Spreuken 24:21-22
Godsdienstigheid en trouw moeten samengaan. Als mensen is het onze plicht om onze Schepper te eren, Hem te aanbidden en eerbied te betonen, en altijd in Zijn vreze te zijn. Als leden van een gemeenschap, ingesteld tot wederzijds voordeel, is het onze plicht om trouw en gehoorzaam te zijn aan de regering, die God over ons gesteld heeft, Romeinen 13:1, 2. Zij, die waarlijk Godsdienstig zijn, zullen uit gehoorzaamheid aan God getrouw zijn aan de overheid, de Godvruchtigen in het land zullen de stillen in den lande zijn, en diegenen zijn niet waarlijk getrouw aan hun overheid, of zullen het niet langer blijven dan overeenkomt met hun belangen, die niet waarlijk godsdienstig zijn. Hoe zou hij trouw kunnen zijn aan zijn vorst, die ontrouw is aan zijn God? En als deze in mededinging komen met elkaar, dan is het een uitgemaakte zaak: wij moeten God meer gehoorzamen dan de mensen.
Het invoeren van nieuwigheden in beide moet geschuwd worden. Vermeng u niet met hen hij zegt niet met hen, die een verandering willen, want er kan reden zijn voor een verandering ten goede maar met hen, die naar verandering staan, die haar willen om maar te veranderen, uit gemelijke ontevredenheid met het bestaande en een verzot zijn op nieuwigheid, of een begeerte om in troebel water te vissen. Vermeng u niet met hen, die naar verandering staan, hetzij in de Godsdienst, of in de burgerlijke regering, kom niet in hun verborgen raad, voeg u niet bij hen om komplotten te smeden, kom niet in de verborgenheid hunner ongerechtigheid.
Zij, die van een onrustige, oproerige, woelzieke geest zijn, halen zich eer zij het weten onheilen op de hals, hun verderf zal haastig ontstaan. Al houden zij hun plannen ook nog zo geheim, zij zullen ontdekt worden en de welverdiende straf ondergaan, als zij er weinig aan denken. Hun verderf zal haastig ontstaan. Wie kent de tijd en de wijze van het verderf, dat beide God en de koning zullen brengen over hun verachters, zowel over hen, als over degenen, die zich met hen vermengd hebben?