Spreuken 25:11-12
Salomo toont hier aan:
1. Hoe goed en betamelijk het is voor een man om goed en gepast te spreken. Een woord, gesproken op de juiste tijd en in op de juiste plaats, onderricht, goede raad of vertroosting ter rechter tijd gegeven en in juiste, gepaste uitdrukkingen, geschikt voor de omstandigheden van de persoon, tot wie gesproken wordt, en in overeenstemming met het karakter van de persoon, die spreekt, is als gouden ballen, die op appels gelijken, of als wezenlijke met een goudkleur (goudrenetten) of misschien verguld zoals wij soms laurieren vergulden, op tafel gebracht in een zilveren mand, van wat wij filigraanwerk noemen, door hetwelk de gouden appelen heen gezien worden. Ongetwijfeld was dit een tafelversiersel, dat toen welbekend was. Gelijk dit nu zeer bekoorlijk was voor het oog zo is een woord ter rechter tijd gesproken, strelend voor het oor.
2. Inzonderheid om een bestraffing te geven met wijsheid, op een manier die haar aangenaam maakt. Als zij op een goede manier gegeven wordt door een wijs bestraffer, en goed opgenomen wordt door een horend oor, dan is zij als een gouden oorsiersel en een halssieraad van het fijnste goud, zeer bevallig, en dat de straffen zowel als de bestrafte goed staat, beide zullen hun lof hebben, de bestraffer omdat hij haar op zo goede en verstandige wijze gegeven heeft, en de bestrafte, omdat hij haar zo goed en geduldig opgenomen heeft en er een goed gebruik van heeft gemaakt. Anderen zullen hen beide loven, en zij zullen voldoening hebben in elkaar, hij, die de bestraffing gaf is voldaan omdat zij de gewenste uitwerking had, en hij, aan wie zij gegeven werd, heeft reden om er dankbaar voor te zijn als voor een vriendelijkheid. Datgene is goed gegeven, zeggen wij, dat goed aangenomen werd, maar niet altijd wordt goed aangenomen wat goed gegeven werd. Het ware te wensen dat een wijze bestraffer altijd een horend oor vond, maar zo is het niet.