Spreuken 22:24-25
1. Hier is een goede waarschuwing tegen een vertrouwelijke omgang met een hartstochtelijke, toornige mens. Het is de wet van de vriendschap, dat wij ons schikken naar onze vrienden en bereid zijn hun van dienst te wezen, en daarom behoren wij verstandig en omzichtig te zijn in de keus van een vriend, opdat wij die heilige verbintenis niet aangaan met iemand, naar wie ons te schikken onze dwaasheid zou zijn. Wij moeten beleefd zijn jegens allen, maar toch wel toezien op de persoon, die wij tot onze boezemvriend maken en met wie wij gemeenzaam omgaan. Zo onder anderen is een man, die licht tot toorn wordt geprikkeld, lichtgeraakt is, iedere belediging hoog opneemt, en als hij driftig is zich niet bekommert om hetgeen hij zegt of doet, maar woedend en buitensporig wordt, niet geschikt om hem tot onze vriend en metgezel te maken, want telkens en nogmaals zal hij toornig op ons wezen, en dat zal ons verdriet zijn, en hij verwacht dat wij even grimmig zullen zijn op anderen als hij zelf is, en dat zal onze zonde wezen.
2. Een goede reden gegeven voor deze waarschuwing, opdat ge zijn paden niet leert . Wij zijn geneigd om hun gelijk te wezen, met wie wij omgaan. Er is in ons verdorven hart zoveel tonder, dat het gevaarlijk is om te gaan met hen, die de vonken van hun hartstocht om zich heen laten vliegen, daarmee zullen wij een strik over onze ziel halen, want een neiging tot toorn is voor iedereen een grote strik en een aanleiding tot veel zonde. Hij zegt niet "opdat u geen beledigende woorden zullen gegeven worden, of opdat gij geen lichamelijke mishandeling zult hebben te verduren," maar wat veel erger is: "opdat gij hem niet navolgt om hem genoegen te doen, en aldus een slechte gewoonte aanneemt."