10. De weelde, het leven in vermaak, overvloed en uitwendige heerlijkheid staat enen zot, die de godsvrucht en den ootmoed niet bezit, niet wel; zij is hem niet nuttig, hij zal daardoor nog erger en goddelozer worden, en zich zelven en anderen verderf bereiden (
Hoofdstuk 17:7;
26:1); a) hoeveel te min nog enen knecht, enen mens met ene kruipende ziel, die aan zijne begeerlijkheden is overgegeven, om te heersen over vorsten, over dezulken, die door de wijsheid, die uit God is, zijn vrij gemaakt, en een edel hart hebben. Gelukt het een zodanigen slaaf door uiterlijke omstandigheden echter tot enen schijn van heerschappij te geraken, dan zal zijn val des te onverwachter zijn.
a) Spreuken 30:22. Prediker 10:7.
Door "vorsten" moeten hier verstaan worden zulke personen, die door God geroepen zijn, om het volk voor te gaan in godsvrucht en wijsheid, en door goede verordeningen de geestelijke belangen des volks te bevorderen. Dezulken te beheersen, daartoe behoort nog meer geestkracht, dan om zich bij grote gastmalen en in voorspoed verstandig te gedragen. Wanneer nu een dwaas, die gene wilskracht bezit, datgene niet vermag, wat gemakkelijk is, hoe zal hij dan het moeilijke kunnen doen. Het is ene omkering der wereldorde, waarbij dienen en heersen niet kunnen zamengaan..