Spreuken 30:7-9
Na Agurs belijdenis van zonde en van zijn geloof, volgt nu zijn gebed, waarin wij kunnen opmerken:
I. De inleiding tot zijn gebed: twee dingen heb ik van U begeerd, o God, dat is: heb ik van U verzocht. Eer wij ons tot bidden begeven, is het goed om te bedenken wat we nodig hebben, wat het is, waar wij God om vragen. Wat eist onze toestand? Wat is het, dat ons hart begeert? Wat willen wij, dat God voor ons doen zal? Opdat wij niet behoeven te zoeken naar ons verzoek en onze bede, als wij ze moeten voordragen. Hij bidt: onthoud ze me niet eer ik sterf. Als wij bidden behoren wij aan sterven te denken, en dienovereenkomstig te bidden: "Heer, schenk mij vergiffenis en genade, eer ik sterf, eer ik van hier ga en niet meer ben, want indien ik niet vernieuwd en geheiligd word eer ik sterf dan zal het daarna niet meer geschieden, als ik niet overmag in het gebed eer ik sterf, dan zal geen gebed daarna overmogen, neen, geen Heer! Heer! Er is niets van deze wijsheid of werking in het graf. Onthoud mij Uw genade niet, want als Gij dat doet, dan sterf ik, indien Gij U van mij stil houdt, dan ben ik als die in de kuil nederdalen, Psalm 28:1. Onthoud het mij niet eer ik sterf, laat mij, zo lang als ik in het land van de levenden ben, onder de leiding blijven van Uw genade en goede voorzienigheid."
II. Het gebed zelf, de twee dingen, die hij begeerde: genoegzame genade en het brood zijns bescheiden deels.
1. Genoegzame genade voor zijn ziel: "doe ijdelheid en leugentaal ver van mij, verlos mij van zonde, van alle verdorven beginselen, praktijken en neigingen, van dwaling en vergissing, die op de bodem zijn van iedere zonde, van de liefde tot de wereld en de dingen van de wereld, die allen ijdelheid zijn en een leugen." Sommigen verstaan het als een gebed om vergeving van zonde, want als God de zonde vergeeft, dan neemt Hij haar weg. Of liever: het is een gebed van dezelfde strekking als: "Leid ons niet in verzoeking." Niets is schadelijker voor ons dan zonde, en daarom is er niets, waartegen wij ernstiger moeten bidden, dan dat wij geen kwaad zullen doen.
2. Geschikt voedsel voor zijn lichaam. Gebeden hebbende om de werking van de goddelijke genade, bidt hij nu om de gunst van de goddelijke voorzienigheid, maar een gunst, die ook zijn ziel ten goede komt, doch haar niet tot nadeel strekt.
A. Hij bidt dat hij als wijze gave van God een genoegzaam deel moge ontvangen van het goede van dit leven. "Voed mij met het brood mijns bescheiden deels, het brood, dat Gij voor mij goedvindt." Ten opzichte van alle gaven van de goddelijke voorzienigheid moeten wij het aan de goddelijke wijsheid overlaten welk deel ervan we zullen ontvangen. Of, "het brood, dat geschikt voor mij is als een man, het hoofd van een gezin, overeenkomt met mijn rang en stand in de wereld " Want, naar de mens is, zo is ook zijn behoefte en zijn bescheiden deel. Onze Heiland schijnt hier het oog op te hebben, als Hij ons leert bidden: "Geef ons heden ons dagelijks brood, " zoals dit woord hier schijnt te verwijzen naar Jakobs gelofte, waarbij hij naar niets meer verlangde dan naar "brood om te eten en kleren om aan te trekken." Het brood onzes bescheiden deels, daar moeten wij tevreden mee wezen, al hebben wij geen lekkernijen geen keur van uitgezochte spijzen, geen overtolligheden, hetgeen nodig is, al hebben wij dan ook geen weelde, geen versierselen, daar kunnen wij in het geloof om bidden en op God voor vertrouwen. B. Hij bidt om bewaard te blijven voor iedere levenstoestand, die een verzoeking voor hem zou zijn.
a. Hij bidt tegen de uitersten van overvloed en van gebrek, armoede of rijkdom geef mij niet. Hiermede wil hij God niets voorschrijven, Hem niet leren in welke staat en toestand Hij hem moet plaatsen ook bidt hij niet in volstrekten zin tegen armoede en rijkdom, alsof deze op zichzelf iets kwaads waren, want door Gods genade kunnen beide geheiligd worden en een middel tot goed voor ons wezen, maar:
Ten eerste wil hij de waardering uitdrukken van wijze en godvruchtige mensen voor een middelmatige levenstoestand, en begeert hij, met onderworpenheid aan de wil van God, dat dit zijn toestand zal wezen, noch grote eer, noch grote minachting. Wij moeten leren ons in beide toestanden te schikken, zoals Paulus, Filipp. 4:12, maar wensen om liever tussen die beide in te wezen.
