1 Petrus 2:13-25
De algemene regel voor een Christelijken wandel is deze: hij moet eerlijk zijn, en kan dat niet wezen zonder nauwgezette vervulling van alle maatschappelijke plichten. De apostel gaat hier nader op enige daarvan in.
I. Het geval van onderdanen. Christenen waren niet alleen berucht als uitvinders van een nieuwen godsdienst maar ook als verstoorders van den staat. Het was daarom zeer nodig dat de apostel de regelen en den maatstaf van gehoorzaamheid aan de burgerlijke overheid aangaf, zoals hij thans doet.
1. Onderwerping is plicht, waaronder begrepen is gehechtheid en eerbied voor hun personen, gehoorzaamheid aan hun rechtvaardige wetten en onderwerping aan wettige straffen.
2. Deze onderwerping zijn zij verschuldigd aan de volgende personen.
A. Meer in het algemeen. Alle menselijke ordening. Overheid is zeker een goddelijke instelling, maar de bijzondere vorm van regering, de macht van de overheid en de personen, die deze macht moeten uitoefenen, zijn menselijke ordeningen, en worden geregeld door de wetten en instellingen van elk land in het bijzonder. Dit is een algemene regel, alle volken bindende, hoe ook de gevestigde vorm van regering zijn moge.
B. In het bijzonder. Den koning, als de opperste machthebbende, de eerste in waardigheid en voornaamste in rang, de koning is een wettig persoon, geen tiran. Den stadhouders, consuls, gouverneurs van provincies, als die van hem gezonden worden, door hem afgevaardigd om te regeren.
3. Deze plicht wordt aangedrongen met de volgende redenen.
A. Om des Heeren wil, die de overheid heeft ingesteld tot heil der mensheid, en die daarom gehoorzaamheid en onderwerping eist, Romeinen 13, en wiens eer betrokken is bij de nauwgezette vervulling der plichten van onderdanen aan hun overheid.
B. Het doel van de bediening der overheid, namelijk: het straffen van de kwaaddoeners en het aan moedigen van allen, die goeddoen. Zij werd aangesteld tot welzijn van de maatschappij, en wanneer dat doel niet wordt nagestreefd en bereikt, ligt de fout niet in de instelling maar in de praktijk.
a. De ware godsdienst is de beste steun voor de burgerlijke overheid, hij vereist onderwerping om des Heeren wil en ter wille van het geweten.
b. Alle straffen en al de overheden ter wereld kunnen niet verhinderen dat er kwaaddoeners zijn.
c. De beste wijze, waarop de overheid zich kan kwijten van haar plicht en nuttig voor de maatschappíj zijn, is rechtvaardig straffen en belonen. C. Een andere reden, waarom de Christenen zich moeten onderwerpen aan de burgerlijke overheid, is dat het de wil Gods is, en bijgevolg hun plicht, en omdat dit de wijze is om de kwaadaardige lasteraars en de onwetende dwaze mensen tot zwijgen te brengen, vers 15.
a. De wil van God is voor een godvrezende de voornaamste reden voor enigen plicht.
b. Gehoorzaamheid aan de overheid is een voornaam deel van den Christelijken plicht.
Het is de wil Gods.
c. Een Christen moet trachten in alle omstandigheden zich zo te gedragen, dat hij de onverdiende smaadredenen van de onwetendste en dwaaste mensen tot zwijgen dwingt.
d. Zij, die tegen godsdienst en godvrezenden spreken, zijn onwetende en dwaze mensen.
D. Hij herinnert hen aan het geestelijk karakter van de Christelijke vrijheid. De Joden achtten zich door de uitspraak van Deuteronomium 17:15 verplicht geen anderen gebieder te gehoorzamen dan die uit hun eigen broederen genomen was en de bekeerde Joden achtten zich ontslagen van onderwerping door hun betrekking tot Christus. Om zulke verkeerde gedachten te voorkomen, zegt de apostel den Christenen dat zij vrij zijn, maar waarvan? Niet van den plicht van gehoorzaamheid aan Gods wet, die onderwerping aan de burgerlijke overheid vordert. Zij waren geestelijk vrij van de banden van zonde en Satan, en van de ceremoniële wet, maar zij mochten hun Christelijke vrijheid niet gebruiken als een dekmantel der boosheid of van het verzuimen van enigen plicht jegens God of jegens hun meerderen, doch zich steeds herinneren dat zij dienstknechten Gods waren.
a. Alle dienst knechten van Christus zijn vrijen, Johannes 8:36, zij zijn vrij van de heerschappij des Satans, de veroordeling der wet, den toorn Gods, het drukkende van den plicht en den schrik des doods.
b. De dienstknechten van Jezus Christus moeten zeer zorgvuldig toezien, dat zij hun Christelijke vrijheid niet misbruiken, zij mogen die niet gebruiken als deksel voor enige boosheid tegen God of ongehoorzaamheid tegen hun meerderen.
