Spreuken 25:6-7
1. Hier zien wij dat de Godsdienst, wel ver van goede manieren tegen te gaan, ons juist leert om ons nederig en eerbiedig te gedragen tegenover onze meerderen, op onze plaats te blijven, en de voorrang te geven aan wie hij toekomt. "Dring u niet naar voren in de tegenwoordigheid des konings of in de tegenwoordigheid van de groten, stel u niet met hen geluk zo verstaan het sommigen wedijver niet met hen in kledij, in huisraad, in tuinen, in het voeren of inrichten van uw huishouding, of in personeel van dienstboden, want dat is een belediging voor hen en zal uw bezitting ruïneren."
2. Dat de Godsdienst ons nederigheid en zelfverloochening leert, hetgeen nog beter is dan goede manieren. "Verloochen en sta de plaats af, waar gij recht op hebt, begeer niet te pronken of te pralen, haak niet naar bevordering, en dring u niet in in het gezelschap van hen, die boven u zijn, vergenoeg u met een nederige sfeer, indien God u daar uw plaats heeft aangewezen." De reden, die hij geeft, is dat dit het wezenlijke middel is om tot verhoging te komen, zoals onze Heiland aantoont in een gelijkenis, die hieraan ontleend schijnt te zijn, Lukas 14:9. Niet dat wij bescheidenheid en nederigheid moeten voorwenden, die als het ware als een krijgslist moeten gebruiken om tot eer te komen, neen, wij moeten wezenlijk nederig en bescheiden zijn, omdat God hen, die het zijn, zal eren, en dat zullen ook de mensen. Het is beter voor een mens en zal hem meer voldoening schenken om bevorderd te worden boven hetgeen hij verwacht, of waarop hij aanspraak maakt, dan om van zijn plaats teruggestoten te worden in de tegenwoordigheid van een prins, wie van nabij te zien een grote eer was, en in wiens tegenwoordigheid zich in te dringen een groot bewijs van brutale aanmatiging is.