Spreuken 26:6-9
Om ons wijsheid aan te bevelen en ons op te wekken tot een vlijtig gebruik van al de middelen om wijsheid te verkrijgen, toont Salomo hier aan dat dwazen nergens toe deugen, zij zijn of verdwaasd en denken in het geheel niet, of zij zijn slecht en kunnen nooit iets goeds bedenken.
1. Zij zijn er niet voor geschikt om met enigerlei zaak belast te worden, niet geschikt om op een boodschap uit te gaan, vers 6. Hij die, al is het maar een boodschap zendt door een zot, een zorgeloos, onachtzaam persoon, die zo vervuld is van zijn grappen, zo geheel opgaat in zijn genoegens, dat hij zijn gedachten bij niets ernstigs kan bepalen, zal zijn boodschap verkeerd begrepen zien, de ene helft ervan vergeten, de andere helft onbeholpen overgebracht, en zoveel vergissingen er bij begaan, dat hij zich evengoed de voeten had kunnen afsnijden, dat is: hem in het geheel niet had kunnen zenden. Ja hij ondervindt schade het zal zeer nadelig voor hem zijn iemand gebruikt te hebben, die, inplaats van hem een goed verslag te doen van zijn zaken, hem zal misleiden en bedriegen, want in Salomo's taal zijn een schelm en een dwaas woorden van dezelfde betekenis. Het zal zeer tot oneer strekken van een man om gebruik te maken van de diensten van een dwaas, want de mensen zijn licht geneigd om de meester te beoordelen naar zijn boden.
2. Zij zijn er niet voor geschikt, dat hun enigerlei eer aangedaan wordt. In vers 1 had hij gezegd: eer past de zot niet, hier toont hij aan dat zij aan hem verspild zou zijn, alsof men een edelgesteente, of een weegsteen onder een hoop gewone stenen zou werpen, waar hij begraven en van generlei nut zou zijn, het is even ongerijmd, alsof men "een steen met purper ging bekleden," zo vatten anderen het op, ja meer, het is gevaarlijk, het is alsof men een steen in een slinger bond, waarmee men waarschijnlijk kwaad zou doen. Eer te geven aan een zot, is een zwaard te geven in de hand van een waanzinnige, waarmee hij, wie weet hoeveel onheil kan teweegbrengen, zelfs aan hen, die het hem in handen gegeven hebben.
3. Zij zijn niet geschikt om wijze gezegden over te brengen, en zij behoren het ook niet op zich te nemen om enigerlei zaak van gewicht te behandelen, al zijn er hun ook instructies voor gegeven, en al zouden zij er ook iets voor kunnen zeggen. Wijze gezegden zullen, als een zot ze overbrengt en toepast (op een wijze waaruit blijkt dat hij ze niet recht begrijpt) hun voortreffelijkheid en hun nuttigheid verliezen. "Een spreuk in de mond van de zotten houdt op een spreuk te zijn, en wordt een grap". Indien een man, die een goddeloos leven leidt, godsdienstig spreekt en Gods verbond in zijn mond neemt:
A. Doet hij slechts zichzelf schande aan, zichzelf en zijn belijdenis. Evenals de benen van de kreupele ongelijk zijn, vers 7, waardoor zijn gang lelijk wordt, zo is het lelijk voor een zot om zinrijke spreuken te willen spreken, en raad te willen geven, en om vroom te praten voor een man, wiens wandel volkomen in strijd is met zijn spreken, en hem dus logenstraft. Zijn goede woorden heffen hem op, maar zijn slecht leven werpt hem ter neer, en zo zijn zijn benen ongeluk. "Een wijs gezegde zegt bisschop Patrick betaamt even weinig aan een dwaas, als dansen aan een kreupele, want gelijk zijn lamheid nooit zo sterk in het oog valt als wanneer hij vlug wil schijnen, zo is des anderen dwaasheid nooit zo bespottelijk als wanneer hij wijs wil schijnen." Gelijk het dus voor een kreupele het beste is om maar te blijven zitten, zo is het voor een zot en een goddeloze het beste om te zwijgen. B. Hij doet er slechts kwaad mee aan zichzelf en aan anderen, zoals een dronkaard met een doorn, of een ander scherp voorwerp, dat hij in zijn hand neemt, en waarmee hij zich en hen, die om hem heen zijn, scheurt, omdat hij er niet mee weet om te gaan. Er zijn mensen, die goed spreken, maar niet goed leven, hun goede woorden zullen hun oordeel verzwaren, en door hun inconsequentie zullen anderen zich verharden. Sommigen geven er deze zin aan: Het scherpste gezegde, waardoor een zondaar, naar men zou denken, in het hart getroffen moest zijn, maakt op een dwaas niet meer indruk, ja, al komt het uit zijn eigen mond, dan de krab van een doorn op de hand van een dronkaard, die haar niet voelt en er niet over klaagt, Hoofdst. 23:35.