4. De apostel besluit zijn betoog aangaande de plichten der onderdanen met vier bewonderenswaardige voorschriften.
A. Eerst een iegelijk. Het hun verschuldigd deel van eerbied moet allen gegeven worden, de arme mag niet worden veracht, Spreuken 17:5, de bozen moeten geëerd worden, niet om hun boosheid, maar om andere hoedanigheden, bijvoorbeeld doorzicht, voorzichtigheid, moed, bekwaamheid of het grijze hoofd. Abraham, Jakob, Samuël, de profeten en apostelen maakten nooit bezwaar om de verschuldigde eer te geven ook aan de boze mensen.
B. Hebt de broederschap lief. Alle Christenen zijn ene broederschap, verenigd in Christus als hun hoofd, gelijkstaande met elkaar in aanspraken, nauw met elkaar verbonden door gemeenschappelijke belangen, gemeenschap hebbende met elkaar, op weg naar hetzelfde huis, en daarom behoren zij elkaar met bijzondere liefde te beminnen. C. Vreest God met den hoogsten eerbied, plichtsbetrachting en onderwerping, indien gij daarin tekort komt, kunnen al de andere plichten niet naar behoren vervuld worden.
D. Eert den koning, met die hoogste eer, die hem boven andere mensen toekomt.
II. Het lot van de dienstknechten behoefde een apostolische beslissing zowel als de zaak der onderdanen, want zij verbeeldden zich dat hun Christelijke vrijheid hen ontsloeg van gehoorzaamheid aan hun ongelovige en wrede meesters. Daarop antwoordt de apostel: Gij huisknechten, weest met alle vreze onderdanig, vers 18. Onder huisknechten verstaat hij alle dienstbaren, hetzij gehuurd, of met geld gekocht, of krijgsgevangen gemaakt, of in des meesters huis geboren, of die slechts op contract voor bepaalden tijd dienden.
1. Hij beveelt hun onderdanig te zijn, getrouw en eerlijk hun werk te verrichten, zich te gedragen zoals ondergeschikten betaamt, met eerbied en genegenheid, en zich geduldig te onderwerpen aan moeiten en ongemakken. Deze onderwerping zijn zij hun meesters verschuldigd, die hebben recht op hun diensten, en dat niet alleen de goeden en bescheidenen, die hen goed gebruiken en niet al te streng op hun rechten staan, maar ook de harden en verkeerden, die bijna in `t geheel niet te voldoen zijn.
A. Dienstknechten moeten hun meesters onderworpen zijn en vrezen hun te mishagen.
B. Het zondig wangedrag van een der partijen rechtvaardigt niet een zondig gedrag van de andere partij, de dienstknecht is gehouden aan zijn plicht, ofschoon de meester zondig hard en veeleisend is.
C. Godvrezenden zijn zacht en vriendelijk voor hun dienstbaren en ondergeschikten. De apostel toont zijn liefde en belangstelling zowel voor de zielen der arme dienstknechten als voor die van hoger-geplaatsten. Hierin moet hij nagevolgd worden door al de mindere dienaren, die zeer bepaald hun raad moeten geven zowel aan de lageren, de geringeren, de jongeren en de armeren onder hun hoorders, als aan de anderen. 2 Na hun bevolen te hebben onderdanig te zijn, gaat hij er toe over om daarvoor de redenen op te geven.
