Spreuken 26:20-22
Twist is als een vuur, hij verhit de geest, verbrandt al wat goed is, en zet huisgezinnen en maatschappijen in vlam. Nu wordt ons hier gezegd hoe dat vuur in het algemeen ontstoken en brandend wordt gehouden, opdat wij de aanleiding tot twist zullen vermijden, en er aldus de noodlottige gevolgen van zullen voorkomen. Willen wij dus vrede houden
1. Dan moeten wij het oor niet lenen aan achterklappers, aan oorblazers, want zij brengen brandstof aan voor het vuur van de twist, ja zij verspreiden het met ontvlambare stoffen, de verhalen, die zij rondvertellen, zijn vuurballen, zij, die door bedekte wenken te geven omtrent slechte karakters, geheimen te openbaren, verkeerde voorstellingen te geven van woorden en daden, doen wat zij kunnen om bloedverwanten, vrienden en naburen naijverig op elkaar te maken, hen van elkaar te vervreemden, onenigheid tussen hen te zaaien, behoren uit de gezinnen en de gezelschappen verbannen te worden, en dan zal de twist even zeker ophouden, zoals het vuur zal uitgaan als er geen brandstof meer is, de twistenden zullen elkaar beter verstaan, en in een betere stemming komen, oude geschiedenissen zullen in het vergeetboek geraken, als er geen nieuwe bij komen om de herinnering aan de oude te bewaren, en van beide zijden zal men inzien door de gemenen vijand te zijn bedrogen. Achterklappers en oorblazers zijn brandstichters, die niet geduld moeten.
Om dit op te helderen herhaalt hij, vers 22, wat hij tevoren gezegd had, Hoofdst. 18:8 dat de woorden van een oorblazer zijn als degenen die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste van de buik, zij zijn als wonden, diepe en gevaarlijke wonden, wonden in de levensdelen, zij wonden de goede naam van hem, die belogen en belasterd wordt en de wonde blijkt misschien ongeneeslijk te zijn, en zelfs de pleister van een herroeping (die echter zelden verkregen wordt) kan blijken niet groot genoeg te zijn om haar te bedekken, zij wonden de liefde en barmhartigheid, welke hij, tot wie zij gesproken worden, voor zijn naaste behoort te koesteren, en brengen een noodlottigen dolksteek toe aan vriendschap en Christelijke gemeenschap. Daarom moeten wij niet alleen zelf geen oorblazers zijn, noch ooit iemand slechte diensten bewijzen, maar ook niet de minste steun of aanmoediging geven aan hen, die het zijn.
2. Wij moeten ons niet vergezellen met gemelijke, hartstochtelijke lieden, die lichtgeraakt zijn en aan alles de slechtste uitlegging geven, die om het minste en geringste gaan twisten, hoog en heet zijn in hun kwalijk nemen van beledigingen, deze zijn kijfachtige mannen om twist te ontsteken, vers 21. Hoe minder wij met de zodanigen te doen hebben hoe beter, want het zal zeer moeilijk zijn om niet te twisten met hen, die twistziek zijn.