastijdt hij hem ter genezing en voorkoming van hetgeen een mismaaktheid in hem zou zijn en een vermindering van zijn welgevallen aan hem. Aldus heeft God gezegd: Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd ik, Openbaring 3:19. Het is voor Gods kinderen een grote troost onder hun beproeving:
a. Dat zij niet alleen bestaanbaar is met, maar voortvloeit uit, verbondsliefde.
b. Dat het er zo ver vandaan is, dat zij hun wezenlijk kwaad doet, dat zij, Gods genade met haar bewerkende, ons zeer veel goed doet, en een gezegend middel is tot onze heiligmaking.