A. Wanneer zij geduldig waren onder hun moeiten, terwijl zij onrechtvaardig leden, en toch voortgingen hun plicht te vervullen jegens hun ongelovige en afkerige meesters, dan zou dat Gode aangenaam zijn, en Hij zou hen belonen voor al wat zij om des gewetens wil voor Hem zouden lijden, maar geduldig een verdiende straf te dragen verdient in `t geheel geen lof. Alleen indien gij verdraagt als gij weldoet en daarover lijdt, dat is genade bij God, vers 19, 20.
a. Er is geen levenstoestand zo gering of een mens kan er zijn geweten in gehoorzamen en God verheerlijken, dat kunnen ook de laagste dienstknechten.
b. De mensen met de tederste gewetens zijn dikwijls de grootste lijders. Om het geweten voor God, droegen zij zwarigheid, lijdende ten onrechte, zij deden wel en leden daarom. Maar lijders van die soort zijn prijzenswaardig, zij vereren God en den godsdienst, zij zijn Gode aangenaam, en dat is hun hoogste ondersteuning en voldoening. c. Verdiend lijden moet geduldig verdragen worden. Indien gij geslagen wordt als gij zondigt, dan moet ge daaronder lijdzaam zijn. Het lijden in deze wereld is niet altijd een bewijs van onze toekomstige gelukzaligheid, wanneer kinderen of dienstbaren onhandelbaar zijn en hun plicht verzuimen en daarvoor lijden, dan zal dat hen niet aangenaam bij God maken of hun lof van den mensen verwerven.
B. Hier volgen nog meer redenen om Christelijke dienstknechten aan te moedigen tot geduld onder onrechtvaardig lijden, vers 21.
a. Hun Christelijke roeping en belijdenis: Hiertoe zijt gij geroepen..
b. Het voorbeeld van Christus, die voor ons geleden heeft, en daardoor ons een voorbeeld naliet, opdat wij Zijne voetstoppen zouden navolgen. Hieruit leren wij: Ten eerste. Dat de ware Christenen de mensen zijn, die geroepen worden om te lijden, en dat zij dat dus moeten verwachten. Door de beginselen van het Christendom zijn zij verplicht zich zelven te verloochenen en hun kruis op te nemen. Zij worden daartoe geroepen door de geboden van Christus, de beschikkingen der voorzienigheid, de bekwaammaking der genade en het voorbeeld van Jezus Christus, zij zijn dus gehouden te lijden, waar zij op die wijzen geroepen worden.
Ten tweede. Jezus Christus leed voor ons, niet de Vader leed, maar Hij dien de Vader daartoe had geheiligd en in de wereld gezonden, in ziel en lichaam leed Christus, en Hij leed voor ons, in onze plaats en ons ten goede, vers 24.
Ten derde. Het lijden van Christus moet ons tot rust brengen onder de onrechtvaardigste en wreedste behandelingen, die ons in de wereld overkomen. Hij leed vrijwillig, niet voor zich zelven maar voor ons, met de meeste bereidvaardigheid, met volkomen lijdzaamheid, allerlei lijden, en ofschoon Hij de Godmens was. Zullen wij zondaren, die het ergste verdiend hebben, ons dan niet onderwerpen aan de lichte droefenissen van dit leven, die voor ons na dezen zo onuitsprekelijke voordelen aanbrengen? 3.. Het voorbeeld van Christus' onderwerping en geduld wordt hier uitgelegd en toegepast.
Christus leed:
A. Onrechtvaardig en zonder reden, want Hij had geen zonden gedaan, vers 22. Hij had geen geweld gepleegd. niemand verongelijkt of kwaad aangedaan, Hij deed geen enkele on gerechtigheid, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden, Jesaja 53:9, Zijn woorden zowel als Zijn daden waren alle oprecht en rechtvaardig.
B. Geduldig. Die als Hij gescholden werd, niet weer schold, vers 23. Wanneer zij Hem lasterden, Hem bespotten, Hem slechte namen gaven: Hij was stom en opende Zijn mond niet. Toen zij verder gingen, werkelijke mishandelingen pleegden, Hem vuistslagen gaven, Hem bespuwden, Hem met doornen kroonden: Hij dreigde niet, maar gaf zich zelven en Zijne zaak over aan God, die rechtvaardig oordeelt, die op Zijn tijd Zijne onschuld aan het licht zou doen treden en Hem op Zijne vijanden wreken. a. Onze gezegende Verlosser was volkomen heilig en zo vrij van zonden, dat geen verzoeking, geen belediging welke ook, Hem tot de geringste zonde of het minste scherpe woord kon verlokken.
b. Het drijven tot de zonde kan nooit het begaan van de zonde verontschuldigen. De ruwheid, wreedheid en onrechtvaardigheid van de vijanden zal nooit de Christenen rechtvaardigen wanneer zij weder schelden en tot wraakneming komen. De reden om te zondigen kan sterk zijn, maar wij hebben altijd gewichtiger redenen om het te laten.
