6. Leer den jongen, van zijne vroegste jeugd af aan, de eerste beginselen naar den eis zijns wegs, naar de bijzondere behoeften, die hij heeft, naar de richting, die de opvoeding moet hebben voor elk in het bijzonder; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij meestal daarvan niet afwijken 1) (
Hoofdstuk 20:11).
1) Allernoodwendigst is het, dat men een kind in zijne kindsheid de waarheden der godzaligheid tracht in te prenten en hem, naar mate zijne vatbaarheid, de hoge Majesteit van God met eerbied leren kennen en vereren, en vooral hem zoeken voor dwalingen, onkunde, vooroordelen en bijgelovigheden te behoeden; wijders zijne lusten, neigingen en begeerlijkheden in het rechte spoor zoeken te leiden, te beperken en ze onbedwongen ten goede om te buigen..
Niet onopgemerkt mag voorbijgezien worden, dat de Heere God hier leert, om den jongen, het kind, naar den eis van zijn weg, dat is, naar mate van zijne bekwaamheid en vatbaarheid te onderwijzen. Op ene wijze, in overeenstemming met zijne behoeften moet het kind van zijne jeugd af aan, onderwezen worden in de eerste beginselen van den weg der zaligheid. Met toestand en behoefte moet gerekend worden. En dan zal het niet zelden blijken, dat wat in zijn jeugd geleerd wordt, in latere dagen nog door Gods genade vrucht draagt. 7. De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht, en al heeft hij zich ook niet als slaaf verkocht, toch is hij steeds van hem afhankelijk.
Hiermede wordt ene natuurwet uitgesproken, die ten allen tijde bewaarheid is: armoede en schuld heeft altijd geestelijke en lichamelijke afhankelijkheid als onmisbaar gevolg. -Daarom koop bij tijds ware wijsheid, opdat gij niet tot armoede en dien ten gevolge tot afhankelijkheid geraakt! Hoe gewichtig voor den tijdelijken en eeuwigen welstand de bewaring van de uit- en inwendige onafhankelijkheid van den mens is, blijkt ten duidelijkste in vele opzichten. Het onafhankelijkste en daarom het gelukkigste en voordeligste van het inwendige leven is de middenstand in de maatschappij. Waar deze, zowel tengevolge van het toenemende fabriekwezen, als van de grotere behoeften van het leven al meer en meer vermindert, daar treedt ook weldra de heerszucht en dwingelandij van den rijkdom, tegelijk met de slaafse onderwerping der armoede aan den wil der vermogende meesters al meer en meer op den voorgrond; daar is de werkman niet meer dan een nummer of ene kracht van den arbeid. -Daarom, wie zalig wil worden, die trachte naar de ware onafhankelijkheid, die zo recht tegenover de valse hedendaagse vrijheid staat. -Elk mens staat naar de wijsheid; maar die misdadige middelen gebruiken wil om die vrijheid met geweld voor zich te verkrijgen, handelt daardoor tegen Gods geboden, en smeedt zelf de kluisters, die hem gebonden houden in de strikken des kwaads..