Spreuken 22:26-27
Wij hebben hier, zoals dikwijls tevoren, een waarschuwing tegen het borg blijven, hetgeen zowel onvoorzichtig als onrechtvaardig is.
1. Wij moeten geen vertrouwelijke betrekkingen aanknopen met mensen van slechte naam en faam, wier zaken door hun eigen schuld te gronde gericht zijn, mensen die hun vrienden dringen om borg voor hen te blijven, opdat zij hun naasten kunnen bedriegen teneinde aan hun lusten te voldoen, en, door nog een weinig langer staande te blijven, ten laatste zoveel te meer schade toe te brengen aan hen, die hun krediet verlenen. Heb niets van doen met de zodanigen, bevind u niet onder hen.
2. We moeten de mensen niet van hun geld beroven door zelf in de handen te klappen, of door borg te blijven voor anderen, als wij niet hebben om te betalen. Als iemand door de leiding van Gods voorzienigheid buiten staat is om zijn schulden te betalen, dan moet men medelijden met hem hebben en hem helpen, maar als iemand geld en goed borgt voor zichzelf of in staat voor een ander, als hij weet dat hij niets heeft om mee te betalen, of dat hetgeen hij heeft zo vastgemaakt is op hemzelf, dat de schuldeisers er niet aan kunnen komen, dan is dit in werkelijkheid zijn naaste te beroven. En hoewel altijd medelijden betoond moet worden, heeft hij het toch zichzelf te wijten als het recht zijn loop heeft, en zijn bed van onder hem wordt weggenomen, dat niet als pand mocht genomen worden voor een schuld, Exodus 22:26, 27. Want als iemand zo arm bleek te zijn, dat hij niets anders had om te pand te geven, dan behoorde hij ondersteund te worden, maar voor de invordering van een schuld schijnt het geoorloofd te zijn geweest, door een strikte toepassing van de wet.
3. Wij moeten ons eigen gezin en onze bezittingen niet te gronde richten. Iedereen behoort rechtvaardig te zijn voor zichzelf en voor zijn vrouw en kinderen. Dat zijn zij niet, die boven hun vermogen leven, die door het wanbestuur van hun eigen zaken, of door zich te belasten met de schulden van anderen, verspillen wat zij hebben en zich tot armoede brengen. Wij kunnen met blijdschap de beroving onzer goederen aannemen, als het voor het getuigenis van een goed geweten is, maar als het om onze eigen roekeloosheid en dwaasheid is, dan kunnen wij niet anders dan het zeer zwaar opnemen.