Spreuken 20:7
Tot eer van een goed man wordt hier opgemerkt:
1. Dat hij goed handelt voor zichzelf, hij heeft een zekere regel, waarnaar hij zich met vaste hand regeert en bestuurt. Hij wandelt in zijn oprechtheid, hij bewaart een goed geweten, en hij heeft er de vertroosting van, want het is zijn blijdschap. Hij is niet onderhevig aan de onrust, hetzij in het beramen van hetgeen hij zal doen, of in het nadenken over hetgeen hij gedaan heeft, waaraan zij onderhevig zijn, die in bedrog wandelen.
2. Dat hij goed handelt voor zijn gezin. Zijn kinderen zijn gezegend na hem, en het gaat hun te beter om zijnentwil. God heeft voor al het zaad van de gelovigen genade weggelegd.