Spreuken 27:9-10
1. Hier wordt ons bevolen trouw te zijn aan onze vrienden, vertrouwelijk met hen te blijven en bereid te zijn hun alle goede diensten te bewijzen, die in onze macht zijn. Het is goed een vriend te hebben, een boezemvriend, met wie wij vrij kunnen omgaan, van wie wij raad kunnen ontvangen en aan wie wij raad kunnen mededelen. Deze vriend behoeft geen bloedverwant te zijn, hoewel het het gelukkigst is, als wij onder onze bloedverwanten een hebben, van wie wij een vriend kunnen maken. Petrus en Andreas waren broeders, en dat waren ook Jakobus en Johannes, maar Salomo maakt dikwijls verschil tussen een vriend en een broeder. Maar het is raadzaam om iemand tot onze vriend te kiezen, die in onze nabijheid woont opdat de bekendheid onderhouden kan worden en wederzijdse vriendelijkheid kan worden bewezen. Het is ook goed om inzonderheid acht te slaan op hen, die vrienden waren van onze familie: "Verlaat uw vriend niet, inzonderheid niet als hij ook uws vriend is geweest, laat niet na hem te dienen, en van hem gebruik te maken als er aanleiding toe is. Hij is een beproefd vriend hij kent uw zaken, hij stelt bijzonder belang in u, laat u dus door hem raden." Het is een plicht, die wij onze ouders verschuldigd zijn, om als zij heengegaan zijn hun vrienden lief te hebben en met hen te rade te gaan. Salomo's zoon heeft zich in het verderf gestort door de raad van de vrienden zijn vaders te verlaten.
2. Een goede reden gegeven, waarom wij aldus ware vriendschap op prijs moeten stellen, en voor de keus ervan.
A. Vanwege het aangename ervan. Er is zeer veel lieflijkheid in het omgaan met en het raadplegen van een hartelijke vriend, het is als olie en reukwerk, die zeer aangenaam zien zijn voor de geest, het verblijdt het half, de last van de zorgen wordt lichter door ons hart uit te storten voor een vriend, en het is ons een grote voldoening om zijn gevoelens omtrent onze zaken te kennen. De lieflijkheid van de vriendschap ligt niet in hartelijk lachen, maar in hartelijke raad, de raad van de ziel, getrouwe raad, in oprechtheid gegeven en zonder vleierij, de raad van de ziel, die ingaat in de zaak en doordringt tot het hart, raad omtrent zielsaangelegenheden, Psalm 66-17. Wij behoren die gesprekken het aangenaamst te vinden, die over geestelijke dingen gehouden worden en het welvaren van de ziel bevorderen.
B. Vanwege het nut en voordeel ervan, inzonderheid op de dag van de tegenspoed, wanneer wij, naar ons hier wordt aangeraden, niet in het huis van een broeder moeten gaan, geen hulp moeten verwachten van een bloedverwant alleen maar omdat hij een bloedverwant is, want de verplichting daarvan gaat gewoonlijk weinig verder dan iemand neef te noemen, en faalt als het er op aankomt om een werkelijke vriendelijkheid te bewijzen, maar ons dan veeleer tot onze naburen te wenden, die dicht bij zijn en bereid zijn ons te helpen als de nood aan de man komt. Het is wijsheid om hen aan ons te verbinden door ons vriendelijke, hulpvaardige naburen te betonen, dan zullen wij daar het nut en voordeel van hebben als wij in benauwdheid zijn, daar wij hen dan vriendelijk en hulpvaardig zullen bevinden voor ons, Hoofdst. 18:24.