c. Het oordeel van God zal rechtvaardig beslissen over iedere mens en over elke zaak, en wij behoren dat met geduld en zelfbeheersing te bedenken. 4.. Opdat niemand zou menen, na hetgeen in de verzen 22 en 23 gezegd is, dat de dood van Christus alleen bedoeld was als een voorbeeld van geduld onder het lijden, voegt de apostel hier bij wat het heerlijke doel en de gezegende uitwerking er van waren. Die zelf onze zonden enz., vers 24. Merk hier op:
A. Den lijdenden persoon, Jezus Christus.
Die zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft. De uitdrukking zelf is beslist, en nodig om aan te wij zen dat Hij met al de oude profetieën overeenkwam, om Hem te onderscheiden van de Levitische priesters, die het bloed van dieren offerden, maar Hij heeft door zich zelven onze reinigmaking teweeggebracht, Hebreeën 1:3, en om alle anderen uit te sluiten van deelneming aan Zijn werk van on ze zaligmaking. Er wordt bijgevoegd: in Zijn lichaam, niet omdat ook niet Zijn ziel leed, Mattheus 26:38, maar het zielenlijden was inwendig en verborgen, terwijl dat van het lichaam zichtbaar was en meer vatbaar voor de beschouwing van deze lijdende dienstknechten, aan welken Zijn voorbeeld voorgehouden wordt.
B. Het lijden, dat Hij onderging, was striemen, wonden en de dood, de dood op het hout, gemene en onterende straffen.
C. De reden van Zijn lijden. Hij droeg onze zonden. Daaruit leren wij:
a. Dat Christus, in Zijn lijden, stond beladen met onze zonden, als iemand die op zich genomen had deze te dragen door Zijn eigen offerande, Jesaja 53:6.
b. Dat Hij er de straf voor droeg en daardoor aan de goddelijke gerechtigheid voldoening gaf.
c. Dat Hij daardoor onze zonden droeg en ze van ons wegnam, zoals de zondebok typisch de zonde van het volk op zijn hoofd wegdroeg naar de woestijn, Leviticus 16:21, 22. Zo droeg het Lam Gods onze zonden in Zijn eigen lichaam, Hij is het, die de zonde der wereld draagt, Johannes 1:29.
D. De vruchten van Christus' lijden zijn:
a. Onze heiligmaking, bestaande in den dood, het afsterven van de zonden en een nieuw heilig leven van rechtvaardigheid. Voor beiden hebben wij in den dood en de opstanding van Christus een voorbeeld, en daarbij kracht en bekwaamheid. b. Onze rechtvaardigmaking. Christus werd verbrijzeld en gekruisigd als een schuldoffer, en door Zijne striemen zijn wij genezen. Leer hieruit: Ten eerste: Jezus Christus droeg de zonden van al Zijn volk en delgde ze uit door Zijn kruisdood. Ten tweede: niemand mag op Christus rekenen, dat Hij ook zijn zonden gedragen en zijn schuld weggenomen heeft, ten zij hij der zonde sterft en der gerechtigheid leeft. 5.. De apostel besluit zijn raad aan de Christelijke dienstknechten, door hun het onderscheid tussen hun vroegeren en hun tegenwoordigen toestand voor ogen te houden, vers 25. Zij waren als dwalende schapen, en dat sluit in zich:
A. De zonden des mensen, hij dwaalt rond, het is zijn eigen daad, hij wordt niet gedreven, hij dwaalt vrijwillig.
B. Zijne ellende, hij dwaalt weg uit de weide, van den herder, van de kudde, en stelt zich zelven aan ontelbare gevaren bloot.
C. Hier is de herstelling door de bekering.
Maar gij zijt nu bekeerd. Het woord is niet bedrijvend maar een lijdend werkwoord, hetgeen te kennen geeft dat de terugkeer van den zondaar het werk van de goddelijke genade is. Zij keren terug van al hun dwalingen en rondzwervingen tot Christus, die de ware zorgvolle herder is, die de schapen liefheeft, die Zijn leven voor hen aflegde, die de beste herder, opziener en leider hunner zielen is.
a. De zondaren, voor hun bekering, zijn altijd dwalende, heel hun leven is een dwaling.
b. Jezus Christus is de overste Herder en Opziener hunner zielen, Hij is altijd bij Zijne kudde en waakt over haar.
c. Zij, die deze liefde en zorg van den goeden Herder begeren, moeten tot Hem terugkeren, der zonde sterven en der gerechtigheid leven.