Ten tweede. Hiermede geeft hij een heilige vrees voor zichzelf te kennen, namelijk dat hij het hoofd niet zou kunnen bieden aan de verzoeking, hetzij van een staat van armoede en gebrek of van een staat van grote voorspoed en welvaart. Anderen kunnen in de een en in de anderen toestand vasthouden aan hun oprechtheid, maar hij is bevreesd voor beide, en daarom leert de genade hem te bidden tegen rijkdom, zoals de natuur hem leert bidden tegen armoede, maar de wil van de Heer geschiede.
b. Hij geeft een Godvruchtige reden op voor zijn gebed, vers 9. Hij zegt niet: "Opdat ik niet als ik rijk ben, overstelpt word van zorgen, en benijd word door mijn naburen, of verslonden word door een heerleger van dienstboden, " of, "opdat ik niet arm zij, en vertreden word, en gedwongen om hard te werken, en een hard leven te leiden, " maar, opdat ik rijk zijnde niet zondige, of arm zijnde niet zondige." Zonde is hetgeen waarvoor een godvruchtige bevreesd is in iedere toestand, Nehemia 6:13, "opdat ik zou vrezen en alzo doen en zondigen.
Ten eerste. Hij vreest de verzoeking van een staat van voorspoed, en daarom bidt hij die af, opdat ik zat zijnde, U dan niet verloochene (zoals Jeshurun vet werd en achteruitsloeg, en God liet varen, die hem gemaakt had, Deuteronomium 32:15) en zegt, zoals Farao in zijn hoogmoed: "Wie is de Heer, wiens stem ik gehoorzamen zou?" Voorspoed maakt de mensen hoogmoedig maakt dat zij God vergeten alsof zij Hem niet nodig hadden, en dus onder geen verplichting jegens hem stonden. "Wat kan de Almachtige voor hen doen?" Job 22, 17. En daarom willen zij ook niets doen voor Hem. Zelfs godvruchtige mensen zijn bang voor de ergste zonden, zo bedrieglijk denken zij dat hun hart is, en zij weten dat het grootste gewin van de wereld niet opweegt tegen de geringste schuld.
Ten tweede. Hij vreest de verzoekingen van een staat van armoede, en om die reden, en geen andere, bidt hij hem af, "of dat ik verarmd zijnde, dan niet stele." Armoede is een sterke verzoeking tot oneerlijkheid, waardoor velen overwonnen worden, die allicht denken dat hun armoede een verontschuldiging is voor hun stelen, maar voor Gods rechterstoel zal die verontschuldiging niet worden aangenomen, evenmin als het voor de rechtbank van de mensen zal baten om te zeggen: "ik stal omdat ik arm was." Maar toch als iemand steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft, dan is het een geval om medelijden te hebben, Hoofdst. 6:30 en waartoe zij zelfs, die wel enige beginselen van eerlijkheid hebben, komen kunnen. Merk echter op waarom Agur dit vreest: niet omdat hij er zich door in gevaar brengt, "opdat ik niet stele en er voor in de gevangenis kom, er voor gehangen word of er als slaaf om verkocht word, zoals met de dieven geschiedde onder de Joden, als zij te arm waren om het gestotene te vergoeden, maar opdat ik er God niet door onteer: opdat ik niet stele en de naam van mijn God ijdel gebruik, oneer aandoe aan mijn belijdenis van de godsdienst door praktijken, die er mee in strijd zijn." Of, "opdat ik niet stele, en als ik ervan beschuldig word een valse eed doe." Hij vreest de ene zonde, omdat zij een andere na zich sleept want de weg van de zonde loopt bergafwaarts.
Merk op: hij noemt God zijn God, en hij is bevreesd om iets te doen, dat Hem beledigt vanwege de betrekking waarin hij tot Hem staat.